Vakantie- en verlofregeling

Vastgesteld en door het College van Bestuur overeengekomen met de werknemersorganisatie. Laatstelijk in het Lokaal Overleg van 22 april 2024.

Wil je op vakantie of verlof aanvragen? Lees hier waar je recht op hebt.

Algemeen

Artikel 1 Inhoud regeling

Gelet op artikel 4.7, artikel 4.10 lid 1 sub c en artikel 4.24 CAO Nederlandse Universiteiten, stelt de werkgever navolgende regeling met betrekking tot vakantie en verlof vast, zoals omschreven in de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet arbeid en zorg (Wazo).

Artikel 2 Begrippen

a. Werknemer: werknemer in de zin van de CAO NU;

b. Werkgever: Radboud Universiteit;

c. Bezoldiging: zoals bedoeld in artikel 1.1 sub r CAO NU;

d. Wettelijke vakantie-uren: de vakantieaanspraak op grond van artikel 7:634 BW;

e. Bovenwettelijke vakantie-uren: de bij CAO overeengekomen vakantieaanspraak minus de wettelijke vakantieaanspraak;

f. Compensatie-uren: uren die een werknemer ontvangt bij een langere dan standaard werkduur bij toepassing van de regeling flexibele werkduur.

Artikel 3 Evenredigheid

Voor de werknemer met wie een dienstverband van minder dan de volledige arbeidsduur is aangegaan, gelden de aanspraken in deze regeling naar evenredigheid van de overeengekomen arbeidsduur, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Deel 1: Vakantie

Artikel 4 Vakantieaanspraken (artikel 4.7 CAO)

  1. De werknemer heeft jaarlijks recht op vakantie met behoud van bezoldiging.
  2. Een standaard werkduur van 38 uur per week geeft recht op 232 vakantie-uren per kalenderjaar. Daarvan worden 152 uren aangeduid als wettelijke vakantie-uren en 80 uren als bovenwettelijke vakantie-uren.
  3. De deelnemer aan de plusvariant van de flexibele werkduur ontvangt op voltijdse basis 96 compensatie-uren indien hij 40 uur per week werkt.
  4. De deelnemers aan de minvariant van de flexibele werkduur levert op voltijdse basis 96 vakantieuren in, indien hij 36 uur per week werkt.

Artikel 5 Vakantieaanspraak bij (langdurige) ziekte

Bij zowel gedeeltelijk als volledige afwezigheid wegens ziekte blijft de werknemer zijn vakantie-uren overeenkomstig artikel 4 van deze regeling opbouwen zolang hij aanspraak op volledige of gedeeltelijke loondoorbetaling heeft.

Artikel 6 Vakantie-uren opnemen (artikel 4.7 CAO)

  1. De werknemer neemt de vakantie op in het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
  2. De werknemer neemt jaarlijks eerst zijn wettelijke vakantie-uren op alvorens zijn bovenwettelijke vakantie-uren op te nemen.
  3. Vakantie-uren kunnen tijdens het dienstverband niet worden uitbetaald.
  4. Vakantie-uren kunnen door de werknemer worden opgenomen, na voorafgaande toestemming van zijn leidinggevende. De toestemming wordt verleend, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
  5. Het verzoek van een werknemer om vakantie op te nemen op een voor hem in verband met zijn religieuze opvattingen geldende feestdag, wordt ingewilligd tot een maximum van vijf dagen per jaar, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet.
  6. Indien de werknemer zijn totale vakantietegoed in een jaar niet in zijn geheel opneemt, maakt hij, ter voorkoming van problemen in de bedrijfsvoering van de universiteit en ter voorkoming van vakantiestuwmeren, afspraken met zijn leidinggevende over hoe het tegoed wordt opgenomen, door:
    • toepassing van het meerjaren spaarmodel;
    • toepassing van de flexibele werkduur (minvariant) met verlaging van het feitelijk aantal arbeidsuren per week;
    • een andere afspraak die het tegoed reduceert.
  7. Indien de werknemer op 1 juli van het kalenderjaar van opbouw nog geen afspraken over opname, als bedoeld onder lid 1 of lid 6, met zijn leidinggevende heeft gemaakt, kan de leidinggevende een vakantieperiode vaststellen van vier maal de voor de werknemer geldende arbeidsduur per week.
  8. Onverminderd het bepaalde onder lid 7 en lid 12 kan de werknemer een eventueel restant van de in een kalenderjaar opgebouwde vakantie-uren meenemen naar het daarop volgende kalenderjaar. De meegenomen wettelijke vakantie-uren vervallen 6 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven. Voor de meegenomen resterende bovenwettelijke vakantie-uren geldt dat de werknemer binnen 6 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven een schriftelijke afspraak met de werkgever maakt over opname binnen maximaal 5 jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. De leidinggevende reageert tijdig op een voorstel voor een schriftelijke afspraak.
  9. Indien de werknemer niet tijdig een verzoek doet voor opname van de vakantie-uren die hij heeft meegenomen naar een volgend kalenderjaar en ook niet tijdig een schriftelijke afspraak over latere opname heeft gemaakt, is de leidinggevende gerechtigd - na overleg met de werknemer - tijdstippen vast te stellen waarop de werknemer deze vakantie-uren zal opnemen binnen 12 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de vakantie-uren zijn opgebouwd.
  10. Als de werknemer niet in staat is geweest vakantie op te nemen door toe doen van de werkgever dan geldt voor de wettelijke vakantie-uren de verjaringstermijn van 5 jaar.
  11. Op grond van artikel 7:642 Burgerlijk Wetboek vervallen de bovenwettelijke vakantie-uren 5 jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd.
  12. De werknemer die zonder schriftelijke afspraak aan het einde van het kalenderjaar meer dan 80 vakantie-uren overhevelt, verliest zijn recht op deelname aan de plusvariant van de flexibele werkduur, zoals bedoeld in de Regeling Flexibele Werkduur Radboud Universiteit.

Artikel 7 Vakantie tijdens ziekte (artikel 4.7 CAO)

  1. De werknemer die tijdens ziekte vakantie opneemt, verzoekt zijn leidinggevende om toestemming voorafgaand aan zijn vakantie. De vakantie-uren worden afgeboekt met inachtneming van zijn overeengekomen arbeidsduur per dag.
  2. De werkgever, daarbij ondersteund door de bedrijfsarts, ziet erop toe dat de zieke werknemer vakantie opneemt volgens de bepalingen van artikel 6. De wettelijke vakantie-uren vervallen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 lid 8, tenzij de zieke werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. De niet opgenomen vakantie-uren vervallen dan 5 jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Bij de beoordeling van het vorenstaande adviseert de bedrijfsarts.

Artikel 8 Vakantieaanspraak bij einde dienstverband (artikel 7:641 BW)

  1. Ingeval van een beëindiging van het dienstverband, dient de werknemer zijn vakantie-uren zoveel mogelijk op te nemen.
  2. Een werknemer die bij het einde van het dienstverband nog aanspraak op vakantie-uren heeft, heeft recht op een uitkering in geld tot een bedrag van de bezoldiging over het tijdvak overeenkomend met de aanspraak. Bij overlijden van de werknemer valt de ontstane vordering wegens niet-genoten vakantie-uren en niet-genoten compensatie-uren in de nalatenschap van de werknemer.
  3. Indien bij beëindiging van het dienstverband teveel vakantie-uren blijken te zijn opgenomen, dan wordt de waarde in geld van die vakantie-uren als onverschuldigde betaling aangemerkt en zo mogelijk verrekend met de bezoldiging, vakantie-uitkering en/of eindejaarsuitkering, waarop de werknemer nog aanspraak heeft.

Artikel 9 Ziekte tijdens vakantie

  1. Indien de werknemer tijdens zijn vakantie als gevolg van ziekte ongeschikt is zijn bedongen arbeid geheel te verrichten, als ware hij niet met vakantie, dan herleeft de aanspraak op die vakantieuren voor de uren dat de werknemer ziek was.
  2. De in lid 1 bedoelde werknemer dient zich tijdens zijn vakantie bij zijn leidinggevende ziek te melden. Zo nodig kan de werkgever aan de werknemer verzoeken om een artsverklaring te overleggen.

Artikel 10 Collectief aangewezen vakantiedagen

  1. Aan de Radboud Universiteit gelden de volgende dagen als collectieve sluitingsdagen:
    • de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar;
    • de vrijdagochtend van de Vierdaagse;
    • de vrijdag na Hemelvaart;
    • 24 december, indien die dag op een maandag valt;
    • 2 januari, indien die dag op een vrijdag valt.
  2. Ingeval een collectieve sluitingsdag op een voor de werknemer geldende werkdag valt, worden de arbeidsuren die de werknemer had moeten werken van zijn wettelijke vakantie-uren afgeboekt.

Deel 2: Verlof, niet zijnde vakantieverlof

Artikel 11 Verlof op feestdagen (artikel 4.8 CAO)

  1. Als feestdagen gelden: Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, Eerste Paasdag, Tweede Paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, Eerste Pinksterdag, Tweede Pinksterdag, Eerste Kerstdag, Tweede Kerstdag en de vrijdagmiddag van de Nijmeegse Vierdaagse.
  2. De werknemer geniet op bovenstaande feestdagen verlof met behoud van bezoldiging, indien zij op een voor de werknemer geldende werkdag vallen, tenzij het belang van de instelling anders vereist.
  3. De werknemer die volgens zijn dienstrooster op een feestdag moet werken, geniet dit verlof op een andere dag.
  4. De werknemer die volgens vast werkpatroon op vrijdag moet werken, kan met ingang van het kalenderjaar 2024 jaarlijks de Goede Vrijdag inruilen voor een andere religieuze, nationale, regionale of lokale feest- of gedenkdag. De werkgever kan dit verzoek slechts weigeren wanneer het niet vier weken voor Goede Vrijdag wordt ingediend of in geval van zwaarwegende bedrijfsbelangen, waaronder de sluiting van een gebouw voor werknemers van wie de functie niet toelaat om thuis te werken. 

Artikel 12 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (artikel 4.11 CAO en artikel 3:1 Wazo e.v.)

  1. De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschapsverlof en bevallingsverlof.
  2. Om in aanmerking te komen voor zwangerschapsverlof of bevallingsverlof, dient de werknemer daarvoor een schriftelijke verklaring van arts of verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling te overleggen.
  3. Uiterlijk tien weken voor de vermoedelijke datum van bevalling meldt de werknemer met ingang van welke datum zij zwangerschapsverlof opneemt.
  4. Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
  5. In afwijking van lid 4 geldt voor een zwangerschap van een meerling, dat het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf 10 weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk acht weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
  6. Indien de werknemer binnen zes weken (in het geval van een zwangerschap van een meerling: 10 weken) voorafgaand aan de dag van de vermoedelijke bevallingsdatum ziek wordt, voordat het zwangerschapsverlof is ingegaan, dan wordt zij geacht met ingang van de eerste ziektedag zwangerschapsverlof te genieten.
  7. De werknemer meldt haar bevalling uiterlijk de tweede dag na de bevallingsdatum.
  8. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken (in het geval van een zwangerschap van een meerling: 10 weken) heeft bedragen.
  9. Als een kind tijdens het bevallingsverlof vanwege zijn medische toestand in een ziekenhuis is opgenomen, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal opnamedagen, te rekenen vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het bevallingsverlof is uitsluitend van toepassing voor zover de ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee het bevallingsverlof als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van lid 7 wordt verlengd (zie toelichting). De werknemer meldt aan de werkgever de dag dat het kind is opgenomen in het ziekenhuis en wanneer de opname is beëindigd. De werknemer verstrekt aan de werkgever onverwijld een schriftelijke verklaring van het ziekenhuis waarin de gehele duur van de opname van het kind in het ziekenhuis staat vermeld.
  10. In afwijking van lid 8 kan de werknemer de werkgever verzoeken het bevallingsverlof op te delen na 6 weken waarop het recht op dat verlof is ingegaan. De werknemer kan het resterende bevallingsverlof opnemen gedurende een tijdvak van 30 weken. Het verzoek wordt gedaan uiterlijk drie weken nadat het verlof is ingegaan. De werkgever stemt uiterlijk twee weken nadat het verzoek is gedaan in met het verzoek, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
  11. Conform de Wet arbeid en zorg bedraagt de totale duur van het zwangerschaps- plus het bevallingsverlof ten minste 16 weken (in het geval van een meerling: ten minste 20 weken), waarvan ten minste 10 weken bevallingsverlof.
  12. Gedurende het zwangerschapsverlof en bevallingsverlof bestaat recht op volledige doorbetaling van de bezoldiging en opbouw van vakantie-uren.
  13. De werknemer is verplicht mee te werken aan het aanvragen bij het UWV van een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg.

Artikel 12a Overgang van bevallingsverlof van moeder naar de partner (artikel 3:1a Wazo e.v.)

  1. Indien tijdens het bevallingsverlof de moeder overlijdt en een akte van geboorte van haar kind is opgemaakt heeft de werknemer die echtgenoot/geregistreerd partner is of het kind heeft erkend recht op het resterende bevallingsverlof met behoud van loon.
  2. De partner meldt het overlijden van de moeder en de opname van het verlof uiterlijk op de tweede dag volgend op haar overlijden bij zijn werkgever. De partner verstrekt de werkgever binnen vier weken na het overlijden van de moeder een afschrift van de akte van geboorte van het kind en van de akte van overlijden van de moeder.
  3. De partner is verplicht mee te werken aan het aanvragen bij het UWV van een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg.

Artikel 13 Adoptie- en pleegzorgverlof (artikel 4.12 CAO en artikel 3:2 Wazo e.v.)

  1. a. De werknemer die een kind adopteert, heeft recht op adoptieverlof.
    b. De werknemer die pleegouder wordt, kan in aanmerking komen voor pleegzorgverlof, mits de werknemer op hetzelfde adres woont als het kind dat hij duurzaam verzorgt en opvoedt en er een pleegcontract kan worden overgelegd, waaruit blijkt dat de werknemer verantwoordelijk is voor de opvoeding en verzorging van het kind.
  2. Waar in dit artikel over ‘adoptie’ wordt gesproken, wordt eveneens ‘pleegzorg’ bedoeld.
  3. Het recht op adoptieverlof bestaat gedurende een periode van 26 weken en bedraagt maximaal 6 aaneengesloten weken. Het verlof kan vanaf 4 weken voordat het kind daadwerkelijk aan de zorg van de werknemer wordt overgedragen ingaan en moet in ieder geval binnen 22 weken na de feitelijke adoptie zijn opgenomen.
  4. In afwijking van lid 3 kan de werknemer de werkgever verzoeken om het verlof niet in 6 weken aaneengesloten op te nemen, maar te spreiden gedurende een tijdvak van 26 weken. De werkgever kan dit verzoek afwijzen, indien zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.
  5. Het adoptieverlof moet zo mogelijk uiterlijk 3 weken voor ingangsdatum worden aangevraagd met vermelding van de omvang van het verlof.
  6. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd 2 of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het recht op verlof slechts ten aanzien van 1 van die kinderen.
  7. Het adoptie- en pleegzorgverlof is gedurende maximaal 5 werkdagen met behoud van volledige bezoldiging. Daarna is het adoptie- en pleegzorgverlof zonder behoud van bezoldiging. De werknemer is verplicht door tussenkomst van de werkgever een uitkering aan te vragen krachtens de Wet arbeid en zorg. De uitkering wordt gedurende het verlof met behoud van bezoldiging in mindering gebracht op de bezoldiging van de werknemer. Gedurende het adoptie- en pleegzorgverlof blijft de werknemer vakantie-uren opbouwen.

Artikel 14 Ouderschapsverlof (artikel 4.13 tot en met 4.20 CAO en artikel 6:1 Wazo e.v.)

  1. Op de werknemer zijn voor het gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof de bepalingen uit de CAO en de Wet arbeid en zorg van toepassingen en voor het onbetaald ouderschapsverlof de Wet arbeid en zorg.
  2. De werknemer is verplicht bij opname van gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof door tussenkomst van de werkgever een uitkering bij het UWV aan te vragen krachtens de Wet arbeid en zorg.

Artikel 15a Calamiteitenverlof (artikel 4.22 CAO en artikel 4:1 Wazo e.v.)

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15c heeft de werknemer recht op verlof met behoud van bezoldiging in geval van een plotselinge gebeurtenis waarvoor de werknemer zonder uitstel maatregelen moet treffen en dit een onmiddellijke onderbreking van de arbeid vergt.
  2. De werknemer meldt zo spoedig mogelijk dat hij calamiteitenverlof opneemt.
  3. Het recht op verlof met behoud van bezoldiging bij calamiteiten geldt voor maximaal twee dagen per jaar.

Artikel 15b Kort verzuim verlof (artikel 4.22 CAO en artikel 4:1 Wazo e.v.)

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15c heeft de werknemer, indien en voor zover hij niet in de gelegenheid is op een voor hem geldende werkdag arbeid te verrichten als gevolg van een bijzondere persoonlijke omstandigheid, recht op kort verzuim verlof met behoud van bezoldiging
  2. De werkgever verleent aan de werknemer kort verzuim verlof met behoud van bezoldiging bij de navolgende gebeurtenissen c.q. bijzondere persoonlijke omstandigheden:
    a. de bevalling van de echtgenote, geregistreerde partner of degene van wie de werknemer het kind erkent: twee verlofdagen.
    b. bij ondertrouw en het sluiten van een huwelijk of geregistreerd partnerschap: 1 dag respectievelijk vier verlofdagen;
    c. ter gelegenheid het 25- en 40-jarig dienst- of huwelijksjubileum van de werknemer, alsmede het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van ouders, schoonouders en stiefouders van de werknemer: een verlofdag;
    d. voor het zoeken van een woning, in het geval de werknemer een verhuisplicht is opgelegd: een dag;
    e. voor een verhuizing van de werknemer indien een verhuisplicht is opgelegd: twee verlofdagen;
    f. bij het overlijden van de echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont, een ouder, schoon-, stief- of pleegouder, kind, stief- of pleegkind, schoonzoon of –dochter: maximaal 4 dagen; bij het overlijden van een broer, zus, zwager, schoonzus,  opa, oma of kleinkinderen: maximaal 2 dagen; bij het overlijden van een oom, tante, overgrootouder, achterkleinkinderen, neven en nichten en overige (aan)verwanten: 1 dag, tenzij de werknemer belast is met de regeling van de begrafenis en de nalatenschap, in welk geval maximaal 4 dagen verlof kan worden verleend. De laatste twee volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing ingeval van geregistreerd partnerschap. 
    g. voor de noodzakelijke verzorging ten gevolge van ziekte van de personen genoemd in artikel 17, lid 1: 1 dag. Indien ten gevolge van ziekte van de echtgeno(o)t(e) of van kinderen beneden de leeftijd van 14 jaar de aanwezigheid van de werknemer thuis noodzakelijk is: maximaal 3 dagen. Dit geldt in aanvulling op het bepaalde in artikel 17;
    h. voor het spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd om te plannen arts- of ziekenhuisbezoek door de werknemer of de noodzakelijke begeleiding daarbij van de personen genoemd in artikel 17, lid 1;
    i. Voor het bijwonen van het huwelijk van zijn kind, geadopteerd kind, stief- of pleegkind: 1 dag.
  3. Ingeval van het eigen huwelijk of geregistreerd partnerschap van de werknemer of het overlijden van (aan)verwanten zoals bedoeld in artikel 15b, lid 2 sub f heeft de werknemer recht op kort verzuim verlof, ongeacht het feit dat de gebeurtenis niet op een voor hem geldende werkdag valt.
  4. De werknemer heeft recht op kort verzuim verlof met behoud van bezoldiging, voor de uren dat hij een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting moet vervullen, die niet in zijn vrije tijd kan plaatsvinden.
  5. De werknemer heeft recht op kort verzuim verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die hij nodig heeft om zijn actief kiesrecht uit te oefenen.

Artikel 15c Duur calamiteiten- en kort verzuim verlof

De evenredigheid van artikel 3 van deze regeling is niet van toepassing voor artikel 15a en 15b, met dien verstande dat het verlof niet meer bedraagt dan de overeengekomen arbeidsduur op een voor de werknemer geldende werkdag.

Artikel 15d Rouwverlof

  1. Aanvullend op het kort verzuim verlof zoals bedoeld in artikel 15b, lid 2 sub f heeft de werknemer aanspraak op twee weken buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging na het overlijden van echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont, een ouder, schoon-, stief- of pleegouder, kind, stief- of pleegkind, schoonzoon of –dochter. Na het overlijden van een broer, zus, zwager, schoonzus, opa, oma of kleinkinderen bedraagt het buitengewoon verlof één week. Dit is van overeenkomstige toepassing indien sprake is van geregistreerd partnerschap. 
  2. Als sprake is van het overlijden van een persoon met wie de werknemer anderszins een sociale relatie heeft gehad en de werknemer een zorgtaak had ten aanzien van die persoon, kan één week rouwverlof worden verleend.
  3. Werkgever en werknemer treden in overleg over omvang, duur en invulling van het verlof.
  4. De opname van het verlof betreft maatwerk. Werkgever en werknemer kunnen andere of nadere afspraken over opname van rouwverlof of aanvullend buitengewoon verlof maken.

Artikel 16a Geboorteverlof (artikel 4:2 Wazo)

  1. De werknemer heeft na de bevalling van de echtgenote, geregistreerde partner, de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont of degene van wie de werknemer het kind erkent, recht op geboorteverlof met behoud van bezoldiging van eenmaal de arbeidsduur per week, gedurende een tijdvak van 4 weken.
  2. De werknemer meldt ten miste vier weken voor aanvang van het geboorteverlof schriftelijk of elektronisch aan de werkgever de periode, de duur en eventueel de spreiding van het verlof. Indien dit niet mogelijk is meldt de werknemer het voornemen om het verlof op te nemen zo spoedig mogelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het geboorteverlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling.
  3. Het recht op geboorteverlof bestaat vanaf de eerste dag na de bevalling.
  4. De werknemer kan ervoor kiezen het geboorteverlof te laten ingaan aansluitend op het kort verzuimverlof, dat is bedoeld om bij de bevalling aanwezig te zijn.

Artikel 16b Aanvullend geboorteverlof (artikel 4:2 Wazo)

  1. Nadat de werknemer het geboorteverlof, zoals bedoeld in artikel 16a, heeft opgenomen, heeft hij gedurende een tijdvak van 6 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling, recht op aanvullende geboorteverlof zonder behoud van bezoldiging.
  2. Het aanvullend geboorteverlof bedraagt maximaal vijf maal de wekelijkse arbeidsduur.
  3. De werknemer meldt ten miste vier weken voor aanvang van het geboorteverlof schriftelijk of elektronisch aan de werkgever de periode, de duur en eventueel de spreiding van het verlof. Indien dit niet mogelijk is meldt de werknemer het voornemen om het verlof op te nemen zo spoedig mogelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het aanvullend geboorteverlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling en van het einde van het bevallingsverlof.
  4. De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de door de werknemer gewenste wijze van invulling van het aanvullend geboorteverlof op grond van zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen tot twee weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
  5. De werknemer is verplicht bij opname van aanvullend geboorteverlof door tussenkomst van de werkgever een uitkering aan te vragen krachtens de Wet arbeid en zorg. De uitkering wordt over maximaal vijf maal de wekelijkse arbeidsduur verstrekt en bedraagt per dag 70% van het dagloon van de werknemer tot ten hoogste 70% van het maximum dagloon. De aanvraag bij het UWV wordt ingediend in de periode die ligt tussen vier weken voor de eerste dag waarop het aanvullend geboorteverlof wordt opgenomen en vier weken na de laatste dag, waarop het verlof is opgenomen.
  6. Gedurende het aanvullend geboorteverlof blijft de werknemer vakantie-uren opbouwen.

Artikel 17 Kortdurend zorgverlof (artikel 4.21 CAO en artikel 5:1 Wazo e.v.)

  1. 1. De werknemer heeft recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:
    a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
    b. kind (stief- of pleegkinderen daaronder begrepen);
    c. ouders, grootouders, broer/zus, kleinkinderen;
    d. degene die, zonder dat er sprake is van een arbeidsrelatie, deel uitmaakt van de huishouding van de werknemer; of
    e. degene met wie de werknemer een aantoonbare sociale relatie heeft, voor zover de te verlenen verzorging rechtstreeks voortvloeit uit die relatie en redelijkerwijs door de werknemer moet worden verleend.
  2. Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden ten hoogste twee maal de arbeidsduur per week. De periode van twaalf maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten. Gedurende deze periode behoudt de werknemer recht op 70 procent van zijn bezoldiging, maar ten minste het wettelijk minimumloon en ten hoogste 70 procent van het maximum dagloon als bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Wet Financiering sociale verzekeringen.
  3. De werknemer meldt vooraf, onder opgave van reden, dat hij kortdurend zorgverlof opneemt. Bij die melding geeft de werknemer ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het zorgverlof aan.
  4. Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de werkgever aan de werknemer kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van het verlof of de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang heeft, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Artikel 18 Langdurend zorgverlof (artikel 5:9 Wazo e.v.)

  1. De werknemer heeft recht op verlof voor de verzorging in verband met een levensbedreigende ziekte of noodzakelijke verzorging in verband met ziekte of hulpbehoevendheid van:
    a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
    b. kind (stief- of pleegkinderen daaronder begrepen);
    c. ouders, grootouders, broer/zus, kleinkinderen;
    d. degene die, zonder dat er sprake is van een arbeidsrelatie, deel uitmaakt van de huishouding van de werknemer;
    e. degene met wie de werknemer een aantoonbare sociale relatie heeft, voor zover de te verlenen verzorging rechtstreeks voortvloeit uit die relatie en redelijkerwijs door de werknemer moet worden verleend.
  2. Het verlof is zonder behoud van bezoldiging en bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden ten hoogste zesmaal de arbeidsduur per week. De periode van twaalf maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten.
  3. De werknemer dient het verzoek om verlof ten minste twee weken vóór het beoogde tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk in bij de werkgever onder opgave van de reden, de persoon die verzorging behoeft, het tijdstip van ingang, de omvang, de voorgenomen duur van het verlof en de spreiding van de uren over de week of het anderszins overeengekomen tijdvak.
  4. De werkgever willigt het verzoek om verlof van de werknemer in, tenzij hij tegen het opnemen van het verlof een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
  5. Indien de werkgever overweegt het verzoek om verlof niet of niet geheel in te willigen, pleegt hij overleg met de werknemer over diens verzoek. De beslissing op het verzoek om verlof wordt door de werkgever schriftelijk aan de werknemer medegedeeld. Indien de werkgever het verzoek niet of niet geheel inwilligt, wordt dit onder opgave van redenen aan de werknemer medegedeeld.
  6. Het langdurend zorgverlof eindigt na afloop van de periode waarvoor het zorgverlof is verleend. Als voor die tijd de persoon die levensbedreigend ziek is overlijdt of als de omstandigheid genoemd in lid 1 zich niet meer voordoet, eindigt het zorgverlof met ingang van de dag na die waarop deze omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel 19 Vakbondsverlof

  1. Indien de werknemer lid is van de werknemersorganisatie FNV, AC/FBZ, CNV Overheid of AOb, kan hem buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging worden verleend voor het bijwonen van vergaderingen, (kader)activiteiten en cursussen in het kader van zijn lidmaatschap, mits het dienstbelang zich hiertegen niet verzet.
  2. Indien de werknemer bestuurslid is van de werknemersorganisatie FNV, AC/FBZ, CNV Overheid of AOb, wordt hem buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen, (kader)activiteiten en cursussen uit hoofd van deze functie, mits het dienstbelang zich hiertegen niet verzet.

Artikel 20 Buitengewoon verlof politieke functies

  1. Aan de werknemer die een parttime politieke functie verricht in een gemeenteraad, Provinciale Staten, Eerste Kamer der Staten-Generaal of commissies uit deze organen, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen op grond van artikel 7:643 BW. Dit geldt eveneens voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden, indien die niet in vrije tijd kan geschieden.
  2. Indien de werknemer voor de in lid 1 genoemde activiteiten een vaste vergoeding ontvangt, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast voor de tijd dat hij vanwege verlof afwezig is. De inhouding mag niet meer bedragen dan hetgeen hij als vergoeding ontvangt.
  3. Aan de werknemer die een fulltime politieke functie verricht als wethouder, lid van Gedeputeerde Staten of de Tweede Kamer der Staten Generaal, wordt buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend. Zijn dienstverband blijft bestaan, terwijl hij uit zijn functie wordt ontheven.
  4. Voor fulltime politieke functies wordt slechts voor één zittingstermijn buitengewoon verlof verleend. Na deze zittingstermijn heeft de werkgever een inspanningsverplichting tot plaatsing in een passende functie, tenzij de werknemer kiest voor een tweede zittingstermijn. In dat geval wordt hij geacht met onmiddellijke ingang een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend.

Artikel 21 Transitieverlof

 

  1. Een werknemer die in gendertransitie is of gaat, heeft met ingang van 1 augustus 2023 gedurende het dienstverband bij één van de universiteiten per kalenderjaar recht op maximaal 2 weken transitieverlof met behoud van bezoldiging voor de benodigde medische en niet-medische behandelingen en eventuele hersteltijd zonder zich ziek te hoeven melden. Als de werknemer als gevolg van een medische behandeling (bijvoorbeeld chirurgische ingreep) arbeidsongeschikt wordt, is sprake van verlof vanaf de eerste dag van deze arbeidsongeschiktheid. 
  2. De werknemer kan het maximum aan transitieverlof in delen opnemen. De werknemer meldt het opnemen van het transitieverlof schriftelijk bij de werkgever ten minste acht weken voor ingang van het verlof, onder opgave van de omvang van het verlof, de vermoedelijke duur van het verlof, vergezeld van een verklaring van een geregistreerde behandelend arts, tijdstip van ingang en wanneer van toepassing de spreiding van de uren over de week. Indien dit niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk. De werkgever willigt het verzoek om opname van het transitieverlof in. 
  3. Deze regeling geldt tot de datum waarop het transitieverlof wettelijk is geregeld, doch uiterlijk tot 1 januari 2026. Op het moment dat het wettelijk geregelde transitieverlof van kracht wordt, vervalt dit artikel uit de CAO-NU en treden cao-partijen in overleg om te kijken of nadere afspraken nodig zijn.

Artikel 22 Aanvullend buitengewoon verlof

De werkgever kan de werknemer op zijn verzoek in geval van bijzondere omstandigheden aanvullend buitengewoon verlof verlenen. De werkgever bepaalt of dit verlof al dan niet met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging wordt verleend en kan daaraan voorwaarden stellen.

Slotbepalingen

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze ‘Vakantie- en verlofregeling Radboud Universiteit, treedt in werking met ingang van 1 augustus 2022.

Toelichting vakantie- en verlofregeling Radboud Universiteit

Deze regeling geeft nadere invulling aan de regels met betrekking tot vakantie en verlof zoals bedoeld in de CAO-NU.

1. Vakantie

Volgens de CAO-NU hebben werknemers van universiteiten met een standaard werkduur van 38 uur per week recht op 232 vakantie-uren per kalenderjaar. De CAO-NU werkt echter met het systeem van een flexibele werkduur. Bij deelname aan de plusvariant ontvangt de werknemer 96 compensatieuren. Bij deelname aan de minvariant levert de werknemer 96 vakantie-uren in. Dit volgt uit de Regeling Flexibele Werkduur Radboud Universiteit.

Indien de werknemer meer dan 80 vakantie-uren (naar rato van het dienstverband) overhevelt naar het volgende kalenderjaar zonder een schriftelijk afspraak, dan verliest hij zijn recht op deelname aan de plusvariant van de flexibele werkduur. De leidinggevende kan dan bepalen dat voor het komende kalenderjaar (of zolang aan eind van het voorgaande kalenderjaar meer dan 80 uren aan vakantietegoed overblijven) de standaard werkduur van 38 uur van toepassing is met 232 vakantieuren op fulltime basis. Verder zijn in artikel 6 de bepalingen uit de CAO overgenomen gericht op het voorkomen van vakantiestuwmeren. Uitgangspunt is en blijft echter dat de werknemer (in het kader van goed werknemerschap) de vakantie opneemt in het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Indien de werknemer zijn totale vakantietegoed in een jaar niet in zijn geheel opneemt, maakt hij, ter voorkoming van vakantiestuwmeren, afspraken met zijn leidinggevende over hoe het tegoed op andere wijze wordt opgenomen. Maakt de werknemer die afspraak niet, dan mag de werkgever tijdstippen vaststellen waarop de werknemer zijn vakantie-uren zal opnemen. De wettelijke vakantie-uren die worden overgeheveld naar het volgende jaar, vervallen 6 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Dit betekent dat de werknemer minimaal zijn wettelijke vakantie-uren in deze 6 maanden moet opnemen. Doet hij dit niet (tijdig), dan worden deze vakantie-uren alsnog afgeboekt, tenzij de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie-uren op te nemen. Het moet daarbij gaan om medische redenen of andere bijzondere omstandigheden. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij een langdurig zieke werknemer die gedurende die periode geheel is vrijgesteld van verplichtingen tot re-integratie. Gedacht moet dus worden aan een werknemer die te ziek is om te re-integreren. Bij andere bijzondere omstandigheden moet worden gedacht aan de situatie dat een werknemer door toedoen van de werkgever zijn minimum vakantie-uren niet heeft kunnen opnemen. Voor deze vakantie-uren is dan de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing. De bovenwettelijke vakantie-uren verjaren eveneens na 5 jaren.

De werknemer, die geheel dan wel gedeeltelijk ziek is, blijft gedurende zijn ziekte vakantie-uren opbouwen. Dit is opgenomen in artikel 5 van deze vakantieregeling. Hierbij wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen geheel of gedeeltelijke afwezigheid wegens ziekte van de werknemer. In artikel 7 is vervolgens de wettelijke bepaling opgenomen dat van de zieke werknemer die op vakantie gaat, vakantie-uren worden afgeboekt met inachtneming van zijn overeengekomen arbeidsduur per dag. Dit geldt dan ook ongeacht of de werknemer geheel of gedeeltelijk ziek is.

2. Verlof

Zwangerschaps- en bevallingsverlof

De werknemer heeft recht op ten minste 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. De werknemer kan zelf de aanvangsdatum van het zwangerschapsverlof bepalen. Er bestaat recht op verlof vanaf 6 weken voor de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum met als uiterste datum 4 weken voor deze dag. Het bevallingsverlof bedraagt ten minste 10 weken.

Als de werknemer zwanger is van een meerling heeft zij recht op ten minste 20 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. Er bestaat recht op verlof vanaf 10 weken voor de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum met als uiterste datum 8 weken voor deze dag. Het bevallingsverlof bedraagt ten minste 10 weken.

Het bevallingsverlof wordt verlengd met het aantal opnamedagen van het kind in het ziekenhuis als de ziekenhuisopname langer duurt dan 7 dagen. De verlenging bedraagt maximaal 10 weken. De drempel van 7 dagen geldt niet per opname. Indien bij meerdere opnames gedurende het bevallingsverlof het totale aantal opnamedagen meer is dan 7, is daarmee de drempel overschreden. De verlenging van het bevallingsverlof is alleen aan de orde als de opname heeft plaatsgevonden vanwege medische redenen van het kind (en niet van de moeder). Een andere voorwaarde om in aanmerking te komen voor de verlenging is dat de ziekenhuisopname langer duurt dan een eventuele verlenging van het bevallingsverlof, omdat er minder zwangerschapsverlof is opgenomen dan de 6 weken (bij een meerling 10 weken).

Voorbeeld: Als het zwangerschapsverlof slechts 4 weken heeft geduurd en daarmee het bevallingsverlof niet 10 weken, maar 12 weken duurt, zal de ziekenhuisopname van het kind minimaal 2 weken moeten duren voordat er een verlenging van het bevallingsverlof plaatsvindt vanwege die ziekenhuisopname.

Na 6 weken bevallingsverlof kan de resterende periode van dat verlof binnen een tijdvak van 30 weken flexibel worden ingezet. Het verlof hoeft hierdoor niet volledig in één keer te worden opgenomen, maar kan ook in deeltijd worden opgenomen.

Ouderschapsverlof

In de CAO is bepaald dat de werknemer die recht heeft op ouderschapsverlof op grond van de Wet arbeid en zorg in aanmerking komt voor gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof gedurende 13 weken. Tijdens het gedeeltelijk doorbetaald verlof vindt alleen opbouw van de wettelijke vakantie-uren plaats over de uren van het ouderschapsverlof.

De totale duur van het betaald en onbetaald ouderschapsverlof is 26 weken.

Per 2 augustus 2022 geldt aangepaste wetgeving op het gebied van gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof. Naar aanleiding daarvan hebben CAO-partijen afgesproken de universitaire regeling voor gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof met ingang van 1 augustus 2022 als volgt aan te passen:

  1. Met ingang van 1 augustus 2022 wordt het percentage van doorbetaling van de bezoldiging over maximaal dertien maal de arbeidsduur per week gedurende het eerste levensjaar van het kind verhoogd naar 70% van de bezoldiging, onder verrekening van de wettelijke uitkering betaald ouderschapsverlof van het UWV. De overige voorwaarden van de universitaire regeling blijven gelden. Dat betekent voor een eventueel resterende deel (of het totaal van de 13 weken) dat opgenomen wordt na het eerste levensjaar van het kind een doorbetaling van 62,5% van de bezoldiging. Voor een eventueel resterend deel van al voor 1 augustus 2022 opgenomen gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof in het eerste levensjaar van het kind geldt vanaf 1 augustus 2022 het percentage van 70%.
  2. De voorwaarde in de huidige regeling dat er pas recht is op gedeeltelijke doorbetaling van het ouderschapsverlof na een dienstverband van een jaar vervalt met ingang van 1 augustus 2022. De voorwaarde dat er geen recht is op gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof als er al ouderschapsverlof bij een andere werkgever is opgenomen vervalt eveneens met ingang van 1 augustus 2022. Deze voorwaarde wordt vervangen door een bepaling waarin de daar al genoten weken worden verrekend.
  3. De terugbetalingsregeling vervalt per 1 augustus 2022. Dit betekent dat er geen terugbetalingsverplichting meer geldt voor werknemers die vanaf 1 augustus 2022 uit dienst treden.

Voor de aanvraag van een uitkering bij het UWV voor gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof krachtens de Wet arbeid en zorg is het volgende van belang: Het aantal uren gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof dat een werknemer opneemt, moet een veelvoud zijn van de uren die de werknemer per week werkt. 

Aanvullend geboorteverlof

Voor de aanvraag van een uitkering voor aanvullend geboorteverlof bij het UWV krachtens de Wet arbeid en zorg is het volgende van belang:

Het aantal uren aanvullend geboorteverlof dat een werknemer opneemt, moet een veelvoud zijn van de uren die de werknemer per week werkt, met een maximum van 5 weken. Werkt de werknemer bijvoorbeeld 32 uur, dan is het mogelijk om 32 uur, 64 uur, 96 uur, 128 uur of 160 uur op te nemen. Het is niet mogelijk om een aanvraag te wijzigen nadat deze is ingediend bij het UWV. Aanvullend geboorteverlof mag maar één keer aangevraagd worden bij het UWV.

In het geval de werknemer een verzoek indient om het aanvullend geboorteverlof niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van onvoorziene omstandigheden, stemt de werkgever hiermee in tenzij er sprake is van zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.

Rouwverlof

De leidinggevende en de werknemer treden in overleg over omvang, duur en invulling van het rouwverlof. Omdat elk individu een verlies op een eigen manier verwerkt kunnen nadere maatregelen nodig zijn. De éne werknemer wil zijn werk zo spoedig mogelijk hervatten, terwijl een andere werknemer meer tijd nodig heeft voor de rouwverwerking en nog niet is staat is om het werk te hervatten. De Vakantie- en verlofregeling Radboud Universiteit biedt in dat verband de mogelijkheid om aanvullend buitengewoon verlof te verlenen, al dan niet met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging. Het gaat hierbij altijd om toepassing van maatwerk. 

Mocht de werknemer na verloop van tijd de werkzaamheden nog niet kunnen hervatten dan is het raadzaam bedrijfsmaatschappelijk werk, de bedrijfsarts of de campuspsycholoog in te schakelen voor advies hoe te handelen. In het éne geval zal mogelijk aanvullend buitengewoon verlof dienen te worden verleend terwijl in een ander geval arbeidsongeschiktheid om medische redenen kan zijn ontstaan.