Biodiversiteit op de campus
Biodiversiteit op de campus

Waarom we beter af zijn zonder strak gemaaide bermen en keurig aangeharkte tuintjes

Je kan er niet omheen, soms letterlijk: het leek dit voorjaar te wemelen van de naaktslakken. Tegelijkertijd zie je de laatste jaren steeds minder vlinders en bijen vliegen. Ecoloog Constant Swinkels vertelt hoe het komt dat diersoorten goede en slechte jaren beleven, wanneer we ons zorgen moeten maken over een soort en hoe mensen een handje kunnen helpen. ‘Laten we leren schoonheid te zien in rommeligheid.’

‘Het warme, natte weer maakte dit jaar perfect voor de naaktslak’, legt Swinkels uit. ‘Bovendien gaat het niet goed met de egel, een van de natuurlijke vijanden van de naaktslak.’ In de relatie tussen prooien en predators zoals die tussen de egel en de naaktslak, of bekender tussen uilen en muizen, is een patroon te zien. ‘Wanneer de prooi in aantal toeneemt, zorgt dat ervoor dat de predator ook in aantal zal toenemen. Wanneer de prooi na verloop van tijd afneemt in aantal, bijvoorbeeld doordat ze door de predator worden opgegeten, zal de predator ook in aantal gaan afnemen.’

Op basis van dit patroon is het logisch dat er het ene jaar meer dieren van een soort zijn dan het andere jaar. ‘Helaas zijn er een aantal onvoorspelbare factoren die dit patroon verstoren, vertelt Swinkels. ‘Denk aan extreem warm weer of juist heel veel regen, maar ook aan stikstofdepositie en het gebruik van pesticiden. Het zorgt allemaal voor minder leefbare gebieden voor dieren, zoals vlinders, bijen en zweefvliegen.’

test

Woestijnvorming of blauwalgexplosies

Hoewel de natuur veerkrachtig is en diersoorten goed kunnen herstellen van een of enkele slechte jaren, kunnen ze niet structureel opboksen tegen de uitholling van hun leefomgeving. Daardoor kan een diersoort in een bepaald gebied tijdelijk of definitief verdwijnen. ‘Dit hangt af van de samenstelling van de metapopulatie. Het totale netwerk van groepen populaties in een bepaald gebied.’ 

Wanneer een soort op één plek verdwijnt is dat geen probleem, want vanuit andere plekken kan de soort op een later moment weer op die plek opduiken. ‘Maar als een soort achter elkaar op meerdere plekken verdwijnt en de soort nog maar in een paar gebieden kan leven, wordt de situatie riskant. Er is dan geen reservoir dat kan compenseren en een slecht jaar kan de diersoort dan fataal worden.’

Als mens kun je misschien denken: “wat maakt het nou uit of zo’n minidiertje verdwijnt?” Swinkels: ‘Mijn promotor zegt altijd: “je kan ook zonder pink, maar zou je daarom je pink afhakken?”. Je kunt nog veel meer lichaamsdelen missen zoals, vingers, tenen en misschien een oor, maar na een tijdje red je het niet meer.’ Voor natuur geldt hetzelfde. Als er te weinig planten en dieren in een omgeving zijn, stort het hele systeem in. Het gevolg? ‘Denk aan woestijnvorming of dichter bij huis blauwalgexplosies in meren. Je kan ervoor kiezen om dat punt actief op te zoeken, maar je blijft het liever voor.’

Om het tij te keren zijn structurele aanpassingen nodig, bijvoorbeeld maatregelen die het pesticidengebruik en de stikstofdepositie verlagen. Tegelijkertijd kun je als individu of als organisatie het nodige doen om in jouw leefomgeving de biodiversiteit te stimuleren en zo de druk op diersoorten te verlagen. ‘Door de bloemen en planten in je tuin of balkon de ruimte te geven om te bloeien, creëer je een aantrekkelijk klimaat voor allerlei diertjes.’ Op grotere schaal kan dit natuurlijk ook, bijvoorbeeld op dijken of bermen. ‘Zoals wij over wegen rijden om van A naar B te komen, vormen dijken en bermen verbindingsroutes voor veel insecten. Bovendien zorgen bloemrijke dijken niet alleen voor meer biodiversiteit, maar ook voor stevigere dijken.’

Ecologisch experiment

In zijn eigen tuin houdt Swinkels naar eigen zeggen een ecologisch experiment. ‘Inheemse bloemen en planten krijgen volop ruimte en ik heb de afvoer zo aangepast dat regenwater niet in het riool komt, maar direct in de tuin. Daar heb ik een wadi, een soort greppel heb gegraven. Ook heb ik bewust wat delen met zandgrond, zodat bijen daar hun nesten kunnen maken.’ Het experiment werkt want in zijn tuin ziet Swinkels de biodiversiteit toenemen, inclusief soorten die je elders weinig ziet. ‘Mooie dieren zoals de slangenkruidbij, de penseelkever en de kameleonspin.’

Swinkels weelderige tuin trekt veel bekijks, al zijn er ook mensen die er meewarig naar kijken. ‘Mijn oma zou zeggen dat het niet proper is. Bij een mooie tuin denken we vaak aan een aangeharkte grasveldje met hier en daar een bloemenperkje, maar als ecoloog zie ik dan vooral een dode tuin die niets doet voor de biodiversiteit.’ 

Dat geldt ook voor andere elementen in het Nederlandse landschap. ‘Van strak gemaaide bermen tot de weides waar koeien grazen. Onder collega’s staan die velden bekend als “grasfalt”.’ Swinkels hoopt, mede via zijn eigen tuin, bij te dragen aan een ander ideaalbeeld. ‘Laten we leren schoonheid te zien in rommeligheid. Daarmee creëren we extra ruimte voor allerlei planten en dieren.’

Doneren voor bloemrijke dijken?

1500 kilometer aan Nederlandse dijken moet in de komende jaren versterkt worden om te voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen. Een enorme opgave, maar ook een kans. Want waarom zou je de gelegenheid niet aangrijpen om de dijk niet alleen steviger te maken, maar ook beter voor de biodiversiteit én mooier om te zien? Dat is precies wat Hans de Kroon en Eric Visser willen bereiken in hun onderzoeksproject Future Dikes.

Doneer

Contactinformatie

Thema
Duurzaamheid, Natuur