Zoek in de site...

Lezing Actuele denkers: Gilles Deleuze

Actuele denkers: Gilles Deleuze

Radboud Reflects, 4 februari 2016

Door Arjen Kleinherenbrink, metafysicus en promovendus aan de Radboud Universiteit.

1. Monisme en relationisme

De titel van deze avond werpt drie vragen op. (1) Wie was Gilles Deleuze, (2) wat is zijn denken en (3) wat is daar actueel aan? Ik begin met die derde vraag, omdat een introductie in een denker bovenal moet verduidelijken waarom hij of zij relevant is. Deleuzes actualiteit zit in zijn verzet tegen twee ideeën die tegenwoordig zeer gangbaar zijn, en die bovendien steeds meer populariteit verwerven.

Het eerste idee luidt als volgt: de werkelijkheid heeft meerdere lagen, maar één laag is ultiem. Er is de biologie, de economie, de menselijke ervaring, de materiële wereld, de taal, enzovoort. Maar: bestaat één domein van waaruit we alle activiteit in alle andere domeinen kunnen verklaren. Eén laag van de werkelijkheid bevat alle oorzaken, alle andere lagen bevatten daar slechts effecten van. Die andere lagen en wat ze bevatten lijken weliswaar echt, maar die echtheid is een illusie. Ik noem drie bekende varianten van zulk denken. (1) Alleen subatomaire deeltjes en hun interacties zijn echt. Vulkanen, oorlogen, en de verzamelde werken van Harry Mulisch lijken echt voor ons, maar het zijn slechts schouwspelen of effecten van wat er gebeurt in die subatomaire laag. (2) Alleen onze hormonen, genen, of neuronen zijn echt. Onze liefdes, gedachten, verlangens, egos, en waarnemingen lijken echt voor ons (en ze lijken over echte mensen en dingen te gaan), maar dat is een illusie. Het zijn slechts afspiegelingen van een micro-biologische realiteit. (3) De ultieme laag hoeft niet per se een microniveau “onder” ons te zijn, zoals in de eerste twee voorbeelden. Ze kan ook op macroniveau “boven” ons worden geplaatst. De oorzaak van al ons doen en laten kan bijvoorbeeld gelegd worden in God, net zoals men kan stellen dat we in de greep verkeren van de taal, van de geschiedenis, of van ideologie. Het idee is steeds hetzelfde: de diversiteit van de realiteit kan gereduceerd worden tot precies één domein. Laten we dit voor de handigheid monisme noemen.

Het tweede idee luidt: alles is verbonden. Iets zijn is het hebben van relaties. Dit idee blijft aan kracht winnen doordat we tegenwoordig overal netwerken ontdekken en creëren. Door onder andere politieke internationalisering, technologische digitalisering, medische neurologisering, en economische globalisering wordt het aannemelijk om te denken dat “bestaan” hetzelfde is als “functioneren in een netwerk.” En elk punt in een netwerk wordt nu eenmaal gedefinieerd in termen van zijn verbindingen met andere punten. Dit tweede idee stelt dat ik dus in essentie mijn relaties ben, zonder enige rest buiten die relaties. Ik ben de optelsom van de talloze relaties die ik bewust en onbewust in het verleden, heden, en in de toekomst onderhoudt. Veel van onze gewoontes stoelen impliciet op deze gedachte. Als we ons voorstellen reageren we bijvoorbeeld op de vraag “wie ben je?” met een opsomming van onze baan, onze woonplaats, onze hobby’s, enzovoort. Ik ben dan mijn relaties met mijn familie, vrienden, beroep, verlangens, organen, brein, taal, woonplaats, enzovoort ... en daarachter schuilt verder niets. Laten we dit relationisme noemen.

De filosofie van Deleuze is een aanval op monisme, op relationisme, en op alle combinaties daarvan.[1] Hij vindt het giftige ideeën en denkt dat ze afdoen aan ons geluk en onze menselijkheid.  Bovendien vindt hij het onware ideeën. Hij denkt dat de realiteit niet werkt zoals monisme en relationisme impliceren. Ik kom straks terug op waarom Deleuze deze ideeën giftig en onwaar vindt. Eerst wil ik kort ingaan op Deleuze zelf en op zijn alternatief voor monisme en relationisme, dat wil zeggen: op zijn eigen filosofie.

2. Gilles Deleuze

Allereerst de mens. Gilles Deleuze werd geboren in 1925 en overleed in 1995. Uit zijn biografie blijkt dat hij tijdens zijn leven weinig opzienbarends deed, maar om toch een beeld van de persoon te creëren noem ik een aantal details.

Deleuze woonde en werkte in Parijs, als tijd- en stadsgenoot van onder andere Michel Foucault en Jacques Derrida. Hij was een matige scholier, maar werd na zijn kennismaking met filosofie een uitmuntende student. Hij was tot in het extreme gefascineerd door kunst. De bescheiden hotelkamer die hij vroeg in zijn carrière bewoonde was zo volgeplakt met posters en goedkope reproducties dat er nauwelijks daglicht in doordrong. Hoewel Deleuze ongetwijfeld genoot van dit schemerige pandemonium, joeg het bezoekende vrienden vooral de stuipen op het lijf.

Hij trouwde en kreeg twee kinderen. Hij droeg vrijwel altijd een hoed, maar knipte nooit zijn nagels. Kettingroken kostte hem één long en gaf hem een fascinerende, raspende vertelstem. Hij was een alcoholist, maar verruilde later de drank voor een minnares. Hij walgde van zuivel, maar at graag merg, brein, en tong. Onder invloed van zijn boeken wierpen zijn studenten zich op drugs en in orgies, maar zijn vrienden en vrouw noemden hem een heilige. De heilige zelf wierp zich na zeventig jaar uit het raam van zijn appartement.

Deleuzes oeuvre van bijna dertig werken kent twee periodes. De eerste duurt van 1953 tot 1969. In deze jaren schrijft hij boeken over onder andere Spinoza en Nietzsche, maar ook over het sadomasochisme en over de literatuur van Marcel Proust. Het is een klassiek-filosofische fase, waarin een denker aan de hand van beroemde voorgangers, aangevuld met inzichten uit kunst en wetenschap, gestaag naar een eigen systeem toe werkt. Zij wordt afgesloten met de publicatie van twee hoofdwerken waarin Deleuze zijn eigen filosofie uiteenzet: Différence et Répétition in 1968 en Logique du Sens uit 1969.

De tweede periode begint in 1972 en duurt tot zijn dood. De werken uit deze periode worden sterk beïnvloed door Deleuzes fascinatie met het jaar 1968. In mei ’68 brak er vanuit Parijs een massale studentenopstand uit, gecombineerd met een algehele staking in praktisch heel Frankrijk. Het was een revolutionair moment van (aldus Deleuze) ongekende creativiteit, een moment waarop mensen uit alle rangen en standen van de samenleving massaal aangaven dat ze het morele, seksuele, economische, politieke, psychiatrische, en religieuze keurslijf van hun samenleving en hun bazen niet meer zouden pikken. Na ‘68 wordt Deleuzes werk politieker en polemischer. Het is geen afscheid van eerder werk, wel een radicalisering en verbreding van bestaande inzichten. Het is ook het begin van zijn samenwerking met de psychiater Félix Guattari, waaruit onder andere nog eens drie hoofdwerken resulteren: L’Anti-Oedipe, Mille Plateaux, en Qu’est-ce que la philosophie?.

Dan kort iets over zijn schrijfstijl. Deleuze is onbegrijpelijk voor het grote publiek, maar wel toegankelijk voor u. Dit betekent helaas niet dat Deleuze u bovengemiddeld briljant vindt. Het betekent dat Deleuze ontkent dat zoiets als “het grote publiek” bestaat. Er is niet één taal, één betekenisveld, of één waarheid waarover wij allemaal beschikken en waar filosofen dus, als ze slim waren, hun schrijfstijl op zouden afstemmen. Daarvoor zijn mensen onderling te verschillend. Maar ondanks hun verschillen hebben mensen steevast affiniteiten met allerlei groepen die zo hun eigen kennis, taal, en manier van doen hebben. Daar schrijft Deleuze voor, en hij wisselt per boek (soms zelfs per hoofdstuk) steeds van jargon om verschillende groepen aan te spreken. Om Deleuze te lezen moet u dus een beetje bagage meebrengen. Wie iets heeft met literatuur begint in zijn boeken over Proust of Kafka. Filmfanaten beginnen met zijn twee boeken over cinema. Wie kennis heeft van deze of gene filosoof kan aanhaken bij de boeken over Spinoza, Nietzsche, Leibniz, of Hume. Wie iets weet van taal, muziek, oorlog, biologie, of technologie start in de betreffende secties in het vuistdikke Mille Plateaux. Deleuzes werk heeft vele ingangen, maar geen enkele ingang is geschreven voor zoiets als “het grote publiek.”

Deze schrijfstijl heeft een bijzonder gevolg gehad. Deleuzes werk is vrijwel onbekend in de mainstream, maar tegelijk ongekend populair in een groot aantal specifieke groepen. Denk onder andere aan Braziliaanse psychologen, Israelische legerofficieren, Japanse architecten, Nederlandse filmstudenten, Amerikaanse activisten, en Deense business schools. Ik geef ook een voorbeeld dat laat zien hoe onverwacht een aanhaakpunt in filosofie kan zijn. In 1988 publiceerde Deleuze het boek Le pli, “De vouw.” Het is een technisch boek over de filosoof Leibniz, over de barok, en over Deleuzes eigen denken. Centraal staat de suggestie dat de realiteit iets is waarin alles in elkaar zit “gevouwen”. Onbegrijpelijk voor filosofen, want “vouwen” komt niet of nauwelijks voor onze jargons, maar vervolgens schrijven twee groepen hem om te zeggen “nu begrijpen we waar je het over hebt!” De eerste groep? Le mouvement français des plieurs de papier. De nationale origami vereniging van Frankrijk. Ze schreven: wij snappen dit perfect, want wij zijn met niets anders bezig dan dingen in elkaar vouwen. Wij leven dit boek. De tweede groep? Een vereniging van golfsurfers. Ook zij zeiden: wij snappen je punt, wij leven deze theorie, want wij doen niets anders dan onszelf in de golven vouwen, wij vouwen onszelf in de vouwen van de oceaan.

Tot zover Deleuze zelf. Ik wil nu op zijn denken ingaan. Ik doe dat grotendeels aan de hand van L’Anti-Oedipe, de Anti-Oedipus, een boek dat Deleuze samen met Félix Guattari schreef en in 1972 publiceerde. Ten eerste omdat daarvan een Nederlandse vertaling bestaat. Ten tweede omdat de eerste 150 pagina’s de hoofdlijnen van Deleuze’s denken bevatten. Ten derde omdat het boek is geschreven voor u, voor mensen die wellicht wel eens verteld wordt dat zij gereduceerd kunnen worden tot één ander ding (monisme) of tot al hun relaties (relationisme).

3. Alles is een machine

Anti-Oedipus dus. Maar wat is Oedipus? In de tragedie van Sophocles is Oedipus de koning wiens doen en laten onherroepelijk de profetie vervult die stelt dat hij zijn vader zal doden en zijn moeder zal huwen. Bij Freud is het een theorie over seksualiteit, over agressie naar de vader en verlangen naar de moeder. Voor Deleuze is Oedipus iets anders. Zijn vijand is de filosofische Oedipus, en een filosofische Oedipus is iedere theorie die stelt dat iets slechts een representatie van iets anders is.[2] Het is iedere theorie die stelt dat de essentie van iets te vinden is in de relatie met iets anders. Kortom, het is elke theorie die neerkomt op wat we net monisme en relationisme noemden.

Waarom kiest Deleuze “Oedipus” als naam voor zijn vijand? Omdat de Freudiaanse psychoanalyse volgens hem een voorbeeldige illustratie is van monisme en relationisme verenigd in één theorie. Ik geef een voorbeeld uit Anti-Oedipus. Een jongetje wordt naar een psychoanalist gebracht. In de behandelkamer begint hij te spelen met een speelgoedtrein. Hij speelt dat de trein in een tunnel gaat. “Aha!,” zegt de analist, “de trein, dat ben jij, en de tunnel, dat is mama.” Tot overmaat van ramp heet het jongetje overigens Dick en wordt hij de tekst aangeduid als “de kleine Dick.” De conclusie is duidelijk: dit is Oedipus complex, verlangen naar de moeder, agressie naar de vader. Deleuze wijst er op dat deze conclusie relationisme en monisme tegelijk impliceert. Want wat is het jongetje? Het jongetje wordt geanalyseerd in termen van wat het doet, in termen van zijn relaties met een speelgoedtrein en een stoeltje (de “tunnel”). Relationisme. En die relaties worden op hun beurt geanalyseerd als expressies van één zaak, namelijk het Oedipus complex. Monisme. En wat is hier erg aan? Het erge is dat het Oedipus complex al van tevoren klaar ligt. Wat het jongetje ook had gedaan of gezegd, de analist had altijd een manier gevonden om te concluderen “je bent wat je doet en wat je doet is een uiting van het Oedipus complex.”

Is dit een karikatuur van de psychoanalyse? Natuurlijk.[3] Dat is het punt ook niet. Wat we moeten onthouden is dat Oedipus de naam is voor iedere theorie die zegt: alles kan gereduceerd worden tot zijn relaties met andere dingen, of gereduceerd worden tot één ander ding. En, zoals we net zagen, Oedipus is ook iedere combinatie van zowel monisme als relationisme.

Wat Deleuze “Oedipus” noemt gaat dus altijd over reductie. Hij geeft daar in Anti-Oedipus nog een mooi voorbeeld van. Stel dat je een cynicus tegen het lijf loopt die beweert dat liefde niet bestaat. Wat wij tegenwoordig “liefde” noemen is volgens de cynicus slechts een combinatie voortplantingsdrang en commercie. Enerzijds biologie (testosteron, oestrogeen, hormonale huishouding, genetische drift), anderzijds cultuur (romantische films, valentijnsdag, pornografie, popmuziek). Volgens de cynicus bestaat er niet zoiets als mijn liefde voor mijn geliefde. Mijn liefde is volgens hem volledig te reduceren tot twee lagen: biologische processen en culturele context. En net zoals de psychoanalist weet de cynicus al van tevoren dat dit waar is voor alle mogelijke liefdes. “Al onze liefdes zijn leeg,” roept hij. Het zijn slechts spiegelpaleizen die reflecteren wat wel echt is: hormonen en reclames.

De cynicus geeft ons, naast een deprimerend verhaal, ook een nieuw inzicht. Hij reduceert de dingen namelijk niet naar één laag (monisme), maar naar twee tegelijk: naar een biologische laag en naar een culturele laag. Zo beseffen we dat monisme en relationisme geen verschillende ideeën zijn, maar twee uiteindes van een zelfde continuüm. Het uiteinde van monisme zegt: iets kan gereduceerd worden tot zijn relatie met één ander iets. Het uiteinde van relationisme zegt: iets kan gereduceerd worden tot zijn relaties met alle andere dingen. Anders gezegd: monisme is de meest minimale vorm van relationisme. Daar tussen zijn allerlei posities mogelijk waarin we iets reduceren tot bijvoorbeeld twee, tien, of zevenendertig andere dingen. De cynicus kan bijvoorbeeld toevoegen “oh ja, en de liefde van de man gaat door de maag.” We hebben dan een reductie van mijn liefde tot drie zaken: hormonen, reclame, en spijsvertering, maar de denkbeweging blijft identiek.

Een korte tussentijdse conclusie: monisme en relationisme zijn de uiteinden van een continuüm. Alle theorieën op dat continuüm stellen dat een zaak gereduceerd kan worden tot iets anders. Die “zaak” kan alles zijn: een festival, een planeet, een mens, een gedachte, een kettingzaag, de Franse revolutie, een rockband, noem maar op. En “iets anders” kan ook alles zijn: subatomaire deeltjes, de biologie, de cultuur, de taal, enzovoort. In alle gevallen wordt gezegd: de essentie van de zaak ligt in één of meerdere relaties met iets anders.

Waarom verwerpt Deleuze dergelijke theorieën? Hij verwerpt ze niet alleen omdat hij ze walgelijk vindt. Zijn Anti-Oedipale positie is geen kwestie van smaak, maar een kwestie van denken. Waarom kloppen Oedipale theorieën volgens Deleuze niet? Waarom ben ik geen representatie van subatomaire deeltjes, of van iets biologisch, of van iets cultureels? Waarom ben ik niet te reduceren tot mijn verhouding met mijn land, ouders, organen, hormonen, taal, enzovoort? En overigens: waarom zijn voetbalstadions, de Europese Unie, beverdammen, theeglazen en de planeet Neptunus volgens Deleuze ook allemaal niet te reduceren tot iets anders?

Deleuze vindt de reden daarvoor in één inzicht dat centraal staat in al zijn denken. Dat inzicht luidt: “relata zijn extern aan relaties.”[4] “Relata” is een synoniem voor “entiteiten”. De stelling betekent: “welke entiteit je ook neemt, ze is altijd meer dan haar relaties.” En daar heb je het: alle dingen hebben volgens Deleuze dus een surplus, een overschot buiten hun relaties. Dat moet zo zijn, omdat het tegendeel onmogelijk is. Het tegendeel stelt: alle entiteiten zijn intern aan hun relaties. Oftewel: hun essentie ligt in hun relaties. Wat ze zijn is volkomen hetzelfde als de relaties die ze onderhouden. Deleuze heeft drie formuleringen die stellen waarom zulke internaliteit onmogelijk is. Soms zegt hij “er zou niets veranderen.”[5] Soms zegt hij “het heden zou niet kunnen passeren.”[6] En soms zegt hij “het universum zou eindigen.”[7]

Die drie formuleringen betekenen allemaal hetzelfde. Als alles volledig bestaat uit relaties, dan zit alles muurvast. De hele realiteit zou bevroren zijn in een eeuwig heden. Waarom? Omdat geen enkele entiteit een reserve zou hebben om te veranderen, om een nieuwe relatie aan te gaan. En die reserve moet er zijn.

Nu denken sommigen van u misschien: dat is niet waar, want ik kan me eigenschappen van entiteiten voorstellen die geen relaties zijn. Zoals bijvoorbeeld “gewicht” en “omvang,” of “plek” en “tijdsduur.” Maar dat klopt niet, want al dat soort eigenschappen zijn relationeel. Hetzelfde object heeft hier op aarde een totaal ander gewicht dan op Mars. Het heeft hier een andere omvang dan in een ruimte met meer of minder luchtdruk. Plek en duur zijn net zozeer relationeel, want iedere ruimtelijke of temporele positie is altijd verder van, dichterbij, voor, of na iets anders. In die zin is geen enkele eigenschap fundamenteel anders dan kleur, wat altijd een relatie tussen object, lichtbron, en waarnemer is.

Misschien geeft u dat punt toe, maar bent u het toch nog niet eens met de noodzaak van een buitenrelationeel surplus. U kunt zich bijvoorbeeld voorstellen dat een ding bestaat uit honderd relaties, waarvan er ééntje verandert terwijl de andere negenennegentig ondertussen zorgen dat het ding blijft wat het is. U definieert veranderingen aan dingen dan als een soort haasje over tussen relaties. Maar dat kan niet, omdat een relatie nooit een relatie met een relatie is. Bedenk bijvoorbeeld dat de kleur van een object niet de kleur van het gewicht van het object is. En het is ook niet de kleur van het gewicht, de geur, en het geluid van dat object. Een kleur die verandert is niet de kleur van negenennegentig andere relaties, maar van een object.

U mag dit thuis verder contempleren, voor nu ga ik verder met Deleuze. Deleuze stelt dus: alle entiteiten zijn onmogelijk te reduceren tot iets anders. Alles is dat surplus. Alles is in eerste instantie zichzelf en niets anders. Alles baant zich dus in zekere zin een eigen weg door de realiteit. En omdat alles dus zelf werkt noemt hij iedere entiteit een “machine.” En dat is de grote kreet van de Anti-Oedipus: niets is te reduceren, alles is een machine, alles machineert. Wat is dan het surplus van een machine dat buiten alle relaties valt? Deleuze gebruikt daar in zijn werken verschillende technische termen voor, maar de duidelijkste is wat in het Frans “puissance” heet, en wat het best vertaald wordt met “krachten,” “capaciteiten,” of “vermogens.”

Vermogens of krachten zijn de essentie van iedere machine. Vermogens zijn altijd fundamenteel meer dan de relaties waar machines in staan. Bijvoorbeeld: ik heb het vermogen om te lopen. Nu kan ik beginnen met lopen, en dat is relationeel. Lopen gebeurt immers altijd op iets en naar iets. Maar lopen is niet hetzelfde als mijn vermogen om te lopen. Elke keer dat ik loop kunnen mijn vermogens weliswaar veranderen, maar het vermogen zelf en het actieve gebruik ervan zijn nooit gelijk. Of een ander voorbeeld: wanneer u een nieuwe taal leert, veranderen uw vermogens, maar uw beheersing van een taal is natuurlijk niet hetzelfde als uw tekstboek of uw relatie daarmee.

Iedere entiteit heeft een volledig eigen interne realiteit, een eigen puissance. Die kan weliswaar veranderen door relaties met andere entiteiten, maar die twee zaken zijn nooit hetzelfde. Zo zien we de fout van alle vormen van reductionisme pas echt goed: ze verwarren een generator met het gegenereerde. Net zoals stroom niet hetzelfde is als de accu waardoor ze wordt gegenereerd, zo zijn mensen, huiskatten, bungalows, Valentijnsdag, en de Europese Unie niet hetzelfde als de zaken waaruit zij worden gegenereerd.

Alles is een machine betekent ook: alles is echt. Een vulkaan is net zo echt als een deuntje dat vast zit in mijn hoofd. Geen van beiden is te reduceren tot iets anders. Een vulkaan kan bijvoorbeeld uitbarsten, maar de stukken steen waaruit ze bestaat kunnen dat niet. Het vermogen is van de vulkaan zelf, niet van haar onderdelen. Het activeren van het vermogen vereist weliswaar activiteit van talloze andere entiteiten, maar het vermogen zelf is van de vulkaan. Op dezelfde manier is ook het deuntje in mijn hoofd niet te reduceren tot iets anders. Natuurlijk: ik genereer het deuntje, samen met een aantal van mijn onderdelen. Maar het deuntje heeft bijvoorbeeld het vermogen om in uw hoofd te kruipen, en ik heb dat niet (het deuntje dat ik in mijn hoofd heb is overigens het themalied van de Muppets ... manamana du duu dududu ... en voilà, zo kruipt er iets in uw hoofd).

De gevolgen van de stelling “alles is machines” zijn overigens gigantisch.

Ten eerste: er is nooit volledig contact met iets mogelijk. Hoe een entiteit verschijnt in een relatie is niet hetzelfde als de vermogens, als de essentie van die entiteit. U kijkt nu naar mij en ziet niet mijn vermogens, maar u ziet mij voor zover uw eigen vermogens dat toelaten. En laten we niet vergeten dat talloze andere entiteiten zich ook bemoeien met hoe u mij waarneemt, waaronder het licht, onze taal, uw ogen, uw oren, mijn stem, en uw stemming (bijvoorbeeld uw verveling of uw ergernis). Ik verschijn nooit helemaal aan u, dat wil zeggen, in termen van vermogens. Ik verschijn slechts gedeeltelijk, of zoals Deleuze zegt: als een partieel object. En dat verschijnen is veranderlijk, want de activiteiten van allerlei andere machines, bijvoorbeeld mijn lichaamsgeur of uw spijsvertering, kunnen veranderen hoe u mij waarneemt. En dat noemt Deleuze flow. En dat geldt net zozeer voor dingen als voor mensen. Een vloer heeft geen contact met de vermogens van de stoel die er op staat. De vloer onderhoudt slechts een relatie met een partieel object-flow combinatie waarin de vermogens van de stoel op een bepaalde manier geactiveerd worden.

Ten tweede: niets heeft een natuurlijke plek of functie. We hebben immers gezegd dat u niet uw relaties bent, maar uw vermogens, plus dat relaties en vermogens niet tot elkaar te reduceren zijn. U bent bijvoorbeeld geen Nederlander. Ja, u draagt bij aan het genereren van de machine “Nederland” en Nederland draagt bij aan de vorming en wording van uw vermogens, net zoals talloze andere entiteiten in en rondom Nederland dat doen. Maar u doet Nederland. U bent zo nu en dan “aan het Nederlanden,” net zoals u af en toe aan het koken of neuken bent en zo een stamppot of een vrijpartij tot realiteit maakt. Kortom: er is altijd werk nodig om iets ergens op aan te sluiten. Bedenk u dat dit in het reductionisme (relationisme en monisme) niet het geval is. De reductionist wist van te voren al waar alles was, waar alles thuishoorde, en wat alles deed. Volgens Deleuze is dat niet het geval. Er is altijd moeite nodig. Er moet bijvoorbeeld werk verzet worden om te zorgen dat mijn organen functioneren voor mij. Zij doen dat niet uit zichzelf, omdat die relatie niet hun eigen essentie is. Op dezelfde manier moet er werk verzet worden om hout in een beverdam terecht te laten komen, om geliefden in een relatie te houden, om Turkije binnen of buiten de EU te houden, om een planeet in zijn baan te houden, enzovoort. Iedere relatie is een aanspraak op een entiteit, op een machine die niet zijn relaties, maar zijn vermogens is. Alle relaties zijn slechts wat dingen doen. U vindt dus geen “Nederlanderschap” in uw essentie, hoezeer u zich ook behangt met oranje vlaggen en volpropt met kroketten. Op dezelfde manier zult u ook nooit “Nijmegenaar,” “blank,” of “heteroseksueel” in uw essentie vinden. Al die zaken verwijzen naar welke relaties u heeft met uw stad, uw huid, of andere mensen. Ze kunnen van belang voor u zijn, dat ontkent Deleuze niet, maar ze kunnen nooit uzelf zijn. In andere woorden: al het racisme, al het nationalisme, al het seksisme, en alle andere “-ismen,” vooral in hun fundamentalistische varianten, hebben het volgens hem bij het verkeerde eind. Het “-isme” dat door Deleuze overigens het felst bekritiseerd wordt is het kapitalisme. Kapitalisme eet namelijk van twee walletjes. Enerzijds is het een logica die volledig accepteert dat niets een natuurlijke plaats heeft, omdat het draait om verplaatsing, verandering, groei, en consumptie. Anderzijds is het een logica die op een metaniveau voor alles een nieuwe natuurlijke plaats aanwijst: die is verplaatsing of verandering zelf, waardoor het kapitalisme de boodschap verspreidt dat de essentie van alle dingen is dat ze moeten groeien, bewegen, veranderen, consumeren, en geconsumeerd worden. Maar dat terzijde.

4. Conclusie

Ik ben al ingegaan op waarom de twee vormen van reductionisme (monisme en relationisme) volgens Deleuze incorrect zijn, en op de machinefilosofie die hij als alternatief biedt. Ik wil afsluiten met waarom Deleuze het reductionisme naast incorrect ook giftig vindt, en zijn eigen filosofie gezonder.

Wie reduceert kiest een favoriete laag. Dat kan de biologie zijn, of dode materie, maar het kan ook een nationaliteit, een seksualiteit, of een geloofsovertuiging zijn. Wanneer we dat doen, dan gaan we stellen dat wij in essentie de expressie van die laag zijn. Al het andere is slechts een afgeleide. We zullen dan iedereen die niet hetzelfde denkt gaan zien als kinderlijk, naïef, onderontwikkeld, of kwaadaardig. En maar al te vaak zullen de supporters van een favoriete laag alle anderen, plus al het andere, in hun keurslijf proberen te dwingen. Meestal met de beste bedoelingen. Dat creëert onder andere kinderen die lijden onder onmogelijke verwachtingen van ouders, volwassenen die zich nooit zullen thuis voelen in een religieuze gemeenschap waar ze desalniettemin nooit uit zullen stappen, een planeet die gesloopt wordt in dienst van de onzichtbare hand van de vrije markt, en cynici die denken dat liefde slechts een optelsom is van feromonen en Hollywoodfilms.

Deleuzes alternatief voor zulk vergif? Onderzoek in iedere situatie altijd welke machines er daadwerkelijk op het spel staan. Natuurlijk, dat is moeilijk, niet in het minst omdat zelfs één enkele machine altijd slechts partieel waarneembaar is. En natuurlijk, dat kost tijd. En natuurlijk, door met machines te interacteren zul je hun vermogens op onverwachte manieren veranderen, wat de boel nog eens complexer maakt. Maar alles, zo stelt hij, alles is beter dan een rotsvaste overtuiging waarin alles altijd al vaststaat.



[1] Ter verduidelijking: op monisme en relationisme zoals hier gedefinieerd. Deleuze noemt zijn eigen univoke ontologie (alles is een machine) bij tijd en wijle ook een monisme (onder de formule “monisme = pluralisme”), en zijn these dat alles contingent is en dientengevolge geproduceerd moet worden door andere entiteiten (vandaar zijn idee dat alles verkeert in een “worden”) kan een relationisme genoemd worden. Beide termen krijgen bij Deleuze echter een volledig andere betekenis dan hier, omdat ze losgeweekt worden van ieder mogelijk reductionisme.

[2] Zie het seminar over Anti-Oedipus van 26-03-1973 en in Anti-Oedipus zelf de opmerkingen over Oedipaal denken als “3+1” en machinaal denken als “-1,” dat wil zeggen zonder iets waartoe we zaken reduceren.

[3] De “schizoanalyse” die Deleuze en Guattari zelf propageren (“welke machines maken je ziek, welke helpen je?”) is namelijk niets anders dan een therapeutische praktijk die uitgaat van wat zij zelf “Freuds vroege inzicht” (in Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie) noemen: ons geestesleven in het algemeen en meer specifiek de seksualiteit is niet a priori te typeren middels welke theorie dan ook. Er is geen blauwdruk of schema voor. In tegendeel, ze is juist fundamenteel problematisch, wat betekent dat ze zich ontwikkelt langs de lijnen van contingente koppelingen met allerhande zaken die wij tegenkomen tijdens ons leven. Het beste dat de therapeut kan doen is deze koppelingen (machines) verkennen met de patiënt en gaandeweg samen verbeteringen proberen te realiseren. Dit sluit overigens niet uit dat sommige patiënten aan een Oedipus complex zullen lijden. Het sluit slechts uit dat we van tevoren zouden weten dat alle patiënten er aan lijden en dat alle klachten er een uiting van zijn.

[4] In eerste instantie in Empirisme et subjectivité, vervolgens een rode draad in al zijn boeken en colleges.

[5] In Empirisme et subjectivité

[6] In Le Bergsonisme en in Différence et Répétition

[7] In Nietzsche et la philosophie