Van individu naar omgeving
Cognitiefilosoof Léon de Bruin heeft zijn onderzoek recent toegespitst op neurodiversiteit. Voor dit avondprogramma verzorgde hij een introductie tot het thema. Hij vertelde dat de term in de jaren ’90 is geïntroduceerd door sociologe Judy Singer, als reactie op het pathologiseren van alles wat afwijkt van gemiddeld of ‘standaard’ gedrag en psychologisch functioneren. Psychologische ‘condities’ worden in het neurodiversiteitsdenken niet langer gezien als mentale stoornissen, maar als normale variaties in het menselijke functioneren. Naar schatting is vijftien tot twintig procent van de wereldbevolking ‘neurodivergent’. Bij die term kun je denken aan ADHD, dyslexie en autisme, maar welke condities nog meer tot deze parapluterm horen, daarover bestaat nog onenigheid.
Het denken in termen van neurodiversiteit zet zich dus expliciet af tegen het gangbare medische model, legde De Bruin nader uit. Iemand die problemen ervaart in het (psychische) functioneren wordt niet langer begrepen als abnormaal of ‘ziek’. Deze visie breekt ook met de traditionele psychiatrie en haar handboek voor diagnoses, de DSM-5. Daarin wordt de oorzaak van lijden gekoppeld aan een ‘dysfunctie’ in de persoon in kwestie.
“De beweging van neurodiversiteit zegt juist: dat wat het lijden veroorzaakt, is de omgeving,” aldus de cognitiefilosoof. Het gaat dan om barrières die worden opgelegd door een inflexibele en uitsluitende samenleving. Voorstanders van neurodiversiteitsdenken beroepen zich voor deze stellingname op wetenschap en historische voorbeelden. Vroeger werd homoseksualiteit bijvoorbeeld gezien als mentale stoornis, maar tegenwoordig weten we dat het alles te maken heeft met sociale normen. Zo kan het ook zijn met bijvoorbeeld autisme en ADHD, is de gedachte.
Voor- en nadelen van de term
Na de lezing van De Bruin was het woord aan Amy De Roubaix. Als wetenschappelijk onderzoeker bij het Radboudumc focust zij op de positieve aspecten van neurodivergentie. Vanavond gaf De Roubaix een inkijkje in wat mensen met neurodivergentie zelf vinden van denken in termen van neurodiversiteit. De onderzoeksgroep in kwestie bestond uit meer dan tweehonderd volwassenen met ADHD, vaak gecombineerd met andere labels en diagnoses.
Uit antwoorden op de vraag wat de voor- en nadelen van neurodiversiteitsdenken zijn, kwam een genuanceerd beeld naar voren. “Het grootste voordeel dat mensen rapporteren, is dat het helpt om diversiteit te accepteren, te erkennen en te normaliseren,” aldus De Roubaix. En de term is genuanceerd en neutraal: er zit geen ‘deficit’ of ‘disorder’ in de naam, zoals bij huidige labels vaak wel het geval is. Positief is ook dat de term neurodiversiteit heel inclusief is, hokjesdenken tegen kan gaan, en aandacht heeft voor zowel uitdagingen als kwaliteiten. Maar de keerzijden daarvan zijn dat het misschien een te brede term is, twee nieuwe hokjes creëert (namelijk neurotypisch versus neurodivergent), en kan afleiden van de zorg en ondersteuning die mensen nodig hebben.
Identiteitsvorming
In de twee lezingen, maar ook in het aansluitende gesprek, ging het ook over identiteitsvorming. De Bruin vindt dat een interessant filosofisch thema: “Niemand zegt: ‘ik ben een gebroken been,’ maar op het mentale vlak is dat ingewikkelder. Je zegt bijvoorbeeld makkelijker: ‘ik ben depressief’.” De Roubaix ziet: “afhankelijk van de diagnose ga je je ermee identificeren of denk je dat je het kan ‘hebben’.” Bij ADHD zeggen mensen vaker: ‘ik heb ADHD,” terwijl mensen bij autisme vaker zeggen, ‘ik ben een autist.’ In dit tweede geval is de diagnose een onderdeel van de identiteit geworden.