Zoek in de site...

E.J.J. van der Heijden

Egidius Johannes Josephus (Egidius) van der Heijden werd geboren in Gouda op 12 augustus 1885. Op 23 juli 1913 trouwde hij met Trijntje van der Spek. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Hij heeft rechten gestudeerd in Utrecht, waar hij in 1908 cum laude is gepromoveerd bij de in Nijmegen geboren W.L.P.A. Molengraaff (1858-1931) op een historisch-juridisch proefschrift, getiteld De ontwikkeling van de Naamlooze Vennootschap in Nederland vóór de codificatie. Na zijn promotie vestigde Van der Heijden zich als advocaat te Rotterdam. Hij bouwde een degelijke reputatie op, zowel in juridische als in katholieke kring. Als gevolg hiervan werd hij op 17 oktober 1923 benoemd tot hoogleraar in het handelsrecht, het burgerlijk recht en het oudvaderlands recht aan de in hetzelfde jaar gestichte Katholieke Universiteit Nijmegen.

Van der Heijden

Gedurende meer dan vijftien jaar zou hij dominant aanwezig zijn in faculteit en universiteit. Een vernieuwing die hij invoerde en tot op de dag van vandaag gehandhaafd is, is de Rota Carolina (oefenrechtbank). Hij schreef vele gezaghebbende publicaties, waarvan vooral zijn Handboek voor de Naamlooze Vennootschap naar Nederlandsch Recht (eerste druk 1929) en zijn Aanteekeningen bij de geschiedenis van het oude vaderlandsche recht (eerste stuk (1933), tweede stuk (1938)) vermelding verdienen. Hij was redacteur van het mede door hem opgerichte tijdschrift De Naamlooze Vennootschap (vanaf 1922) en het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis (vanaf 1929). Hij heeft zitting gehad in een drietal staatscommissies (tot herziening van de feilen en aanvulling van de leemten in het Burgerlijk Wetboek, tot ontwerp van een wettelijke regeling van de huurkoop en tot voorbereiding van een partiële grondwetsherziening). In Nijmegen was hij in de lokale katholieke politiek actief.

Het juridische terrein, waarop Van der Heijden excelleerde, is het ondernemingsrecht geweest. Kenmerkend voor zijn juridische werk was het leggen van verbanden tussen theorie en praktijk. Enerzijds streefde hij naar de bevruchting van de wetenschap vanuit het praktische leven. De waarde van een theoretische constructie bleek uit haar toepassing. Anderzijds legde hij zich erop toe de beoefening van de praktijk op een hoger peil te brengen door haar op wetenschappelijke voet te schoeien. Belangrijke ondersteunende disciplines in Van der Heijdens rechtsbeoefening waren de rechtsvergelijking en de rechtsgeschiedenis. Zonder deze disciplines was de rechtsgeleerdheid slechts technische gymnastiek, vond hij.

Van der Heijden was een zeer markante persoonlijkheid, een jurist met een scherp analytisch vermogen en een strijdvaardige geest. Hij werd bewonderd om zijn gezag, gewaardeerd door zijn studenten, maar ook gevreesd en soms gemeden om zijn felle kritiek, spot en sarcasme. Als rooms-katholiek zag hij zijn werk als jurist en docent aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen nadrukkelijk in het licht van die levensovertuiging.

Van der Heijden wilde meer zijn dan een technisch jurist: uiteindelijk draaide het zijns inziens in het leven en dus in het recht om fatsoen of onfatsoen. Zijn geloof reikte de maatstaf aan voor het trekken van de grens tussen deze twee. Hij zag het als zijn roeping het recht te verankeren in de moraal, in het bijzonder de katholieke moraal. Eén van Van der Heijdens bekendste studies was zijn rectorale rede Natuurlijke normen in het positieve recht (1933). Hij besprak daarin de betekenis van begrippen als goede zeden, redelijkheid, billijkheid en goede trouw. Hij zag in zijn tijd een gestadig toenemende invloed van deze, door hem als natuurlijk aangeduide, normen in het positieve recht.

Een slopende ziekte dwong Van der Heijden steeds meer functies neer te leggen en zijn leeropdracht te beperken. In 1938 moest hij het oudvaderlands recht overdragen, in 1940 het burgerlijke recht. Een pelgrimage naar het Heilig Land bracht enige verlichting voor het zieke lichaam. Op 24 mei 1941 overleed hij.

Bronnen:

J. Brabers, De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1982, diss. Nijmegen, Nijmegen 1994, p. 15-22; Verspreide geschriften van E.J.J. van der Heijden, Verzameld door C.J.H. Jansen en G. van Solinge, Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut Deel 67, Deventer 2001, met vanaf p. XIII een biografie. Het archief van Van der Heijden is aanwezig in het Katholiek Documentatiecentrum (Universiteitsbibliotheek Nijmegen); www.inghist.nl.