In dat onderzoek doet ze een bijzondere ontdekking. Lang werd namelijk aangenomen dat Byzantijnen, de bewoners van het Oost-Romeinse Rijk, in het algemeen een negatieve houding hadden ten opzichte van reizen. Daardoor zouden met name monniken in de negende en tiende eeuw in hun klooster moeten blijven. Dit vanwege een ideaal van immobiliteit, ook wel ‘stabilitas loci’ geheten. Een nieuwe bestudering van de bronnen werpt nu een ander licht op de zaak. ‘De bronnen die dat ideaal aantoonden, blijken lang niet zo eenduidig als gedacht en zijn daarnaast context-afhankelijk’, legt Jacobs uit. ‘Daardoor kun je stellen dat in het Byzantijnse Rijk niet één en hetzelfde ideaal over reizen bestond: ik zag daar in de bronnen meer verschillen over dan overeenkomsten.’
Genuanceerd beeld
Jacobs bestudeerde onder andere verschillende biografieën van Byzantijnse monniken die in de genoemde periode juist wél reislustig waren. Zulke biografieën van monniken worden ook wel ‘heiligenlevens’ genoemd. Daarnaast onderzocht ze diverse andere bronnen, waardoor ze het nieuwe inzicht kreeg dat het lang aangenomen ideaal van immobiliteit genuanceerd dient te worden. ‘Neem de regels van bisschop Basilius van Caesarrea’, legt ze uit. ‘Hij pleitte ervoor dat monniken bij elkaar moesten blijven vanwege loyaliteit. Op basis van nieuwe inzichten blijkt dat hij niet zo zeer aandrong op een fysieke immobiliteit, maar op gemeenschapsvorming. Dit betekende dat monniken wel degelijk konden reizen, zolang ze maar terug zouden keren.’
Een andere dubieuze onderbouwing van het immobiliteitsideaal was volgens Jacobs het Concilie van Chalcedon: kerkelijke bepalingen, geschreven door bisschoppen in de vijfde eeuw. ‘Daarin hebben de bisschoppen hun eigen autoriteit als spirituele leiders proberen af te bakenen door de bevoegdheden van monniken te beperken. Als je goed tussen de regels leest, hield dit niet in dat monniken fysiek in hun bewegingsruimte belemmerd werden: ze hadden gewoon de mogelijkheid om te reizen, zolang ze maar toestemming hadden van de bisschop en zich niet bemoeiden met de kerk en de staat. Later, in de zesde eeuw, kwamen nog de wetten van Justinianus, waardoor monniken om te reizen toestemming moesten vragen aan de abt, het hoofd van het klooster. Maar uit een nadere bestudering van de bronnen blijkt dat die wetten in praktijk toch veel reisruimte boden.’
De lang geldende overtuiging dat er voor Byzantijnse monniken een immobiliteitsideaal bestond, is volgens Jacobs echter wel verklaarbaar. ‘Dat ideaal zou namelijk wel hebben gegolden in het Benedictijns kloosterleven, dat erg invloedrijk was in het westen van Europa. Vervolgens is dat ideaal eveneens op de oostelijke context geprojecteerd, waarschijnlijk zijn er bronnen bij gezocht om het ook voor het oosten te onderbouwen.’
Positief instrument en vrees
Hoewel er in de negende en tiende eeuw binnen het Byzantijnse Rijk veel discussie over reizen bestond, hadden de reizen van reislustige monniken wel een functie. Althans, dat blijkt volgens Jacobs uit de verhalen in hun heiligenlevens. ‘Zo worden bij twee monniken de reizen als positief instrument gepresenteerd om zich spiritueel te ontwikkelen. Door zich tijdens de reis af te zonderen van de gemeenschap, konden zij dichterbij God komen en daarna weer terugkeren naar de gemeenschap om advies te geven. In een ander heiligenleven werd enorm benadrukt dat de spirituele rust, die een monnik dient te hebben, niet door het vele reizen werd beïnvloed. Waarschijnlijk is dit zo beklemtoond om te voorkomen dat het publiek zou denken dat het reizen wel een probleem voor de innerlijke rust van de monnik vormde. In hetzelfde heiligenleven staat benadrukt waarom het goed is om op pelgrimage te gaan, ondanks de overtuiging dat God overal is en dus niet op een specifieke plek gezocht hoeft te worden. Blijkbaar voelde de auteur van het heiligenleven het belang om bij het publiek de weerstand tegen pelgrimage weg te nemen.’
Beter begrijpen
Verder concludeert Jacobs in haar onderzoek dat in de heiligenlevens van reislustige monniken het reisgedrag als niet-standaardverhaalelement wordt ingezet. ’Normaal gesproken vertellen heiligenlevens het verhaal van een monnik aan de hand van een soort standaard-template, met bijvoorbeeld beschrijvingen over de deugdzaamheid van de ouders, de zoektocht naar een leermeester en voorspellingen. In de heiligenlevens van reislustige monniken gebruiken de auteurs echter meer vrijheden om te benadrukken welke rol de reis van de monnik speelt in diens spirituele ontwikkeling.’
Al met al laten de nieuwe inzichten volgens Jacobs zien dat mensen ook binnen het Byzantijnse Rijk in de negende en tiende eeuw het niet altijd al over het reisgedrag met elkaar eens waren. ‘Tegenwoordig denken we als mensen zeer divers over reizen, dat was in die tijd dus ook al het geval. Andersom gebeurt het nu weer regelmatig dat we als mensen op reis gaan om innerlijke rust te vinden, denk aan retraites en de camino naar Santiago de Compostella. Door al die gelijkenissen kunnen we het heden gebruiken om het verleden beter te begrijpen.’
Foto: Raimond Klavins via Unsplash