Zoek in de site...

F.J.F.M. Duynstee

Frans Jozef Ferdinand Marie (Frans) Duynstee werd geboren in Maastricht op 11 februari 1914. Hij behaalde zijn gymnasiumdiploma aan het St. Aloysiuscollege in Den Haag. In 1936 behaalde hij de meestertitel aan de rechtenfaculteit te Nijmegen. Hij promoveerde in 1940 cum laude op een handelsrechtelijk onderwerp: Commanditaire vraagstukken.

Op 13 september 1937 trouwde hij met Marie Anne van Heijst. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. Duynstee is gestorven op 15 april 1981.

Vanaf 1945 was Duynstee hoogleraar staatsrecht aan de Nijmeegse faculteit. In 1948 werd deze functie uitgebreid met de leeropdracht algemene staatsleer en tussen 1960 en 1970 met de leeropdracht volkenrecht.

Duynstee

Duynstee promoveerde op een handelsrechtelijk onderwerp en ook enkele publicaties nadien wezen op een privaatrechtelijke belangstelling. Pas toen hij tijdens de oorlog op het departement van Justitie werkte, werd zijn belangstelling gewekt voor de straf- en staatsrechtelijke vraagstukken. Na de bevrijding zou zijn loopbaan hierdoor worden bepaald. Ook de rooms-katholieke leer speelde een belangrijke rol in zijn leven. Tijdens de oorlog publiceerde hij een pleidooi over de heroprichting van een katholieke politieke partij in een illegale brochure. Ook later verdedigde hij de morele waarden van de rooms-katholieke grondslag.

Duynstee was actief bij de Katholieke Volkspartij (KVP). Hier werd hij vaak ingedeeld bij de onverzoenlijke reactionairen. Maar geheel gerechtvaardigd was dit niet. Duynstee heeft zich met meerdere zaken bezig gehouden waaruit het tegendeel blijkt. Zo heeft hij zich direct na de bevrijding ingezet voor het enorme aantal geïnterneerde politieke delinquenten. Hij pleitte toen voor een massale vrijlating en buitenvervolgstelling van de meeste geïnterneerden. Hierbij gaf hij blijk van een humane instelling en een praktische geest. Ook ten aanzien van de Indonesische kwestie bij de grondwetwijziging in 1947 kan Duynstee niet als ‘conservatief’ getypeerd worden. Zo was hij in de staatscommissie tot wijziging van de grondwet in 1947 voorstander van het 'openbreken' naar een nieuwe rechtsorde van het Koninkrijk met het aangeven van de grenzen van die rechtsorde aan de hand van de inhoud van het Accoord van Linggadjati (1946) tussen Nederland en de Republiek Indonesië.

Ook in de binnenlandse partijpolitiek speelde Duynstee al meteen een eigen rol. Wat hij als staatsrechttheoreticus verwierp, verwierp hij ook als staatsburger: een staatsmacht die het menselijk welzijn van bovenaf te zeer regelde en daarmee de menselijke ontplooiing fnuikte. Daartegen diende de KVP stelling te nemen, vond Duynstee. Om de KVP een sterkere positie tegenover de PvdA te geven, wilde Duynstee dat er een samenwerking kwam tussen verschillende christelijke partijen. Naar aanleiding van twee artikelen die hij hier over schreef, dreigde er een vleugelstrijd te ontstaan binnen de KVP tussen de aanhangers van Duynstee en de aanhangers van de Katholieke Arbeidersbeweging. Begin 1952 slaagde de leiding van de KVP erin om iedereen weer in het gareel te krijgen. Desondanks vielen de verkiezingsuitslagen voor de KVP toch ongunstig uit en dit was wel mede het gevolg van de gisting rond Duynstee. In 1961 kwam het weer tot een botsing tussen Duynstee en de KVP. Duynstee stelde zich lijnrecht tegenover KVP-minister J.M.A.H. Luns in de kwestie over het prijsgeven van Nieuw-Guinea aan de Indonesische Republiek. Toen Duynstee in 1962 door de voorzitter van de KVP openlijk zwaar beledigd werd wegens contacten met Indonesiërs, nam hij afscheid van de KVP en met hem vele Nijmeegse professoren.

Ondertussen bleef Duynstee ook als hoogleraar en staatsrechtgeleerde actief en productief. Hij publiceerde allerlei artikelen over uiteenlopende onderwerpen. Bekendheid als publicist verwierf Duynstee vooral met zijn studie over ´De kabinetsformaties 1946-1965’. Met zeer weinig materiaal wist hij toch uitvoerig en diepgaand het verschijnsel van de kabinetsformatie te beschrijven en analyseren.

Duynstee was gevreesd en geliefd. Hij kon betoverend charmant zijn. Maar hij was gevreesd in debatten waar hij ‘advocatentrucs’ toepaste. Hij genoot van het dwarsliggen op zich, of het nu ging over de politiek inzake het afstand doen van Nieuw-Guinea aan Indonesië, dan wel de democratisering van de universiteiten.

Duynstee had een hart voor de faculteit en de universiteit. Dat blijkt wel uit het feit dat hij zowel rector magnificus als decaan is geweest. Ondanks zijn charme bewaarde Duynstee een afstandelijkheid. Hij vertelde niet wat hij diep in zijn hart voelde. Voor vele mensen is Duynstee altijd een mysterie gebleven, maar wellicht maakte dat hem juist zo boeiend.

Bronnen:

  • C.A.J.M. Kortmann, in: Te Recht in Nijmegen, Lustrumbundel ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de KU Nijmegen (Deventer 2003.)
  • www.inghist.nl