Zoek in de site...

De herinneringen van mr. Max van Olden

Overdag advocaat, in de avonduren succesvol thrillerschrijver. Dat klinkt al als het begin van een spannend boek. Voor alumnus Max van Olden is het geen fictie, maar werkelijkheid. In 2015 kwam zijn debuutroman Lieve Edelachtbare uit, waarmee hij de Schaduwprijs voor het beste Nederlandstalige thrillerdebuut won. Sindsdien volgden er nog twee boektitels en een verhuizing naar Nijmegen: na achttien jaar advocatuur in Amsterdam keerde Van Olden in 2019 terug in de stad van zijn alma mater. We spreken hem in zijn sfeervolle werkruimte – een tuinhuis met een knisperend haardvuurtje – over een uitstapje in de reclamewereld, offers in het sociale leven en het baseren van personages op zijn werkomgeving.

Tekst: Dennis Arns. Foto’s: Niek Tönissen.

Max van Olden groeide op in Zevenaar. Al op jonge leeftijd kwam zijn creativiteit tot uiting: “Ik heb altijd geschreven. Als kind maakte ik stripverhalen. In mijn studententijd schreef ik voor roeivereniging Phocas wat columnachtige dingen en zat ik in de redactie bij Actioma. Ik was sowieso altijd creatief bezig als student: een cursus fotografie, ik was deejay bij café ‘De Kantine’ op de Berg en Dalseweg en ik heb in een bandje gespeeld.” Een studie Nederlands of een literatuurstudie lijkt dan een voor de hand liggende keuze, maar het werd geneeskunde in Antwerpen. “Heel eerlijk gezegd wist ik niet precies wat het moest worden. Ik woonde op mijn achttiende ineens én op kamers én in het buitenland. Antwerpen ligt net over de grens, maar het is echt een andere cultuur. Dat was leuk, maar de studie was geen succes.”

Terug in Nederland besloot Van Olden rechten te studeren. “Lekker algemeen, dacht ik. Daar kun je alle kanten mee op.” Nijmegen was in vergelijking met de grote stad Antwerpen eigenlijk wat gewoontjes voor Van Olden, maar hij voelde zich er meteen thuis. “Ik liep hier op het sportcentrum over zo’n introductiemarkt en daar zag ik wat je allemaal kon doen. Er ging een wereld voor me open, ik dacht: ‘dit is mijn nieuwe leven’. Ik ben meteen lid geworden bij Phocas om snel mensen te leren kennen. Daar heb ik mijn hele studententijd bijgezeten.”

"Ik heb mijn computer midden in de kamer gezet, zodat ik letterlijk niet om mijn scriptie heen kon. Zo heb ik deze binnen een half jaar afgemaakt. Eigenlijk mijn eerste boek.”

- Max van Olden over het schrijven van zijn scriptie, wat hij in tegenstelling tot vele anderen best leuk vond.

Een leven buiten de collegezaal

Een groot deel van Van Oldens studententijd speelde zich af buiten de collegezaal. Vooral in het tweede jaar sloeg hij de hoorcolleges soms over. “Die onderwijsvorm paste niet bij mij: ik vond het slaapverwekkend, onpersoonlijk. Het mocht van mij allemaal wel wat levendiger. Romeins recht heb ik volgens mij twee keer opnieuw gedaan. Rechtsfilosofie ook, al heb ik goede herinneringen aan de avondcolleges. Het sfeertje, ’s avonds laat in dat oude Spinozagebouw, dat had wel iets. En ik heb goede ervaringen met de colleges van André Nuytinck. Familierecht was niet per se mijn vak, maar hij kon ontzettend scherp vertellen.”

Van Olden had destijds niet meteen de intentie om advocaat te worden. “Dat kwam pas ná mijn stage bij De Mul Zegger. Ik werd daar wegwijs gemaakt door Herman Schenke en geënthousiasmeerd voor het vak. Misschien doet de universiteit er dan ook goed aan de stage te verplichten: zo leer je hoe leuk het vak is.” Hoewel de scriptie voor velen een struikelblok was, haalde Van Olden er veel voldoening uit. “Ik studeerde af bij Antoon Quaedvlieg, mijn scriptie ging over artikel 7 van de Auteurswet, het zogenaamde werkgeversauteursrecht. Toen ben ik naar architecten-, uitgevers- en journalistenbonden gegaan om mensen daarover te interviewen. Ik heb bovendien mijn computer midden in de kamer gezet, zodat ik letterlijk niet om mijn scriptie heen kon. Zo heb ik deze binnen een half jaar afgemaakt. Eigenlijk mijn eerste boek.”

Uitstapje in de reclamewereld

Na een blauwe maandag in de Bossche advocatuur (“een kantoor waar ik niet helemaal mijn draai kon vinden”) verhuisde Van Olden in het jaar 2000 naar Amsterdam. Het creatieve bloed kroop waar het niet gaan kon: “Eigenlijk wilde ik gewoon schrijven. Ik werd als accountmanager aangenomen bij een reclamebureau; ik kwam een beetje als een paard van Troje binnen. Gelukkig hadden zij snel door dat ik verder wilde als copywriter.” Na drie jaar brak de crisis uit en lag de reclamewereld overhoop. “Ik ben kort werkloos geweest, maar daarna ben ik toch weer gaan solliciteren in de advocatuur. Ik vond het vak van copywriter fantastisch, maar het reclamewereldje was me iets te commercieel. Veel ego’s en een hoop oppervlakkig bla bla. In de advocatuur kom je daar niet mee weg: een rechter prikt daar zo doorheen. Die intellectuele uitdaging miste ik.”

"Ik kwam op een zitting en zag de griffier, dat was een bekende. Dat was een beetje ongemakkelijk, want je denkt: ‘kan dit eigenlijk wel?’ Je gaat elkaars blikken ontwijken. Toen kwam ik met het idee: wat nou als een advocaat een verhouding krijgt met een rechter en die tegenkomt in de rechtbank?"

- Max van Olden beschrijft hoe hij op het idee kwam zijn eerste boek te schrijven.

Het heilige vuur

Ondanks dat Van Olden altijd al met schrijven bezig was, bracht hij pas in 2015 zijn eerste boek uit. “Ooit had ik wel een manuscript geschreven en ingestuurd, op de klassieke manier: in een enveloppe naar de uitgeverij. Dan kom je onderop de stapel te liggen. Misschien was het script niet goed genoeg. Ik was in die tijd helemaal weg van Arnon Grunberg. Wellicht probeerde ik hem een beetje te kopiëren; dat is natuurlijk nooit een goed uitgangspunt.” In 2014 laaide het heilige vuur weer op. “Ik kreeg een goed idee voor Lieve edelachtbare. Ik kwam op een zitting en zag de griffier, dat was een bekende. Dat was een beetje ongemakkelijk, want je denkt: ‘kan dit eigenlijk wel?’ Je gaat elkaars blikken ontwijken. Toen kwam ik met het idee: wat nou als een advocaat een verhouding krijgt met een rechter en die tegenkomt in de rechtbank? Dat is een goed idee voor een thriller.”

In 2015 kwam het boek uit, waarmee Van Olden de prijs voor beste thrillerdebuut won. Een goede katalysator om te blijven schrijven: anderhalf jaar later kwam het tweede boek uit, het derde boek verscheen vorig jaar, in 2020. “Het schrijven van een boek is aanpoten. Zeker bij mijn eerste boek was dat het geval. Ik kreeg hulp van een soort schrijfcoach en van redacteuren van uitgeverij Ambon Anthos. Ik maakte zo’n beetje alle beginnersfouten die er waren, dus er was veel heen-en-weer-gepingpong. Buiten kantooruren.” Van Olden moet zijn auteurschap immers delen met een baan in de advocatuur, bij Wildenberg Advocaten. “Ik kan niet enkel leven van mijn boekopbrengsten, maar ik zou eerlijk gezegd ook niet alleen maar schrijver willen zijn. Dat lijkt me te eenzaam.” Het schrijven betekende dat Van Olden veel momenten met dierbaren moest laten schieten. “Alle vrije dagen – Pasen, Hemelvaart, Pinksteren – zat ik op een zolderkamertje te schrijven. Soms dacht ik wel eens ‘Jezus, wat doe ik mezelf aan’. Maar die drive was heel sterk, ik wilde dit per se doen.” Van Olden heeft nu bewust pauze genomen. “Ik denk nu wel na over nieuwe plots, maar ik wil eerst de sociale schade inhalen. Dat lijkt me wel even gezond.”

"Natuurlijk steel ik karaktereigenschappen van mensen die ik ken; óók van collega’s. Maar tot nu toe is er nog niemand naar me toegekomen die zei ‘wat maak je me nou, heb je mij dat boek ingeschreven’.”

- Max van Olden over zijn dagelijkse inspiratiebron.

De rechtspraktijk als inspiratiebron

De juridische setting van zijn boeken zorgt ervoor dat Van Olden dagelijks uit voldoende inspiratie kan putten. Maar wordt daar niet vreemd op gereageerd door zijn omgeving? “Fictie is altijd gebaseerd op bouwstenen uit de werkelijkheid. Natuurlijk steel ik karaktereigenschappen van mensen die ik ken; óók van collega’s. Toen ik nog bij Tanger Advocaten in Velsen-Zuid werkte, was het de running gag dat er een ‘Tanger-trilogie’ op komst was. Maar tot nu toe is er nog niemand naar me toegekomen die zei ‘wat maak je me nou, heb je mij dat boek ingeschreven’.” Van Olden begint te lachen: “Aan de andere kant: als iemand me dat vraagt, ontken ik dat natuurlijk glashard.”

Ondanks zijn dagelijkse inspiratie zijn de hoofdpersonen geen advocaten in het intellectueel eigendomsrecht, zoals Van Olden zelf. “Mijn verhalen zijn inderdaad niet autobiografisch, maar er zijn wel momenten die ik aan mijn eigen ervaringen heb ontleend. Ik ben ook ooit stagiaire geweest, net als de hoofdpersoon in mijn laatste boek. En aspecten als werkdruk, dossiers waar je niet uitkomt en moeilijke cliënten komen terug. In algemene zin is het autobiografisch, maar niet specifiek. Dat wil ik ook niet. Ik heb mijn vak als advocaat nog. Tegenpartijen kunnen mijn boeken lezen, dus ik wil me niet té bloot geven met autobiografisch werk. Als ik een roman zou schrijven, met mijn meest intieme privégedachtes, zou ik dat nogal onprettig vinden. Bovendien zijn mijn boeken thrillers, geen romans. Het gaat om het plot; het is een wereld op zichzelf. Dan wens ik mijn wederpartijen veel succes om daar hun voordeel mee te doen.”

"Ergens vind ik het wel jammer dat die Thomas van Aquinostraat weg is. Natuurlijk, mooi waren die gebouwen niet, maar ik vond het een grappig straatje en ik heb er mooie herinneringen aan."

- Max van Olden deelt zijn herinneringen aan de oude faculteitsgebouwen.

Thuis in Nijmegen

In februari 2019, tijdens het schrijven van zijn laatste boek, keerde Van Olden terug in Nijmegen. “Ik heb achttien jaar met veel plezier in Amsterdam gewoond, maar op een gegeven moment geloofde ik het allemaal wel. De stad heeft natuurlijk reuring en dynamiek, maar er zit ook een andere kant aan: drukte, overlast, je auto niet kunnen parkeren. Twee jaar geleden gingen we nadenken. ‘Willen we hier oud worden?’ Ik kom uit Zevenaar, mijn partner uit Aalten en we hebben hier allebei gestudeerd. Toen hebben we besloten om terug te gaan naar het oude nest. Voor mij voelt Nijmegen als thuis, meer nog dan Zevenaar.”

Het contrast met Amsterdam kon bijna niet groter. “Nu woon ik aan de rand van het bos. Echt een heerlijke plek, zeker ook vanwege deze werkruimte.” Van Olden gooit nog een houtblok in het kacheltje en pookt wat in het knetterende vuurtje. “In het begin moesten we wennen aan de stilte: je hoort hier alleen de haan van de buren.” Bovendien woont Van Olden op steenworp afstand van zijn alma mater. “Toch mooi om na twintig jaar weer terug te zijn op de plek waar het allemaal begon en elke dag tegen die Erasmustoren aan te kijken. Voor de coronacrisis ging ik nog wel eens in de bieb studeren en in de Refter eten. Ergens vind ik het wel jammer dat die Thomas van Aquinostraat weg is. Natuurlijk, mooi waren die gebouwen niet, maar ik vond het een grappig straatje en ik heb er mooie herinneringen aan. Die rare gangetjes; het was wel knus en je kon bij iedereen binnenlopen. Nu zijn het allemaal mooie flitsende gebouwen. Ik hoop in ieder geval dat ze van de bibliotheek en het collegezalencomplex afblijven.”

Wordt het dan tijd om een boek te schrijven dat gesitueerd is in Nijmegen? “Oh dat zou best kunnen, waarom niet. Het is inmiddels een tijdje geleden dat Het zwarte dossier uitkwam, dus dan hoop ik in 2021 wel weer een goed idee te hebben. Of ik weer een advocaat als hoofdpersoon gebruik? Dat denk ik wel. Het scheelt ontzettend veel tijd wanneer je het over je eigen vak hebt. Als ik schrijf over een arts of een garagehouder moet ik me inlezen. Bovendien is de juridische wereld een mooi decor.” Van Olden sluit af met een grijns: “Er zijn altijd intriges en geheimen.”