Zoek in de site...

W.C.L. van der Grinten

Willem Christiaan Leonard (Wim) van der Grinten is op 7 september 1913 te Nijmegen geboren als oudste in een gezin, dat uiteindelijk negen kinderen zou tellen. Zijn vader, Joseph P.H.M. van der Grinten (1885-1932), was op dat moment in deze stad gemeentesecretaris. In 1923 werd Van der Grinten senior tot hoogleraar staats- en bestuursrecht benoemd aan de in dat jaar gestichte Nijmeegse universiteit. Hij overleed in 1932, toen zoon Wim een jaar rechten studeerde aan vaders faculteit. Na het behalen van zijn meesterstitel werd hij in 1934 advocaat te Arnhem. Al in 1936 vertrok hij naar Rotterdam om bedrijfsjurist bij Unilever te worden. In hetzelfde jaar trouwde hij met Willy L.M.A. Peters. Van der Grinten bleef tot het einde van de oorlog bij Unilever werkzaam.

Van der Grinten

In 1937 is hij te Nijmegen gepromoveerd op een studie naar de rechtmatigheid van de doodstraf bij de Nijmeegse rechtsfilosoof en hoogleraar in het straf- en strafprocesrecht Willem J.A.J. Duynstee (1886-1968). Van der Grinten werd in 1940 medewerker en in 1942 redacteur van De Naamlooze Vennootschap. Meer dan vijftig jaar was hij de drijvende kracht achter het blad. In de oorlog verscheen de eerste druk van zijn boek Arbeidsovereenkomstenrecht (dat hij tot zijn dood zou bewerken). Dit werk droeg reeds de kenmerken van al zijn latere publicaties: geschreven voor de rechtspraktijk, in een bondige en heldere stijl, stellig van aard en wars van theoretische, historische of rechtsvergelijkende beschouwingen. Van der Grinten bewerkte in 1946 het levenswerk van zijn Nijmeegse leermeester Egidius J.J. van der Heijden (1885-1941), het Handboek voor de naamlooze vennootschap naar Nederlandsch recht (laatste druk 1992). Het Handboek heeft nog altijd groot gezag in Nederland.

In 1945 werd Van der Grinten hoofd Bureau Rotterdam van het Nederlandse Beheersinstituut. Drie jaar later trad hij, na enige jaren ervaring in de Rotterdamse gemeentepolitiek, toe tot het kabinet Drees-Van Schaik als staatssecretaris voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en het midden- en kleinbedrijf. Zijn belangrijkste politieke wapenfeit was de invoering van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Na de val van het kabinet volgde in 1951 Van der Grintens benoeming tot hoogleraar aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg. Hij kreeg tot taak het burgerlijk en handelsrecht te doceren aan economen. Een jaar later werd hij geïnstalleerd als kroonlid van de SER. Vanaf 1957 maakte hij deel uit van het dagelijks bestuur. Tot zijn afscheid in 1984 is hij lid geweest, meestal voorzitter, van tientallen tijdelijke en permanente commissies van de SER. In 1957 werd Van der Grinten benoemd tot hoogleraar burgerlijk recht aan de juridische faculteit van de KU Nijmegen. Hij vond een fraai huis op de Groesbeekseweg, waar hij zijn verdere leven bleef wonen. Van der Grinten groeide uit tot een van de coryfeeën op het terrein van het Nederlandse ondernemings- en burgerlijk recht. Hij stond aan de wieg van het effectenrecht in Nederland. In 1959 verscheen een werk dat zijn reputatie definitief vestigde: Vertegenwoordiging en rechtspersoon in Mr. C. Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht (later gesplitst in twee zelfstandige delen). Van 1968 tot 1992 was Van der Grinten voorzitter van de Commissie Vennootschapsrecht. In deze hoedanigheid heeft hij een groot stempel gedrukt op de fundamentele wetswijzigingen die in 1970 en 1971 in het vennootschapsrecht werden doorgevoerd. In de Nijmeegse faculteit was hij vanaf 1972 neer dan 10 jaar decaan. Hij is ook rector magnificus van de KU Nijmegen geweest. In 1977 wist Van der Grinten de politieke schijnwerpers fel op zich gericht. Het lukte hem na een maand van efficiënt en in beslotenheid onderhandelen het kabinet Van Agt-Wiegel te vormen, dat de gehele termijn van vier jaar (1977-1981) zou uitzitten.

Van der Grinten stond erom bekend efficiënt en snel te werken. Zijn devies was ‘ora et labora’ (bid en werk) en daar leefde hij ook naar. Vele oud-studenten beschouwen Van der Grinten als hun leermeester. Dit geldt in versterkte mate voor de 28 studenten die bij hem promoveerden.

Van der Grinten stierf in 1994 in het harnas.

Bronnen:

S.C.J.J. Kortmann, in: Te Recht in Nijmegen, Lustrumbundel ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de KU Nijmegen (Deventer 2003.); Nijmeegse Gezichten - Vijfenzeventig Jaar katholieke Universiteit; J.M. van Dunné, Interview met W.C.L. van der Grinten, in: J.M. van Dunné, Ex tunc, ex nunc, Zwolle 1990, p. 191 e.v.; J. Brabers, De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1982, diss. Nijmegen, Nijmegen 1994, passim; Verspreide geschriften van W.C.L. van der Grinten, Ingeleid door C.J.H. Jansen, S.C.J.J. Kortmann en G. van Solinge, Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut, Deventer 2004, met uitvoerige beschouwing over leven en werk van Van der Grinten.