Zoek in de site...

Verslag van di 16|02|16 Hoffelijkheid, so what? | Theater en debat met acteur Sjoerd Meijer en filosoof Paul van Tongeren

Hoffelijkheid, so what?
Theater en debat met acteur Sjoerd Meijer en filosoof Paul van Tongeren Dinsdag 16 februari 2016 | 19.30 - 21.30 uur | LUX, Mariënburg 38-39, Nijmegen

Sjoerd Meijer maakte eerder de voorstelling De bevrijding van Boos Mannetje, waarmee hij in 2013 het Amsterdam Fringe Festival won. Paul van Tongeren is emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit.

Op een blauwe fiets komt hij het podium op. Hij stapt af, wendt zich direct tot het publiek. “Goedenavond. Ik hoop dat u zich op uw gemak voelt. Dat u zich niet ergert aan uw buurman, die hardop ademt. Ik hoop niet dat u zich stoort aan mij, of dat uw buurman, die hardop commentaar levert, tot ergernis bij u leidt. Als u zich toch stoort, dan hoop ik dat u in staat zal zijn om met een korte beleefde constructieve opmerking uiting kunt geven aan uw ergernis.”

Snotje

Sjoerd Meijer trakteert de bezoekers in zijn solo-voorstelling op een breed scala aan (on)beleefdheden. Meijer vertelt van die keer dat hij een jongen zag lopen op het station. Op zijn neus zat een snotje. Wat nu als hij diezelfde middag een sollicitatie zou hebben? Meijer wijst de jongen dus maar op de onvolkomenheid. “Denk je dat je grappig bent ofzo?!” is de reactie die hem wacht. Een vrouw, wiens kop koffie Meijer per ongeluk omstoot, adviseert: “Laat iets aan je ogen doen, idioot. Ik hoop dat je de tyfus krijgt.” Meijer bijt op zijn tong. Misschien heeft ze haar dag niet? Toch springt ook Meijer weleens uit zijn vel, bijvoorbeeld als zijn neefje van vier zijn verjaardagscadeau naast zich neerlegt en direct weer in de iPad verzonken raakt.

Ranglijst

Het ongemak dat bij hoffelijkheid kijken komt, laat hij niet onderbelicht. We mogen graag denken dat onze beleefdheid gestoeld is op een genuanceerd en ruimdenkend wereldbeeld, op onzelfzuchtigheid bovendien. Maar is beleefdheid zo onzelfzuchtig? Meijer verhaalt over een ranglijst die hij eens opstelde “op basis van criteria die onbedoeld in mijn voordeel hebben gewerkt”. Wat bleek nu: hij kwam bovenaan terecht. “Maar, onzelfzuchtig als ik ben, verzet ik mezelf naar de tweede plek. En dat was het bewijs dat ik de eerste positie toch verdiende. Ik stond weer bovenaan.”

Voortreffelijkheid

En dan is er nog Gustaaf, de buurman van Meijer. Een voortreffelijker persoon ontmoeten dan hij? Dat lijkt nauwelijks voorstelbaar. Gustaaf kookt eten voor eenzame lieden, haalt koffie voor al zijn collega’s. In zijn huis verwelkomt hij vijf illegalen. Als Meijer hem eens probeert op te zoeken, blijkt Gustaaf elders te wonen. De daklozenopvang is zijn nieuwe thuis, zijn huis liet hij achter voor de illegalen. Als Gustaaf tijdens een wandeling met Meijer een lapjeskat van een aanrijding met een tram redt, verliest hij beide benen. Er zit een keerzijde aan hoffelijkheid. “Want hoe kun je bevriend zijn met iemand die zichzelf uitwist? Die geen grenzen stelt om zichzelf in bescherming te nemen?”

Deksel op je neus

Emeritus hoogleraar Paul van Tongeren neemt het stokje van Meijer over voor een beschouwing over hoffelijkheid, “al kun je van een theaterstuk geen stelling maken, dan doe je onrecht aan wat een acteur kan.” Wat Van Tongeren opvalt: wie hoffelijk is zoals Sjoerd en Meijer, krijgt voortdurend de deksel op zijn neus. Is de moraal dan dat je maar beter niet al te hoffelijk kan zijn, vraagt hij zich af.

Bert en Ernie

Eén van de problemen met hoffelijkheid is dat je nog zo aardig en beleefd kunt doen, anderen kunnen het toch verkeerd opvatten. “Dat is een heel speciaal soort misverstand dat samenhangt met de bekende paradox van beleefdheid: twee mensen die proberen voor elkaar de deur open te houden, zullen nooit de kamer binnenkomen.” Van Tongeren haalt ook een sketch van Bert en Ernie aan. “Ernie is bezig een koek te verdelen en geeft Bert het kleinste stuk. Bert wijst Ernie erop dat dat niet netjes is, waarop Ernie vraagt welk stuk hij had genomen als hij de koek zou snijden? ‘Het kleinste’, antwoordt Bert. ‘Nou, dat stukje heb je nu’, antwoordt Ernie snedig.

Bescheidenheid

In de ogen van Van Tongeren ging het stuk niet zozeer over hoffelijkheid, alswel over hoffelijk willen zijn. Op den duur plaatst Meijer zichzelf wat lager in zijn rangschikking, wat weer het bewijs voor zijn verdiende positie op de eerste plek is. “Dat zit vast aan een laatmoderne ontwikkeling waarin de moraal christelijk, kleinburgerlijk en geperverteerd raakt tot een cultuur van nederigheid en zelfopoffering. Bescheidenheid geldt als grootste deugd. Die wordt vals omdat ze haast niets anders kan dan trots te worden op zichzelf over hoe bescheiden men wel niet is. Dat is de zelfopoffering die steeds meer gaat genieten van het eigen altruïsme.”

Anything goes

Hoffelijkheid heeft twee kanten, weet Van Tongeren. “Ze beschermt ons tegen slordigheid en onnadenkendheid, terwijl ze ons bedreigt met conformisme, onechtheid en maskerade.” Hoffelijkheid vraagt om een deugdzame vorm: die van het relativisme. Van Tongeren: “Daarmee bedoel ik niet het relativisme van de onverschilligheid of anything goes. Het gaat om het besef van relativiteit van de vorm, die tegelijkertijd zo belangrijk is.”

Bestek

Toen Van Tongeren recentelijk in het buitenland bleef, zag hij dit principe nog eens bevestigd. Bij mensen thuis en in restaurants werd het bestek van klein naar groot gedekt. Niet zoals wij het gewend zijn: het bestek dat het eerst gebruikt wordt, hoort aan de buitenkant. “Het maakt op zich niet uit of je dekt van klein naar groot, of van eerder naar later gebruik. Maar tegelijkertijd maakt het veel uit, want als je het verkeerd doet, weet je niet hoe het hoort.”

Door: Karlijn Ligtenberg