Zoek in de site...

Verslag van di 10|05|16 Jeroen Bosch: de duivelschilder | Lezingen

Jeroen Bosch: de duivelschilder
Lezingen door kunsthistoricus Jos Koldeweij en theoloog Daniela Müller
Dinsdag 10 mei 2016 | 19.30 - 23.10 uur | LUX, Nijmegen

Jos Koldeweij is hoogleraar Kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit, kenner van het werk van Jeroen Bosch en initiatiefnemer van het Bosch Research and Conservation Project. Koldeweij is hoofdverantwoordelijk voor het onderzoeksproject en samen met Matthijs Ilsink conservator van de expositie Jheronimus Bosch - Visioenen van een genie in het Noordbrabants Museum. Daniela Müller is hoogleraar Kerkgeschiedenis aan de Radboud Universiteit. Haar interesse gaat vooral uit naar ketters: groepen en individuen die in leer en zienswijze afweken van de officiële kerkelijke leer en daardoor in conflict kwamen.
Cees Leijenhorst leidt het gesprek. Hij is universitair hoofddocent Geschiedenis van de Moderne Wijsbegeerte en verbonden aan het Center for the History of Philosophy and Science van de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen.

Jeroen Bosch creëerde een geheel eigen beeldtaal, die volgens velen geniaal genoemd wordt. Centraal in zijn werk staan de grillige levensweg van de mens, de tegenstelling tussen goed en kwaad en de keuze die de mens hierin steeds opnieuw moet maken. Jos Koldeweij vertelt in zijn lezing hoe Bosch in zijn tijd te plaatsen is. Namelijk door heel precies te bekijken wat kenmerkend is voor de schilder in relatie tot de schilderkunst van zijn tijd.

Wereldreis

Het Bosch Research and Conservation Project werd al in 2006 bedacht, maar ging in 2010 echt van start. Jos Koldeweij reisde samen met een groep wetenschappers, in eerste instantie vier maar dit werden er negen, de wereld rond langs alle musea waar werken van Jeroen Bosch hangen. Ruim veertig schilderijen zijn aan nauwkeurig onderzoek onderworpen om te bepalen welke werken daadwerkelijk van Bosch zijn en welke van zijn werkplaats of navolgers. Uitgangspunt van het project: alles op precies dezelfde manier documenteren, zodat de verschillen tussen de schilderijen zichtbaar worden en niet de verschillen in documentatie. Uiteindelijk zijn vierentwintig schilderijen aan Bosch zelf toegeschreven, waarvan er negentien in ’s-Hertogenbosch te zien waren. Hetzelfde aantal tekeningen is uitgeleend aan het Noordbrabants Museum. Hiermee is het de grootste overzichtstentoonstelling van de middeleeuwse kunstenaar ooit.

Traditionele vernieuwer

Wie was Jeroen Bosch? Zeker is dat hij begin augustus 1516 op ongeveer 65-jarige leeftijd stierf in ’s-Hertogenbosch, de stad waar hij als Jheronimus van Aken geboren werd. Hij ontleende zijn artiestennaam aan deze stad waar hij zijn meesterwerken schilderde. Jeroen Bosch deed iets bijzonders, waardoor zijn werk de tand des tijds overleefde: hij brak in de loop van zijn carrière met de traditie.

Hoewel hij niet van adel was, werd hij toch als handwerksman opgenomen onder de stedelijke elite van Den Bosch, wat een enorme stap op de sociale ladder was. Daarom moet hij wel gewerkt hebben volgens een traditie die herkenbaar was voor zijn medeburgers, zijn publiek. Bij elk schilderij hoorde bovendien een opdrachtgever: er werd in een kostbaar paneel geïnvesteerd.

Bosch was dus allesbehalve vrij in zijn werk, maar toch heeft hij een zeer persoonlijk stempel gedrukt op wat hij creëerde. Er is een lijn te ontdekken in zijn oeuvre. Het lijkt wel of hij steeds hetzelfde verhaal vertelt en zegt: kijk naar deze schilderijen en denk na over je eigen leven. Een terugkerend thema is de levenspelgrimage. De mens trekt door het leven als een pelgrim. Zijn tocht is een lange reis vol verleidingen en gevaar, veroorzaakt door de duivel. De mens moet er doorheen en elke keer opnieuw kiezen tussen goed en kwaad. Aan het einde der tijden wordt hij hierop afgerekend.

Het schilderij ‘Dood van de vrek’ is onderzocht met slimme camera’s met hoge resolutie, infrarood, röntgen en speciaal hiervoor ontwikkelde software. Het laat zien wat er onder de bovenste laag van het schilderij zit. Er zijn grote verschillen tussen de lagen te ontdekken, zoals bij meer van zijn schilderijen zal blijken. Dit toont aan dat Bosch overleg moet hebben gehad met zijn opdrachtgevers, waarna hij de inhoud van de voorstelling veranderde. Bij dit schilderij krijgt de man op zijn sterfbed de keuze: kiest hij tussen de engel (hemel) of de duivel met de geldzak (hel)? In een eerdere versie van het schilderij heeft de stervende man een bokaal in zijn hand om de dood mee om te kopen. Maar de dood is niet degene die kiest, het is de mens zelf.

Zo zijn er in meer schilderijen van Bosch veranderingen van inhoud te ontdekken. Dit laat Koldewij aan de hand van foto’s zien. De verhalen die Bosch vertelt aan de hand van zijn schilderijen draaien meestal om de schepping en het laatste oordeel, met de mens als pelgrim. Aan het einde der tijden is de wereld in chaos. De mens wordt afgerekend op zijn keuzes. Het thema van goed en kwaad hoort bij de mensheid of de schepping. Het is door God gegeven en niet alleen door Adam en Eva de wereld ingeholpen. Maar het is wel aan de individuele mens om het goede pad te kiezen.

Filosofische vragen

Cees Leijenhorst vraagt Jos Koldeweij waaraan nu precies te zien is dat Bosch aansluit bij tradities, maar toch vernieuwing toont. Koldeweij beantwoordt deze vraag aan de hand van het schilderij ‘Tuin der Lusten’. Heel herkenbaar is hier het laatste oordeel, maar Bosch zet het naar zijn hand. Tijdgenoten schilderen heel precies een soort gladde spiegels. Bosch wijkt hiervan af door snel en nat in nat te schilderen, wat erg ongebruikelijk is voor zijn tijd. Hierdoor dwingt hij zijn kijkers om na te denken. Ook verandert hij de iconografie. In eerste instantie schildert hij zoals de traditie, daarna voegt hij zijn ‘Boschiaanse’ elementen toe. Zijn werk moet shockerend geweest zijn in zijn tijd: hij heeft een andere aanpak en techniek dan zijn tijdgenoten.

Dit alles maakt hem tot een vernieuwende renaissance schilder. Dit creëert een ‘vliegwieleffect’, aldus Koldeweij: de schilder wordt bewonderd en dus kan hij meer afwijken van de traditie. Hij tekent uilen zo precies dat de ondersoort, bijvoorbeeld een steenuil of bosuil, te herkennen is. Met hetzelfde gemak tekent hij fantasiewezens. Hij moet een enorm visueel geheugen hebben gehad. De fantasierijke beelden zullen op de gemiddelde 15e-eeuwer een grote indruk hebben gemaakt.

Kerkhistorica Daniela Müller wordt gevraagd of Bosch nu als vrome gelovige of als ketter gezien moet worden. Volgens Müller bestaat hierover ambiguïteit. Dit is niet vreemd, omdat het christendom zelf ambigu is en zich dubbelzinnig uitlaat over wat goed is en wat kwaad. Wetenschapper Linda Harris stelt dat Bosch kathaar is geweest. De ascetische beweging van de katharen wordt voor het eerst beschreven in de regio rond Aken en kende tijdens de 12e en 13e eeuw een grote aanhang in Zuid-Frankrijk. De laatste Kathaar werd in 1321 op de brandstapel gezet in Leuven. Müller vindt het moeilijk voor te stellen dat de beweging ruim honderdvijftig jaar in het geheim heeft bestaan tot in de tijd van Bosch. Toch zijn er motieven dat hij misschien kathaar is geweest. Dit heeft vooral te maken met het concept van de illusie: je moet achter de dingen kijken om de ware boodschap te ontdekken. Dit wordt natuurlijk snel in verband gebracht met de illusionaire wezens die Bosch schilderde.

Koldeweij zou ook Bosch niet in een ketterse sfeer willen trekken. Belangrijk in deze discussie is hoe we tegen het christendom en ketterij aankijken. De Heksenhamer krijgt zijn echte effect pas ruim na de dood van Bosch. Begin 16e eeuw was er nog geen sprake van controverses en spanningen. Ook de Jodenvervolgingen waren al lang voorbij. Er heerste dus geen sociale onrust. Pas na de dood van Bosch gaat de kerk hard optreden en heksen vervolgen. In zijn tijd was de boodschap: lees de bijbel in je eigen taal en betrek het op je eigen leven. De eigen keuze en verantwoordelijkheid wordt benadrukt. Dit is geen ketterij, maar een bepaalde stroming binnen de kerk.

De avond over Jeroen Bosch wordt besloten met een vertoning van de documentaire Jheronimus Bosch – Touched by the Devil. Jos Koldeweij leidt de film in door te vertellen hoe hij het maken van deze documentaire ervaren heeft. Het kunsthistorisch researchteam werd vanaf het eerste moment gevolgd door de camera en continu beluisterd via microfoontjes. Werkelijk alles werd vastgelegd, dus er is in groot wederzijds vertrouwen gewerkt. Documentairemaker Pieter van Huijstee wilde niet dat de onderzoekers poseerden of presenteerden, maar gewoon aan het werk waren. De film gaat dan ook niet over de onderzoekstechniek, de inhoud van de schilderijen of over Jeroen Bosch zelf, maar over een team dat een tocht maakt langs een aantal locaties om schilderijen te onderzoeken en een tentoonstelling op te zetten. Koldeweij vindt dat van Huijstee wel erg veel contrasten heeft opgevoerd. Het lijkt bijvoorbeeld alsof het team alleen maar ellende heeft gehad met het Prado, terwijl er in werkelijkheid een fantastische samenwerking was.

Door: Marijn Rutten