Oude tijden herleven. Waar studentenprotesten tegenwoordig tamelijk uniek lijken, waren ze rond 1970 aan de orde van de dag. ‘Dat uitte zich onder meer in de bezetting van verschillende universiteitsgebouwen’, blikt Brabers terug. ‘Maar een tentenkamp, zoals we dat nu zien, was er toen nog niet. Dat komt doordat er in die periode nog niet zoiets als een campus bestond. Zo waren in Nijmegen de verschillende universiteitsgebouwen ver van elkaar verwijderd. Tegenwoordig staan die gebouwen dichter bij elkaar, met grasvelden ertussen. Daardoor is er nu letterlijk ruimte om met tenten op een centrale plek te protesteren.’
Van medezeggenschap naar wereldthema’s
Brabers haalt niet voor niets Nijmegen aan: de universiteit waar de eerste studenten in Nederland in protest kwamen door in oktober 1968, gedurende een dag, de universiteitsaula te bezetten. ‘Die protesten waren komen overwaaien uit grote buitenlandse steden, zoals Tokyo, Berlijn en Parijs’, legt Brabers uit. ‘Verschil met nu is dat die opstanden niet om kwesties van buiten de universiteit gingen. Waar de huidige protesten zich op het Gazaconflict richten, hadden de studenten van toen het doel om meer democratie binnen de universiteit te bereiken. Zij eisten medezeggenschap in allerlei zaken die met onderzoek en onderwijs te maken hadden. Na die eerste bezettingsdag in 1968 volgde er in het voorjaar van 1969 in Nijmegen een tweede bezetting, ditmaal van een aantal weken, toen de aula werd omgedoopt in een ‘permanent discussiecentrum’. Dat bleek in Nederland een opmaat te zijn naar de beroemd geworden studentenbezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, die in mei van datzelfde jaar door politie-ingrijpen werd beëindigd.’
Toch hadden die studentenprotesten succes: de Nederlandse overheid voerde in 1970 de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming in. Als gevolg daarvan kwamen op alle Nederlandse universiteiten universiteits- en faculteitsraden en vakgroepen, die verschillende bevoegdheden kregen en waarvoor studenten democratisch gekozen konden worden. In de praktijk ging die wijziging echter niet zonder slag of stoot: hoogleraren zeiden hun oude bevoegdheden niet zomaar op en niet alle nieuwe regels werden nageleefd. ‘Daaropvolgend ontstonden begin jaren zeventig her en der weer nieuwe studentenprotesten, toen studenten de benoeming van marxistische hoogleraren eisten’, gaat Brabers verder. ‘Dat bracht vooral bezettingen bij studies in de sociale wetenschappen teweeg, waaronder een grootschalige bezetting in Nijmegen van bijna vier maanden in het voorjaar van 1973. Daarnaast ontstonden vanuit de protesten sinds 1970 uiteenlopende socialistische studentenbonden, die opkwamen voor de linkse zaak, maar overigens vooral elkaar bestreden. Vanaf toen werden bij de universiteiten ook steeds vaker wereldthema’s naar binnen getrokken. Zo kwamen er bijvoorbeeld studentenprotestgroepen tegen dictaturen in Zuid-Amerika, tegen kernenergie en voor de kraakbeweging, de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen.’