Tentenkamp demonstratie Radboud Universiteit
Tentenkamp demonstratie Radboud Universiteit

Studentenprotesten door de jaren heen: ‘Geen tenten, wel ultimatums’

Spandoeken, lezingen, bezette gebouwen en gescandeerde leuzen. De huidige pro-Palestijnse studentenprotesten op universiteiten zijn al weken aan de gang. Universiteitshistoricus Jan Brabers van de Radboud Universiteit ziet verschillen en overeenkomsten met protesten uit het verleden. ‘Studenten dragen nu eenmaal een belofte met zich mee.’

Oude tijden herleven. Waar studentenprotesten tegenwoordig tamelijk uniek lijken, waren ze rond 1970 aan de orde van de dag. ‘Dat uitte zich onder meer in de bezetting van verschillende universiteitsgebouwen’, blikt Brabers terug. ‘Maar een tentenkamp, zoals we dat nu zien, was er toen nog niet. Dat komt doordat er in die periode nog niet zoiets als een campus bestond. Zo waren in Nijmegen de verschillende universiteitsgebouwen ver van elkaar verwijderd. Tegenwoordig staan die gebouwen dichter bij elkaar, met grasvelden ertussen. Daardoor is er nu letterlijk ruimte om met tenten op een centrale plek te protesteren.’

Van medezeggenschap naar wereldthema’s 

Brabers haalt niet voor niets Nijmegen aan: de universiteit waar de eerste studenten in Nederland in protest kwamen door in oktober 1968, gedurende een dag, de universiteitsaula te bezetten. ‘Die protesten waren komen overwaaien uit grote buitenlandse steden, zoals Tokyo, Berlijn en Parijs’, legt Brabers uit. ‘Verschil met nu is dat die opstanden niet om kwesties van buiten de universiteit gingen. Waar de huidige protesten zich op het Gazaconflict richten, hadden de studenten van toen het doel om meer democratie binnen de universiteit te bereiken. Zij eisten medezeggenschap in allerlei zaken die met onderzoek en onderwijs te maken hadden. Na die eerste bezettingsdag in 1968 volgde er in het voorjaar van 1969 in Nijmegen een tweede bezetting, ditmaal van een aantal weken, toen de aula werd omgedoopt in een ‘permanent discussiecentrum’. Dat bleek in Nederland een opmaat te zijn naar de beroemd geworden studentenbezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, die in mei van datzelfde jaar door politie-ingrijpen werd beëindigd.’

Toch hadden die studentenprotesten succes: de Nederlandse overheid voerde in 1970 de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming in. Als gevolg daarvan kwamen op alle Nederlandse universiteiten universiteits- en faculteitsraden en vakgroepen, die verschillende bevoegdheden kregen en waarvoor studenten democratisch gekozen konden worden. In de praktijk ging die wijziging echter niet zonder slag of stoot: hoogleraren zeiden hun oude bevoegdheden niet zomaar op en niet alle nieuwe regels werden nageleefd. ‘Daaropvolgend ontstonden begin jaren zeventig her en der weer nieuwe studentenprotesten, toen studenten de benoeming van marxistische hoogleraren eisten’, gaat Brabers verder. ‘Dat bracht vooral bezettingen bij studies in de sociale wetenschappen teweeg, waaronder een grootschalige bezetting in Nijmegen van bijna vier maanden in het voorjaar van 1973. Daarnaast ontstonden vanuit de protesten sinds 1970 uiteenlopende socialistische studentenbonden, die opkwamen voor de linkse zaak, maar overigens vooral elkaar bestreden. Vanaf toen werden bij de universiteiten ook steeds vaker wereldthema’s naar binnen getrokken. Zo kwamen er bijvoorbeeld studentenprotestgroepen tegen dictaturen in Zuid-Amerika, tegen kernenergie en voor de kraakbeweging, de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen.’

De aula tijdens studentenprotesten in de jaren zestig

Verschillen en overeenkomsten

Kijkend naar de huidige protesten, ziet Brabers een aantal overeenkomsten en verschillen. ‘De protesten rond 1970 gingen over meerdere democratiseringsonderwerpen, de protesten van nu draaien vooralsnog om één issue: Gaza. Ook was de aanhang van destijds groter. Zo zaten bij de eerste bezettingen eind jaren zestig soms wel1500 studenten in de aula te vergaderen. Een overeenkomst met de huidige protesten is dat er duidelijk studenten zijn die de leiding nemen en dat er aan het universiteitsbestuur ultimatums worden gesteld. Een andere parallel met het verleden is dat er ook nu docenten zijn – wellicht meer dan toen – die zich bij de studentenprotesten aansluiten. Zij juichen het toe dat studenten actief zijn en met de wereld willen meedenken, zolang de protesten maar niet gepaard gaan met vernielingen.’

Voedingsbodem voor idealisme 

Volgens Brabers is het verklaarbaar dat studenten de drang hebben om de situatie in de wereld te verbeteren. ‘Studenten dragen nu eenmaal een belofte met zich mee: ze zijn jong, intelligent, willen iets met hun leven en met de wereld. Bovendien voelen zij aan dat ze de generatie zijn die in de toekomst grote verantwoordelijkheden krijgen. Dat besef zorgt voor een voedingsbodem, waaruit idealisme ontstaat. Net als nu hadden in de jaren zeventig bij de studentenprotesten vooral studenten sociale wetenschappen, theologie en filosofie de leiding: studies waarin mens- en maatschappijvisies richting gaven. Ten opzichte van andere studenten konden filosofen in de ideeënstrijd bijvoorbeeld het marxisme het best verwoorden, tot uiting brengen en er richting aan geven.’

Na een stroom van studentenprotesten in de jaren zeventig, namen deze begin jaren tachtig af. Een laatste grootschalig protest in die tijd was gericht tegen de invoering van de Tweefasenstructuur: een structurele inkorting van de studietijd. Na dat protest werd er af en toe nog kleinschalig geprotesteerd, zoals tegen de verhoging van collegegelden en tegen de plannen voor het opheffen van bepaalde studierichtingen. In de loop der jaren veranderde het studielandschap volgens Brabers flink: studenten hadden door de kortere studieduur minder tijd voor activiteiten buiten hun studie. 

Terugkijkend rijst de vraag of studenten met hun protesten altijd aan de ‘goede kant’ van de geschiedenis hebben gestaan. Brabers gaat daar niet in mee. ‘Door het over een goede kant van de geschiedenis te hebben, impliceer je automatisch dat er ook een slechte kant bestaat. Het gevaar van massale protesten vind ik dat een activistische groep ervoor pleit het morele gelijk aan hun zijde te hebben. Daarmee wordt elke nuance ontkend: een goed-fout schema voldoet namelijk nooit aan de beschrijving van de realiteit. Wat wel vaststaat, is dat de generatie studenten van 1970 met hun sociale betrokkenheid invloed op de samenleving heeft gehad. Denk aan de komst van rechtswinkels en medicijnenwinkels in de wijken. Daardoor kreeg iedere burger, zonder enige drempel, toegang tot rechtsbijstand en gezondheidszorg. Ook is de positie van vrouwen, mede door de studentenacties, verbeterd. Stuk voor stuk ideeën van toen die nu vanzelfsprekend zijn. Dat is, mede dankzij de inzet van studenten, bereikt.’

Ook de campus van de Radboud Universiteit is decor geworden voor de tentenkampen van het Gaza-protest. In een serie wetenschappelijke beschouwingen duidt Radboud Recharge de achtergronden van de oorlog. 

Contactinformatie

Thema
Actualiteiten, Demonstraties, Geschiedenis, Radboud toen en nu