Zoek in de site...

Lezing door Guido Abuys

Gedoopte Joden in kamp Westerbork

Het is juli 1942. De Duitse bezetter neemt het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork over. In Amsterdam worden oproepen voor arbeidskampen in Duitsland verspreid en razzia’s gehouden. Willekeurig worden Joden in de gevangenis gezet.

De eerste groep Joden vertrekt vanuit Amsterdam naar kamp Westerbork. Na een korte registratie worden de bijna negenhonderd mannen en vrouwen voorzien van een lunchpakket. Vervolgens komt het verzoek weer terug te gaan naar de trein, vijf kilometer verderop. De eindbestemming is Auschwitz. De groep wordt aangevuld met joodse vluchtelingen uit het kamp. Onder hen vijftig weeskinderen.

Westerbork is een doorgangskamp geworden. Het kamp wordt omgeven door prikkeldraad en wachttorens. SS en marechaussee zorgen voor de binnen en buiten bewaking en de begeleiding naar de trein.

In Amsterdam blijven de oproepen en de razzia's volgen. Zij die de mogelijkheid hebben, proberen via een vrijstelling of onderduik aan deportatie naar Westerbork te ontkomen.

De kerken protesteren tegen deze vorm van Jodenvervolging door het sturen van een telegram aan de Rijkscommissaris met het verzoek af te zien van de deportaties. Het voorlezen van dit protest vanaf de kansel, loopt voor de katholiek gedoopte Joden niet goed af. Zij worden begin augustus opgepakt en via kamp Westerbork na een verblijf van enkele dagen naar Auschwitz doorgestuurd.

Met de Nederlands Hervormde en Protestantse kerken, die zich terughoudender hadden opgesteld, sluit de bezetter een deal.

In de praktijk betekent dit voorlopig uitstel van transport naar kamp Westerbork. Of als gedoopte Joden om wat voor reden toch in Westerbork zijn terechtgekomen, voorlopig vrijstelling van transport naar het Oosten. De deal is een optie waar ook personen gebruik van maken, die tot voor kort nog nooit in een kerk zijn geweest.

In kamp Westerbork was reeds voor 15 juli 1942 een groep Luthers gedoopte Joden aanwezig. Een van hen, ziekenhuisbroeder Gottschalk, slaagde erin zich in verbinding te stellen met de algemene Synode en van haar toestemming te krijgen tot geven van godsdienstoefeningen in het kamp.

Dit alles uiteraard met toestemming van de Duitse kampleiding.

Ernest Frank, die in de zomer van 1942 in kamp Westerbork terecht komt, beschrijft in zijn dagboek één van de eerste diensten. 'We vinden in de eetzaal van barak 49 ongeveer dertig mensen bijeen, zittend op enkele banken, die voor deze gelegenheid speciaal zijn geregeld. Een hoek van het zaaltje is vrijgehouden voor het harmonium van zuster V.d. Hoff, het altaar en het katheder.

Het altaar is opgebouwd uit een tafel, overdekt met een wit laken. Op de tafel staan twee kaarsen in houten kandelaars, terwijl tussen die beide kaarsen een blank geverfd houten kruis staat opgesteld. Het katheder bestaat uit een tafeltje, waarop een omgekeerde kist, het geheel afgedekt met een laken. Het interieur van een geïmproviseerde kerk.

Wanneer broeder Gottschalk en de zuster verschijnen, verstommen de gesprekken. De zuster neemt plaats aan het orgel, Gottschalk legt zijn bijbels en teksten op het katheder. Hij plaatst zich voor het altaar met zijn gezicht naar het kruis en verzinkt enige ogenblikken in gebed. Dan worden ter inleiding enige gezangen aangeheven. De meeste komen uit het Duitse Kindergesangbuch, voor mij volkomen onbekende melodieën. Dan volgt het gebed, waarna de preek begint. Deze preek is niet zoozeer een verklaring van de tekst. Het is meer een werelds verhaal met als kern de bedoelde Bijbeltekst. Mij kan het wel bekoren, temeer omdat G. met veel gevoel spreekt en een verfijnde woordkeus heeft. Na het “amen” verheft de gemeente zich van haar zetels, het dankgebed wordt uitgesproken en met het zingen van een slotgezang is de dienst beëindigd. Men krijgt nu nog even gelegenheid, zich met Gottschalk en zuster V.d. Hoff te onderhouden en dan wordt de bijeenkomst gesloten.’

De verzorging van deze bijeenkomsten zal niet lang meer door dit duo worden uitgevoerd. Door de enorme uitbreiding van het kampziekenhuis en dus hun werkzaamheden, krijgen ze geen ruimte meer hiervoor.

De synode besluit als oplossing voor dit probleem, de op 13 oktober 1942 in het kamp terecht gekomen, hulpprediker Max Enker (1913) de bevoegdheid te verlenen de geestelijke verzorging van de kampgevangenen zoveel mogelijk te behartigen, de sacramenten te bedienen en huwelijken in te zegenen. (Foto 4 en foto 5)

Vanaf mei 1943 zal Enker zijn werkzaamheden delen met Srul Tabaksblatt (1902), die met een groep gedoopte Joden vanuit kamp Vught was doorgestuurd naar kamp Westerbork. (foto 6)

In de eerste instantie wordt deze groep in barak 57 en 58 ondergebracht. Uiteindelijk besluit de kamporganisatie alle gedoopte Joden, behalve zij die de status van ‘Alte Kampinsassen’ hebben, onder te brengen in barak 73. Deze barak wordt door de andere kampgevangenen ook wel spottend Schmaddenau genoemd. Een begrip dat is afgeleid van Schmadden, het Jidische woord voor dopen.

Door de concentratie van alle gedoopte Joden in een barak, wordt de barak zo vol dat de vrouwen met een paraplu op hun bed liggen om de druppels condens van het plafond op te kunnen vangen.

In deze barak worden ook de meeste diensten gehouden. De ene zondag door Enker, de andere door Tabaksblatt.

Over een van deze diensten schrijft Philip Mechaninicus, van beroep journalist, in zijn dagboek het volgende: ‘Geluisterd naar een preek van dominee Tabaksblatt, van huis uit een Rus, maar Nederlands geneutraliseerd. De dominee in blauw colbert en hagelwitte boord, had als kansel een leeg ledikant drie hoog. Rondom hem heen bagage: onder hem koffers en dozen, aan de muren, rugzakken, kledingstukken, schoenen. Het auditorium, mannen en vrouwen op banken in de smalle gangen tussen de bedden, door de gehele barak verspreid. De gezangen werden begeleid door harmoniummuziek. De dominee wierp de fakkel van de strijd in het kamp der Joden. Hij had tot tekst van zijn preek de toespraak van Jezus tot de Lao di cenzen gekozen: kies, heet of koud geen lauwheid, geen kleurloosheid, geen smaakloosheid. Zijn auditorium vermaande hij: Geen hinken op twee gedachten, komt er rond voor uit, bijvoorbeeld wanneer gij in de aardappelkeuken wordt gehoond, dat gij in barak 73 woont. Trotseer het, wanneer men smalend van u zegt: een slechte jood is weggegaan er is een slechte christen bijgekomen. Al deze gedoopte Joden ontvingen met dichte ogen en gebogen hoofden als overtuigde christenen de zegen van de Here via de mond van de dominee. De dominee predikte met bijna dezelfde zalving als een dominee van huis uit. Ik wreef m'n ogen uit, in een kamp van joodse slaven-in-spé deze grote groep gedoopten in gebed verenigd te vinden en de voorganger een uitdaging te horen richten tot de Joden, die hun oude geloof behouden hadden en de gedoopten als verraad, als een wonde in hun midden beschouwden. Zó fel als de verhouding tussen Joden en gedoopte Joden kan geen andere verhouding tussen geloofsgroepen zijn. Het is tragisch deze verdeeldheid in een periode van zware beproeving te aanschouwen, een verdeeldheid die wordt geaccentueerd omdat de gedoopten op één hoop zijn gedreven maar tegelijk begrijpelijk in een wereld, waarin een archaïsch geloof botst met een levend geloof, dat niet kan nalaten tot het geweten en de harten van Joden te spreken.’

Mechanicus vervolgt op 25 november 1943: ‘Onderhoud met dominee Max Enker, vroeger hulpprediker der Nederlands-Hervormde Gemeente, van huis uit Duitser. Orthodoxe opvatting omtrent Bijbel, maar aangename persoonlijkheid. Uiteenzetting van de positie der gedoopten. Dezen zijn in een barak samengebracht op verzoek van de Synode. Dominee Enker onderhoudt het contact tussen het kamp en de Synode, voor zover de commandant van het kamp dat toestaat. Een raad van ouderlingen en een Raad van Bijstand staan ter beschikking van de dominee. In deze beide Raden zijn de hoofdstromingen in de barak der gelovigen vertegenwoordigd.(…) Zo goed als van alle kerken zijn leden aanwezig. Onder hen bevindt zich een aantal mannen en vrouwen, die geen innerlijk verband met de kerk hebben, noch religieus zijn, maar die hun doopbewijs slechts gebruiken als formulier ter bescherming tegen deportatie. De dominees houden elke zondag preken, er vindt geregeld catechisatie plaats voor de jeugd, er worden geregeld Bijbellezingen gehouden. Elke kerkelijke gezindheid verricht haar eigen speciale godsdienstige ceremonieel.'

Alleen de eerste zondag van de maand komt een predikant van buiten het kamp. De synode wil graag op deze manier contact met de gelovigen onderhouden. Er vinden hiervoor besprekingen plaats in het bijzijn van kampcommandant Gemmeker.

Voor die eerste zondag van de maand wordt de registratiezaal, barak 9, als kerk gebruikt.

Mevrouw Enthoven-van Lier schrijft op 14 juni 1943: ‘Vorige week zondag hebben we in de registratiezaal een preek gehad van dominee Slotenmaker de Bruïne. Het was stampvol. Gek ineens een ariër te zien. Dat zijn we hier ontwend. ‘s Middags een dienst van onze voorganger. Gisteren, met Pinksteren, hadden we een dienst van onze dominee, in onze eigen barak. De dominee staande op een driehoog bed en wij zittend op de banken of de bedden. Er gaat wel veel van de sfeer verloren, maar we hebben het toch gelukkig.'

Het geloof biedt velen een houvast, hoop en afleiding van de dagelijkse realiteit, als gevangene in een doorgangskamp op de Drentse Heide.

'Als er een transport binnenkwam stond ik in de buurt, schrijft Tabaksblatt. Sommigen kenden mij al. Ik vroeg dan: “Kan ik iets voor u doen? Bent u gedoopt? Sommigen schrikken terug: “Ik gedoopt? “, maar anderen zeiden “ja”. Dan zei ik: Heeft u bewijzen? Ze lieten de bewijzen dan zien. Eens was er een gezin, vader, moeder en een volwassen zoon, die mij drie doopbewijzen gaven. Ik zag meteen, door degene die het had ondertekend dat ze niet echt waren. De man zei: Is er iets? Ik zei nee, u komt bij mij in barak 73. Ik heb ze toen naar de registratie gebracht en gezegd dat ze een geldig doopbewijs hadden. Vervolgens gingen de papieren naar de kampcommandant en werden ze ‘Zurückgestellt’.

In Westerbork ging het grapje; als ze de Minjan niet kunnen krijgen dan moeten ze naar barak 73 gaan.

Er was een vader en een zoon, die gingen elke Sabbat naar de kleine synagoge om daar te bidden. Bij ons in de barak stonden ze om zes uur op, trokken de gebedsriemen en gingen bidden. Mensen uit de barak vroegen dan: “Wat doen die hier”. Waarop ik zei. Wat zij hier doen, gaat niemand wat aan. Ze zijn hier en mogen hier zijn. Hier zijn de bewijzen.’

Mechanicus schrijft op 9 september 1943: ‘Telkens komen voor de transporten nieuwe lijsten tevoorschijn, die een tijd geprivilegieerd waren en opgeheven worden. De mannen en vrouwen houden elkaar op de kampwegen staande met de vraag: waar gaat u heen, Theresiënstadt, Midden-Duitsland of Auschwitz? Het gonst van de vragen, overal hoort men: Theresiënstadt, Theresiënstadt, Auschwitz, Auschwitz. Het hele denkleven concentreert zich hier nog altijd om het transport en nu zijn degenen, die tot nog toe daarover heen konden leven, gedoopten, optanten voor Palestina, de Alte Kampinsassen, aan de beurt voor de opwinding over het transport.'

Ruim twee weken later schrijft hij in zijn dagboek:'Vanmorgen is in barak 73, die van de gedoopten, bekendgemaakt dat de toenmalige toezegging van de synode dat de gedoopten niet naar het oosten zouden worden "abgeschoben", van kracht blijft. Het voornemen bestond, hen naar Midden-Duitsland over te brengen tezamen met andere Gesperrten. Dit zou blijkbaar in strijd zijn geweest met bovenstaande toezegging, die de Synode in de ruimste zin van het woord interpreteert.'

De gedoopte Joden blijven dus voorlopig beschermd. Vanwege de uitbraak van kinderverlamming en andere besmettelijke ziektes worden de transporten in de maanden oktober tot en met december 1943 opgeschort. Barak 73 bereidt zich voor op Sinterklaasfeest, dat dankzij door de synode toegestuurde pakketjes, een groot succes wordt. Na Sinterklaas volgen de voorbereidingen voor het kerstfeest. In de barak worden kerstkransen opgehangen en een koortje oefent kersliederen.

Maar dan. Op zaterdag 25 december schrijft Mechanicus: Mannen van de Ordedienst hebben gisteravond in barak 73, die der gedoopten, gecontroleerd, of de bewoners zich hielden aan het verbod het Kerstfeest te vieren. Geen takje groen, geen kaarsje was geoorloofd. De Obersturmführer heeft ook onderhands verboden dat de gedoopten hun gewone zondagsdienst houden. Men zoekt een reden voor de prikkelbaarheid van de commandant. De rancune wegens het verspreiden van onvriendelijke geruchten wat betreft het verloop van het Germaanse Joelfeest, is ongewoon scherp.

Het jaar 1944 begint weer met transporten. De status van de gedoopten blijft voorlopig onaangetast.

De gedoopten hebben in het kamp, waar iedereen verplicht is om te werken, de reputatie van de minst productieve groep kampgevangenen te zijn. Zelfs de kampcommandant ergert zich eraan. De extra pakketjes, die via de synode worden opgestuurd, leidt tot veel jaloezie bij de rest van de kambevolking, omdat zij er vaak van verstoken blijven. De samenstelling van de pakketjes voor de gedoopte Joden is zodanig, dat zelfs de kampcommandant denkt dat het alleen van de zwarte markt afkomstig kan zijn. Iemand schrijft op de muur van een latrine: ’Barak 73 wordt na de oorlog in brand gestoken met alles wat er in is. Omyn"

Op 22 april 1944 verhuist de groep van de gedoopte Joden naar barak 83, de voormalige ziekenbarak, die door gedeeltelijke opheffing van het ziekenhuis weer als woonbarak dienst gaat doen.

Het is begin september 1944. Het is de dagen ervoor voor alle kampgevangenen al duidelijk geworden, dat slechts een kleine groep zal achterblijven om het kamp te ontmantelen. Er zullen nog drie transporten naar het Oosten gaan. Op 4 september verlaten meer dan tweeduizend personen kamp Westerbork. Alleen de bevoorrechte groepen, waaronder de ongeveer vijfhonderd gedoopte Joden komen in aanmerking voor dit transport naar Theresienstadt. Van de groep gedoopte Joden zal het grootste gedeelte de oorlog overleven.