Zoek in de site...

P.W. Kamphuisen

Pieter Kamphuisen is op 6 maart 1897 geboren te Gouda. In 1919 begon hij met zijn rechtenstudie aan de Leidse universiteit. Drie jaar later, in 1922, rondde hij deze af met een rechtshistorisch proefschrift, getiteld De codificatiegedachte in het Romeinsche Rijk. Na gedurende een aantal jaren de advocatuur in Middelburg te hebben beoefend werd hij in 1928 hoofd van de juridische afdeling van de Algemene Kunstzijde Unie (AKU, het tegenwoordige Akzo Nobel). Dit bedrijf zou hij in verschillende functies dienen tot aan zijn dood.

Kamphuisen werd in 1933 benoemd tot hoogleraar in het staats- en administratief recht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hoewel hij zich in de eerste plaats civilist in de brede zin van het woord voelde en ook op privaatrechtelijk terrein bleef publiceren, heeft hij zich met overgave toegelegd op deze voor hem nieuwe rechtsgebieden.

kamphuisen

Zijn oratie ging over de interpretatie in het staatsrecht. Hierin verdedigde hij onder meer het standpunt dat de rechter - naast de wetgever - de taak had om het recht op de hoogte van zijn tijd te houden en zelfs, zo nodig, nieuw recht diende te scheppen.

Kamphuisen heeft zichzelf eens omschreven als iemand met de benen van een industrieel, het lichaam van een jurist en de armen van een bankier. Deze veelvoud aan maatschappelijke rollen garandeerde hem onafhankelijkheid. In de oorlog liet hij zien wat een onafhankelijke geest vermocht. Hij heeft zich principieel gekant tegen de nationaal-socialistische praktijk en ideologie. Op last van de Duitse bezetter duurde zijn rectoraat korter dan een jaar (1941). Kamphuisens eigenzinnigheid en zijn blijvende betrokkenheid bij de AKU hebben het College van Curatoren van de Nijmeegse universiteit altijd geërgerd. Na de oorlog zag het College zijn kans schoon. Het blokkeerde zijn benoeming in de vakken van de in 1941 overleden E.J.J. van der Heijden (1885-1941), het burgerlijk en handelsrecht. Kamphuisen begreep de wenk en in 1945 legde hij het hoogleraarschap neer. Hij heeft vervolgens in het bedrijfsleven een grote naam opgebouwd.

Kenmerkend voor het wetenschappelijke werk van Kamphuisen is de nauwe wisselwerking tussen theorie en praktijk. Theoretische bespiegelingen zonder relevantie voor de oplossing van praktische problemen waren in zijn ogen vruchteloos, tegelijkertijd leidde de beoefening van de praktijk zonder een gedegen theoretische ondergrond naar zijn mening tot simplistische beschouwingen die niet tegen de tand des tijds bestand waren. Hij legde zich op het gebied van het burgerlijke recht dan ook bij voorkeur toe op ‘klassieke’ onderwerpen, waarvan de beginselen en uitgangspunten in het licht van allerlei praktische problemen (nog) onvoldoende doordacht waren, bijvoorbeeld contractsvrijheid, overmacht en de rechtsgevolgen van overmacht, dwaling bij obligatoire overeenkomsten, conversie en de aansprakelijkheid van de ambtenaar wegens onrechtmatige daad jegens derden en jegens het publiekrechtelijk lichaam. Een monument van Kamphuisens uiterste nauwkeurigheid is het deel Bijzondere Overeenkomsten in Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch Burgerlijk Recht (1945). Het feit dat hij dogmatische scherpheid paarde aan praktische zin heeft ertoe geleid dat hij na het overlijden van E.M. Meijers (1880-1954) door Minister van Justitie L.A. Donker (1899-1956) is gevraagd zich te ontfermen over de concepttitels van zeven bijzondere overeenkomsten (waaronder verbruikleen, schenking, bewaargeving en aanneming van werk) in het nieuwe burgerlijk wetboek. Als een van de weinigen slaagde Kamphuisen erin zijn werkzaamheden op tijd (binnen enige maanden) af te ronden. Hij stond en staat met zijn aandacht voor het gehele terrein van het privaatrecht - het burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, het arbeids- en ondernemingsrecht - in een Nijmeegse traditie. Op 16 augustus 1961 is hij aan een slopende ziekte in Arnhem overleden. Hij heeft tot op zijn sterfbed gewerkt.

Bronnen:

J.Brabers, De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1982, Nijmegen 1994; Biografisch Woordenboek van Nederland I, 's-Gravenhage 1979, kol. 284-285; C.J.H. Jansen, Pieter Wilhelmus Kamphuisen (1897-1961), in: W.J.M. Gitmans e.a. (red.), Te Recht in Nijmegen, Deventer 2003, p. 67 e.v.