Zoek in de site...

Historie

1655/1656: De eerste stichting

1656-1665: Succes van de Nijmeegse kwartierlijke academie

1679: Einde van de eerste universiteit

1923: De tweede stichting

1940-1945: De Tweede Wereldoorlog

1946-heden: Bloei en groei

De eerste stichting in 1655/1656

De zon had de ochtendkilte nog niet verdreven, toen de feestelijkheden ter gelegenheid van de plechtige opening van de Illustre School te Nijmegen een aanvang namen. Het was 3 mei 1655, zeven uur 's morgens, in de Stevenskerk. De oprichting van de illustre school was voor het Nijmeegs stadsbestuur niets meer en niets minder dan de eerste stap op weg naar de stichting van een volwaardige academie. De door de Staten van Gelre en Zutphen geautoriseerde, officiële provinciale universiteit van Gelderland bevond zich in Harderwijk. Toch versaagde het Nijmeegs stadsbestuur niet. Op 3 mei 1656 volgde de verheffing van de illustre school tot universiteit. Vanaf dat moment was het mogelijk zich in Nijmegen te bekwamen in een van de drie traditionele hogere universitaire opleidingen, theologie, geneeskunde of rechten. De Nijmeegse Illustre School kreeg het gewezen hospitaal van de orde der Johannieters, het Sint Janshuis, als gebouw toebedeeld.

De stichting van een universiteit was staatsrechtelijk gezien voorbehouden aan de souverein. Na de afzwering van Philips II als landsheer in 1581 werd de officiële leer in de Republiek dat de souvereiniteit bij de afzonderlijke Staten van elke provincie berustte. Ook het recht om een universiteit te stichten kwam de Staten toe. De verheffing van de Nijmeegse illustre school tot academie door het Nijmeegse bestuur berustte dus op drijfzand. Het was niet de souverein. De Staten van Gelre en Zutphen waren de souverein. Die hebben nooit ingestemd met de oprichting van de Nijmeegse universiteit. Het feit dat een staatsrechtelijk onbevoegde instantie de Nijmeegse universiteit heeft gesticht, bracht met zich dat de hoogleraren niet gemachtigd waren rechtsgeldig graden te verlenen. Het Hof van Gelre heeft daarom altijd geweigerd Nijmeegse "gepromoveerden" als advocaten toe te laten. De Nijmeegse studenten weken voor hun promotie daarom in de regel uit naar andere universiteiten.

Succes van de Nijmeegse kwartierlijke academie

Ondanks het feit dat getwijfeld werd aan de geldigheid van de Nijmeegse graden, schijnt de academie in haar eerste jaren een periode van bescheiden bloei te hebben doorgemaakt. Zij oefende met name aantrekkingskracht uit op studenten uit Nijmegen en omgeving. De rechtenfaculteit was in studentenaantallen de grootste van de drie hogere opleidingen.

Het Nijmeegse stadsbestuur is er bij de stichting in geslaagd een uitstekende kandidaat voor de juridische leerstoel te vinden, Petrus de Greve (1621-1677). Hij was geboren in Arnhem, hij had gestudeerd in Harderwijk en Franeker. Na eerst korte tijd in Leeuwarden advocaat te zijn geweest was De Greve in 1648 tot hoogleraar in het recht benoemd aan de Harderwijkse universiteit. De Nijmegenaren hebben hem in 1655 weggekocht voor het in die tijd aantrekkelijke salaris van 1200 gulden. Een benoeming tot hoogleraar in het recht betekende in die tijd een benoeming in het Romeinse recht. De hoogleraar gaf onderwijs aan de hand van het wetboek van de Romeinse keizer Justinianus (527 tot 565), het Corpus Iuris Civilis. De Greve wenste zijn studenten niet alleen theoretisch te scholen, maar vooral kennis te laten maken met de praktijk van het rechtsleven. Opvallend vaak voor zijn tijd verwees hij naar inheemse rechtsbronnen, zoals het Gereformeerde Landrecht van de Veluwe, van Zutphen en van Overijssel en naar het werk van Gelderse juristen.

Op 27 december 1671 benoemde het Nijmeegse stadsbestuur een jonge Nijmegenaar, Gerard Noodt (1647-1715), tot hoogleraar in het recht ter ondersteuning van Petrus de Greve op een salaris van 400 gulden. Noodt had van 1665 tot 1668 in Nijmegen rechten gestudeerd. Voor zijn promotie in 1669 was hij naar Franeker uitgeweken. Hij is later uitgegroeid tot een Europese coryfee op het gebied van het Romeinse recht.

Einde van de eerste universiteit

Na 1665 ging het bergafwaarts met de Nijmeegse universiteit. Een uitbraak van de pestepidemie in dat jaar joeg de studenten de stad uit. Toen het weer veilig was, trokken de studentenaantallen nauwelijks aan. De studenten ontvluchtten vervolgens massaal de stad, toen de Franse troepen in juli 1672 Nijmegen veroverden. De Franse bezetting luidde het einde in van de Nijmeegse universiteit. Het geld ontbrak voor de betaling van de salarissen van de hoogleraren. De universiteit bleek nog te pril, zodat de door de Fransen veroorzaakte economische crisis haar fataal is geworden. Een officieel opheffingsbesluit van de Nijmeegse academie is niet bekend, maar met het vertrek van Noodt in 1679 hield zij de facto op te bestaan.

De tweede stichting in 1923

Op 17 oktober 1923 opende de Katholieke Universiteit Nijmegen haar deuren, na veel discussie over de mogelijke vestigingsplaats van de nieuwe academie. Evenals in 1655 begonnen de festiviteiten in een kerk, met een pontificale heilige mis in de Sint Ignatiuskerk aan de Molenstraat. De oprichting van de universiteit was het initiatief van de in 1905 opgerichte Sint Radboudstichting. Zij had tot doel het tekort aan katholieke wetenschappelijke intellectuelen te delgen. Een eigen universiteit vormde de bekroning van het streven naar emancipatie van het katholieke volksdeel op academisch gebied.

De jonge academie kende drie faculteiten: theologie, letteren en wijsbegeerte en rechten. De schaarse aanwezigheid van geschikte (dat wil zeggen gepromoveerde) katholieke juristen maakte de benoeming van de juridische hoogleraren tot een moeizame aangelegenheid. Men zag zich aanvankelijk zelfs genoodzaakt professoren te benoemen, die op hun vakgebied nog niets hadden gepubliceerd. Toch mag de faculteit trots zijn op haar eerste hoogleraren. Zij hebben niet alleen op hoog niveau onderwijs gegeven, maar ook hun maatschappelijke verantwoordelijkheid niet verzaakt; zij hebben bovendien als geen ander bijgedragen aan de katholieke emancipatie. Van de eerste generatie staken E.J.J. van der Heijden (1885-1941), hoogleraar in het burgerlijke recht, handelsrecht en rechtsgeschiedenis en J.H.G.M. van der Grinten (1885-1932), hoogleraar in het staats- en administratief recht, met kop en schouders boven hun collegae uit. Naast hen verwierf  W.J.A.J. Duynstee (1886-1968), vanaf 1928 hoogleraar in het strafrecht en het strafprocesrecht, veel gezag. Ook de opvolger van de vroegtijdig overleden Van der Grinten, P.W. Kamphuisen(1897-1961), behoorde tot de juridische top. Het katholieke element kwam in hun werk naar voren, doordat zij zich veel moeite hebben getroost het geldende recht te funderen op een bovenpositiefrechtelijke (natuurrechtelijke) grondslag. Kenmerkend voor het wetenschappelijke werk van de Nijmeegse hoogleraren was de nauwe wisselwerking tussen theorie en praktijk. Theoretische bespiegelingen zonder relevantie voor de oplossing van praktische problemen waren in hun ogen vruchteloos, tegelijkertijd leidde de beoefening van de praktijk zonder een gedegen theoretische ondergrond naar hun mening tot simplistische beschouwingen, die niet tegen de tand des tijds bestand waren. De nauwe band tussen theorie en praktijk is eveneens bij latere generaties Nijmeegse hoogleraren aan te treffen.

De Nijmeegse juridische faculteit is voor de Tweede Wereldoorlog erin geslaagd een eigenstandige positie op te bouwen temidden van de andere faculteiten. Zij wist een behoorlijk deel van de katholieke jongeren (ongeveer 62% van het totale aantal dat rechten ging studeren) naar Nijmegen te lokken. Bovendien leverde zij het bestuur en de politiek de nodige gezagsdragers. Ook binnen de rechterlijke macht en de advocatuur wisten de Nijmeegse studenten vrij snel hun weg te vinden. De Nijmeegse faculteit verwierf zich in korte tijd een goede reputatie.

De Tweede Wereldoorlog

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Twee Nijmeegse juridische hoogleraren werden al in de beginmaanden van de oorlog, op 1 juli 1940, vanwege hun anti-Duitse gezindheid opgepakt. Het betrof de hoogleraar volkenrecht, de jezuïet Robert Regout (1896-1942), en zijn collega voor rechtsfilosofie, mgr. J.H.E.J. Hoogveld (1878-1942). Zij zouden de oorlog niet overleven. De colleges werden in september 1940 hervat. Maatregelen tegen hoogleraren of studenten waren grotendeels uitgebleven, behalve een door de Duitsers uitgevaardigd verbod tot bevordering of benoeming van joden in overheidsdienst. Eind oktober 1940 verstevigden de Duitsers hun greep op de universiteiten. Zij zonden formulieren aan alle Nederlandse ambtenaren, en daarmee ook aan de wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke medewerkers van de universiteiten, met het verzoek om de kerkelijke gezindheid van ouders en grootouders in te vullen, de zogeheten ariërverklaring. De Nijmeegse hoogleraren tekenden. Dit betekende allerminst dat de Nijmeegse hoogleraren meegaand waren. Dat vonden de Duitsers bijvoorbeeld ook van Kamphuisen, waardoor diens rectoraat – op last van de Duitse bezetter – korter dan een jaar duurde (1941). Bovendien weigerde de Sint Radboudstichting voordrachten van te benoemen hoogleraren voor te leggen aan de Duitse bezetter, zodat er geen nieuwe hoogleraren konden aantreden.

De Nijmeegse universiteit koos - evenals de Vrije Universiteit te Amsterdam - voor een principiële opstelling, toen de Duitse bezetter in maart-april 1942 van de studenten de ondertekening van de loyaliteitsverklaring eiste. Zij weigerde deze verklaring - als enige niet-gesloten universiteit - aan haar studenten voor te leggen. Op 10 april 1943 sloot zij haar deuren. Dit doortastende optreden was te danken aan B.H.D. Hermesdorf (1894-1978), hoogleraar Romeins en oudvaderlands recht, tevens Rector Magnificus. Met steun van de aartsbisschop, kardinaal De Jong, draaide hij de deur van het Hoofdgebouw van de universiteit op slot. Hij werd daarmee de verpersoonlijking van de sluiting van de Nijmeegse universiteit. Slechts 0,3% (twee personen) van haar studentenpopulatie tekende.

Bloei en groei: modernisering, democratisering en differentiatie

De bezettingstijd vormde welbeschouwd slechts een intermezzo in de geschiedenis van de juridische faculteit. Toen de universiteit in 1945 haar poorten weer opende, was er betrekkelijk weinig veranderd. Zij ademde in onderwijs en onderzoek en in mentaliteit onder de studenten ongeveer dezelfde geest uit als voor de oorlog. Het Nijmeegse karakter van de faculteit werd zelfs nog versterkt, doordat de eerste alumni tot hoogleraar werden benoemd. De grote omslag kwam in de jaren zestig van de vorige eeuw.

De katholieke emancipatie was voltooid. Met deze voltooiing werd de faculteit regionaler. De aandrang om voor "de goede zaak" vanuit geheel Nederland de jeugdige katholieke crème de la crème naar Nijmegen te sturen was verdwenen. Grote aantallen studenten uit met name Brabant, Limburg en Gelderland bestormden de collegebanken. Deze toevloed aan studenten was de uitdrukking van een andere emancipatie: vele jongeren, zonder academische achtergrond, bezochten als eersten van hun familie de universiteit. In Nijmegen gebeurde dit meer dan bij andere universiteiten. Zij werden niet onmiddellijk lid van een studentenvereniging; zij bleven vaak thuis wonen. Hoogleraren konden deze aantallen niet aan: zij kregen bijstand van een wetenschappelijke staf. Daarnaast kon de Nijmeegse universiteit niet langer ontsnappen aan de lange arm van het ministerie van Onderwijs: de organisatie van de universiteit werd met straffe hand verzakelijkt, ook al lag de faculteit op gezette tijden dwars. De algemene, maatschappelijke gezagscrisis leidde aan de universiteiten tot studentenprotest en een roep om democratisering. De meeste rechtenstudenten hebben zich daar echter buiten gehouden. Tot slot leidde de juridisering van de maatschappij tot een verdergaande differentiatie van vakgebieden op de juridische faculteit. Steeds meer specialismen kregen een plaats in het curriculum.

Ondanks deze veranderingen heeft de Nijmeegse faculteit geprobeerd haar specifieke kleur te behouden, sinds 1959 aan de Oranjesingel en vanaf begin jaren tachtig aan de Thomas van Aquinostraat op de universiteitscampus. Nog steeds beoogt zij het wetenschappelijke karakter van de opleiding te combineren met een gerichtheid op de juridische beroepspraktijk. Ook heeft zij vastgehouden aan de kleinschaligheid van het onderwijs met een zo groot mogelijke diversiteit aan onderwijsvormen. Het facultaire onderzoek is geen samenraapsel van niches, maar geënt op de kerngebieden van het recht, zoals het burgerlijk en het ondernemingsrecht. Aan gezaghebbende hoogleraren heeft het niet ontbroken. Twee springen er bovenuit: F.J.F.M. Duynstee (1914-1981), een van de kleurrijkste hoogleraren staatsrecht in Nederland en W.C.L. van der Grinten (1913-1994), een ongeëvenaarde generalist op het brede terrein van het privaatrecht. De Nijmeegse faculteit neemt met haar onderwijs en onderzoek een eigenstandige plaats in temidden van de andere juridische faculteiten, een plaats die wordt gewaardeerd, zoals blijkt uit de vele studenten-evaluaties en onderwijs- en onderzoeksvisitaties van de afgelopen jaren.

Literatuur: J. Brabers, De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1982, Nijmegen 1994; W.J.M. Gitmans e.a. (red.), Te Recht in Nijmegen (Lustrumbundel ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid), Deventer 2003. Beide boeken bevatten de nodige literatuurverwijzingen.


De start in 1923

R

E

Koperen plaat, bij de oprichting in 1924 geschonken aan de Rota Carolina

P

Gebouw faculteit, Oranjesingel 72 (1959 tot 1982)

F

W

Huidig faculteitsgebouw