Zoek in de site...

W.J.A.J. Duynstee (1886-1968)

Willem Jacob Anton Jozef Duynstee is op 6 september 1886 te Sittard geboren. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam. In 1908 rondde hij deze studie af met een promotie op stellingen. In hetzelfde jaar trad hij in bij de Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (de orde van de Redemptoristen). Hij werd grondig geschoold in de filosofie en moraaltheologie. In 1913 werd hij tot priester gewijd. Zijn eerste boek droeg als titel Burgerlijk Recht en Zielzorg (eerste druk: 1919, achtste druk: 1961). Duynstee paste als een van de eerste Nederlandse katholieke wetenschappers de resultaten uit de moderne psychologie en psychoanalyse toe in de pastorale zielzorg en de moraalwetenschap. Door zijn opleiding raakte hij doorkneed in het werk van Thomas van Aquino, dat het uitgangspunt van zijn latere studies zou worden. Duynstee

Duynstee werd in 1928 benoemd tot hoogleraar straf-, strafproces- en straftoepassingsrecht aan de Nijmeegse universiteit, zonder een letter op deze rechtsgebieden te hebben gepubliceerd. Zijn leeropdracht werd in 1939 gewijzigd in strafrecht en inleiding tot de rechtswetenschap. In 1948 werd het strafrecht vervangen door de rechtsfilosofie.

Duynstee ontwikkelde zich tot een bekwaam en deskundig beoefenaar van het strafrecht. Zijn publicaties beperkten zich echter niet tot dit rechtsgebied. Hij legde verbanden met het staatsrecht, de rechtsfilosofie, de moraaltheologie en de psychologie. Het strafrecht leende zich uitstekend voor een rechtsfilosofische doordenking, bijvoorbeeld wat betreft het wezen van de straf en de aard van het delict. Duynstee verdedigde een door Thomas geïnspireerde vergeldingstheorie. Hij zag straf primair als vergelding voor de begane misdaad, waardoor de schending van de door God in de natuur aangebrachte orde ongedaan werd gemaakt.

Evenals voor andere Nijmeegse hoogleraren, zoals E.J.J. van der Heijden (1885-1941), P.W. Kamphuisen (1897-1961) en W.C.L. van der Grinten (1913-1994), lag het natuurrecht ten grondslag aan Duynstees beschouwingen over rechtvaardigheid en zedelijkheid, gemeenschap en individu, recht, wet en rechtsorde. Het natuurrecht is volstrekt eeuwig en onveranderlijk geldig. Het wordt gekenmerkt door twee menselijke "nastrevingen", het behoud van het eigen leven en het behoud van de soort door voortplanting. Daarbij kwam de bevoegdheid om in het eigen leven naar het eigen redelijk inzicht te handelen. Dit primaire natuurrecht zelf kende slechts weinige normen. Hierop waren het secundaire natuurrecht en het positieve recht gebaseerd. Over het natuurrecht publiceerde hij een monografie: Het natuurrecht (1939) en een overzicht van zijn ontwikkeling: Geschiedenis van het natuurrecht en de wijsbegeerte van het recht in Nederland (1940).

Duynstee was in en buiten de universiteit bestuurlijk actief. Hij was van 1940 tot 1 mei 1941 (als gevolg van een Duitse maatregel) rector magnificus van de universiteit. Daarnaast was hij jarenlang bestuursvoorzitter van de mede door hem in 1936 opgerichte Sint Maartenskliniek in Nijmegen. Hij maakte van 1936 tot 1956 als lid en vanaf 1951 als voorzitter deel uit van het College van Regenten van het Nijmeegse Sint Canisius-ziekenhuis. Hij was mede-oprichter van de Vereeniging voor Thomistische Wijsbegeerte.

In 1956 nam Duynstee afscheid van de universiteit met een voor hem typerende rede, Wet en wetsverplichting bij Sint Thomas. Hij was toen al gedurende vele jaren verwikkeld in een conflict met de kerkelijke autoriteiten, de zogenaamde affaire Duynstee-Terruwe. Anna Terruwe (1911-2004), de eerste vrouwelijke psychiater in Nederland, had samen met Duynstee een behandeling ontwikkeld voor mensen met neurotische stoornissen, onder meer op seksueel gebied. Deze behandeling zou in strijd zijn met de kerkelijke leer. Na zijn afscheidscollege werd Duynstee naar Rome ontboden. Hij zou er tot 1960 gedwongen verblijven. Door tussenkomst van kardinaal Alfrink mocht hij naar Nederland (Amsterdam) terugkeren. Pas in 1965, het jaar waarin ook zijn rehabilitatie plaatsvond, vestigde hij zich weer in zijn geliefde Nijmeegse klooster, de Nebo. Op een reis samen met Anna Terruwe naar Rome overleed Duynstee, geheel onverwacht, op 8 november 1968.

Duynstee, de "oude Duyn", zo genoemd ter onderscheiding van zijn jongere neef de hoogleraar in het staatsrecht F.J.F.M. Duynstee, was een van de steunpilaren van de Nijmeegse faculteit, een goed, vaderlijk en blijmoedig hoogleraar.

Bronnen: J.B.A.M. Brabers, De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1982, Nijmegen 1994, met name p. 64 e.v. en p. 277 e.v.; Ad Stadhouders, Willem Duynstee, in: Jaarboek Numaga 2004, p. 43-44; C.E.M. Struyker Boudier e.a., De "oude Duyn" herdacht, Nijmegen 1987, met levensloop en bibliografie.