Gids voor inclusief taalgebruik op de Radboud Universiteit

Als je schrijft, wil je jouw boodschap zo goed mogelijk overbrengen op je lezers. Inclusieve taal draagt bij aan dit doel. Het gebruik van inclusieve taal past ook in het streven van de Radboud Universiteit om een veilige, inclusieve academische gemeenschap te zijn die diversiteit, gelijkheid en inclusie omarmt en bevordert (zie ook het DEI-plan). 

Deze gids is bedoeld als hulpmiddel om je bewust te worden van de impact die taal kan hebben. Je vindt hier voorbeelden en tips voor inclusieve taal. De gids focust op geschreven taal, maar is ook te gebruiken bij gesproken taal.

1. Maak informatie toegankelijk

Mensen nemen informatie op verschillende manieren op. Tekst is niet altijd de beste manier om te communiceren. Combineer je tekst met afbeeldingen, video's en spraak. Zorg ervoor dat je boodschap voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met dyslexie of een auditieve of visuele beperking. Je kunt ondertitels, bijschriften en vertalingen toevoegen aan video's, beschrijvingen ('alt-tekst') aan afbeeldingen en transcripties aan audiobestanden. Controleer bij het gebruik van beeldmateriaal of de kleuren voldoende contrastrijk zijn. Kijk op deze website over webtoegankelijkheid voor meer tips.

2. Pas de complexiteit van je taal aan 

Schrijf vanuit je lezers. Pas de complexiteit van het taalgebruik aan op het taalniveau en de behoeften van die lezers. Soms is het goed om complexere taal te gebruiken. Zo wordt in academische communicatie een ander niveau verwacht dan voor een bericht op Instagram. Schrijf je voor een breed, algemeen publiek, vermijd dan lange complexe zinnen met moeilijke woorden of specialistisch taalgebruik. Taalniveau B1 is een goede richtlijn voor de meeste talen. De overgrote meerderheid van de bevolking begrijpt teksten op dit niveau en verkiest dit boven het lezen van een onnodig complexe tekst. Bij schrijven op niveau B1 gebruik je:

  • duidelijke koppen en tussenkoppen;
  • korte zinnen;
  • signaalwoorden: De aarde warmt op. Daarom is het…
  • actieve zinnen: de commissie bepaalt en niet Er wordt door de commissie bepaald;
  • bekende woorden: tegengesteld in plaats van ambivalent.

3. Benoem geen irrelevante aspecten van iemands identiteit

Als het niet nodig is, beschrijf dan niet iemands gender, kleur, geloofsovertuiging, seksuele oriëntatie, generatie/leeftijd, geestelijke of lichamelijke beperking, opleidingsniveau of sociaaleconomische status. 

In de zin De islamitische kandidaat Humza Yousef kreeg meer stemmen dan Kate Forbes, is de islamitische geloofsovertuiging van Yousef niet relevant. 

Als je wel iets toevoegt over iemands identiteit, ga dan na of dit inclusief is door het om te draaien. Zou je in bovenstaand voorbeeld ook de christelijke Kate Forbes schrijven?

4. Zet een persoon en niet een kenmerk centraal 

Als het wél relevant is om een kenmerk van iemand te vermelden, probeer dan people first language te gebruiken. Dus: een persoon met autisme in plaats van een autist. Onderzoek heeft namelijk aangetoond dat het gebruik van een zelfstandig naamwoord leidt tot meer stereotypering.

In plaats van:Kun je gebruiken:
Een transgenderEen trans vrouw/man/persoon
Een gehandicapteEen persoon met een beperking
Een autistEen persoon met autisme
Een dementerendeEen persoon met dementie

Vermijd eufemismen zoals een persoon met een fysieke uitdaging. Die zijn niet altijd duidelijk.

5. Vermijd asymmetrisch taalgebruik

Asymmetrisch taalgebruik is taalgebruik waarbij dezelfde informatie voor verschillende mensen anders wordt gelabeld, zoals een vrouwelijke elektricien en een zwarte acteur. Vraag je altijd af of je ook de tegenpool zou benoemen, zoals mannelijke elektricien of witte acteur. Asymmetrisch is ook, wanneer het bijvoorbeeld gaat om zelfverzekerde mensen, vrouwen worden omschreven als bitchy en mannen als daadkrachtig.

6. Vermijd ‘othering’

Medewerkers uit andere culturen brengen een organisatie veel voordelen is een voorbeeld van 'othering'. Een hele groep mensen wordt beschreven als 'de ander', en het is onduidelijk waarmee die wordt vergeleken (een andere cultuur dan …?). Othering bevat meestal normativiteit. Zo impliceert mensen met een andere moedertaal dat Nederlands de norm is. Wees je bewust van othering in je taalgebruik en vraag je af of je een preciezere, inclusieve beschrijving kunt gebruiken. In deze voorbeelden zou je kunnen zeggen: 

Mensen uit diverse culturen brengen een organisatie veel voordelen.

Mensen met een andere moedertaal dan het Nederlands.

7. Streef naar genderinclusieve taal

Iedereen wordt graag correct aangesproken. Je kunt echter niet aan iemands naam of uiterlijk zien met welk gender iemand zich identificeert. Weet je het niet en kun je het niet vragen of opzoeken, gebruik dan neutrale aanspreekvormen zoals Beste collega of Beste lezer

Weet je voornaam of initialen maar niet het gender, dan kun je Beste Robin Jansen of Beste R. Jansen gebruiken in plaats van Beste heer/mevrouw Jansen.

Als je een groep mensen aanspreekt of aanschrijft met dames en heren, sluit je non-binaire en genderqueer mensen uit. In plaats daarvan kun je neutrale vormen gebruiken, zoals beste studenten, geachte aanwezigen of beste lezer.  

Wees altijd kritisch of het nodig is om naar iemands gender te vragen, bijvoorbeeld bij het gebruik van formulieren. Vaak heb je deze informatie niet nodig en is het beter om er niet naar te vragen, ook vanuit privacy-oogpunt. Heb je deze informatie toch nodig, neem dan naast de opties voor man en vrouw ook een open veld-optie en de zeg ik liever niet-optie op.

Je ziet steeds vaker dat mensen hun voornaamwoorden vermelden op LinkedIn en in hun e-mailhandtekening, zoals zij/haar, hij/hem of hen/hun. We raden je aan dit ook te doen, zodat mensen weten welke voornaamwoorden jij gebruikt. 

Kijk naar deze zin:

We spreken van een te hoge werkdruk als die het functioneren van een hoogleraar in zijn werk- of privésituatie aantast. Deze zin heeft betrekking op hoogleraren in het algemeen, maar het woord zijn maakt dat lastig. Dit kun je ook niet oplossen met zijn/haar, want dat sluit non-binaire en genderqueer mensen uit. De volgende oplossingen zijn genderinclusief:

Meervoud: hoogleraren in hun werk- of privésituatie

Geen bezittelijk voornaamwoord: hoogleraar in de werk- of privésituatie

Neutraal voornaamwoord ‘diens’: hoogleraar in diens werk- of privésituatie

Veel woorden in het Nederlands zijn verdeeld in mannelijke en vrouwelijke vormen, zoals vader en moeder, jongens, man of vriendin. Praat of schrijf je niet over specifieke personen, dan kun je neutrale termen gebruiken zoals ouder, vrienden, mensen of partner. 

Functies en beroepen

Veel woorden voor beroepen en functies hebben een mannelijke vorm zoals ombudsman, topman of timmerman, ook al worden deze beroepen door allerlei mensen uitgeoefend. Ook hier kunnen neutrale alternatieven worden gebruikt, zoals ombudspersoon of CEO. Termen als coach en docent worden al als neutraal beschouwd, evenals directeur en teamleider.

In sommige gevallen bestaan er twee woorden voor een functie of beroep: een neutrale/mannelijke vorm en een vrouwelijke vorm, bijvoorbeeld leraar/lerares en alumnus/alumna. De neutrale vorm wordt aanbevolen. Hoe meer we neutrale vormen voor iedereen gebruiken, hoe minder we deze zullen associëren met een bepaald gender. Dit bevordert op termijn genderinclusief taalgebruik. 

Wees je bewust dat bepaalde woorden en uitdrukkingen verwijzen naar het mannelijke gender, zoals in bemanning en je vermannen. Er zijn mensen die zich hieraan storen. Als alternatief kun je neutrale synoniemen gebruiken, zoals bemensing en moed houden.

8. Gebruik diverse afbeeldingen

Probeer neutrale of diverse beelden te gebruiken, zodat zoveel mogelijk mensen zich herkennen, zich welkom voelen en aangesproken worden. Gebruik bijvoorbeeld niet altijd een gezin met een vader, moeder en twee kinderen. 

Onze taal en samenleving veranderen voortdurend. Daarom zijn deze richtlijnen niet in steen gebeiteld. We leren en passen ze gaandeweg aan. Heb je opmerkingen, suggesties of verbeteringen, laat het ons weten via communicatie [at] ru.nl.

Deze gids is gemaakt door Radboud in'to Languages in samenwerking met de afdeling Corporate Communicatie van de Radboud Universiteit en de Diversity, Equity & Inclusion Office.