Zoek in de site...

Gedragscode internationale student hoger onderwijs


Herzien 1 september 2017

Preambule

Overwegende dat het Nederlandse hoger onderwijs verdere verbetering en versterking van de internationale samenwerking beoogt en Nederland zich met haar onderwijsinstellingen in het buitenland als kennissamenleving wil profileren;

de onderwijsinstellingen talentvolle internationale studenten wensen aan te trekken en voor de omgang met internationale studenten door middel van deze gedragscode een gestroomlijnde, op elkaar afgestemde gedragslijn vaststellen;

de onderwijsinstellingen in dat kader op een inzichtelijke, toegankelijke en eenduidige wijze informatie wensen te verstrekken over de kwaliteit van de geboden opleiding, de plaats die deze inneemt binnen het Nederlandse systeem, de geboden voorzieningen, de kosten voor studie en levensonderhoud
alsmede over de toelatingseisen die worden gesteld aan internationale studenten;

de onderwijsinstellingen het internationaliseringinstrumentarium van de Nederlandse overheid slechts kunnen gebruiken onder voorwaarde van zorgvuldige omgang met internationale studenten en de Nederlandse overheid de onderwijsinstellingen die deze gedragscode onderschrijven en uitvoeren,
ondersteunt en van relevante informatie voorziet door middel van haar buitenlandse kantoren;

de onderwijsinstellingen het belang onderschrijven dat internationale studenten in de gelegenheid worden gesteld de Nederlandse taal te leren en culturele vaardigheden op te doen;

de Nederlandse overheid de ondertekening van de gedragscode door de onderwijsinstellingen als voorwaarde stelt voor het kunnen verlenen van verblijfsvergunningen aan ingezetenen van buiten de EU/EER/Zwitserland voor studie op het niveau van hoger onderwijs;

de onderwijsinstelling zich door ondertekening verplicht tot het naleven van de in de gedragscode opgenomen verplichtingen en zich ertoe verbindt te handelen in de geest van de gedragscode wat betreft zaken waarover niets in de gedragscode is opgenomen;

om bovenstaande doelen te verwezenlijken nadere afspraken noodzakelijk zijn, waarmee de gedragscode een aanvulling is op het bestaande wettelijke kader. Onder het bestaande wettelijke kader wordt in ieder geval verstaan artikel 7.28 WHW, 3.41 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en hoofdstuk B3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

Verplichten de onderwijsinstellingen zich tot de volgende gedragslijnen en handelingen:

1 Definities

Agent:
een individu, bedrijf of andere organisatie die, al dan niet op commerciële basis, diensten aanbiedt aan (aankomende) internationale studenten, die in Nederland wensen te studeren, of diensten aanbiedt aan een onderwijsinstelling voor het werven van internationale studenten.

Belanghebbende:
de internationale student, de onderwijsinstelling, de Vereniging Hogescholen, de NRTO en de VSNU alsmede de Ministeries van BZ, OCW, EZ en VenJ.

Gedragscode:
voorliggende gedragscode internationale student hoger onderwijs.

Inschrijving:
de administratieve handeling van de onderwijsinstelling op verzoek van de toegelaten internationale student ten gevolge waarvan de rechten en plichten met betrekking tot het volgen van onderwijs ontstaan.

Internationale student:
een student met een buitenlandse nationaliteit die – voor zover het een verblijfsvergunningplichtige student betreft op basis van een daartoe afgegeven verblijfsvergunning voltijds – onderwijs gaat volgen, volgt of heeft gevolgd aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling.

Koepelorganisaties:
Vereniging Hogescholen, NRTO en VSNU.

Landelijke Commissie:
de Commissie zoals bedoeld in paragraaf 7.

Onderwijs:
al het hoger onderwijs – waaronder begrepen het voorbereidend jaar en de premaster - dat door dan wel onder verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling wordt aangeboden aan de internationale student.

Onderwijsinstelling:
een instelling die:
- volgens de WHW wordt bekostigd, is aangewezen of een rechtspersoon voor hoger onderwijs is en die
- geaccrediteerd hoger onderwijs als bedoeld in artikel 5.2 aanbiedt, of
- in het kader van artikel 2 van de kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 wordt gesubsidieerd, en die deze gedragscode ondertekend heeft en als deelnemende instelling is geregistreerd bij de registerbeheerder.

Proportionele nominale studielast:
de nominale studielast behorende bij de periode van inschrijving in een studiejaar.

Premaster:
een schakelprogramma dat wordt aangeboden aan de internationale student teneinde tot de masteropleiding te worden toegelaten.

Referentperiode:
de periode waarin een toegelaten internationale student staat ingeschreven bij één en dezelfde onderwijsinstelling.

Register:
het door de registerbeheerder bij te houden openbare register van onderwijsinstellingen die de gedragscode hebben ondertekend.

Registerbeheerder:
de Dienst Uitvoering Onderwijs van OCW.

Toelating tot de opleiding:
het positieve resultaat van de beoordeling door de onderwijsinstelling van tenminste de vooropleiding, de taalvaardigheid en de diploma’s van de internationale student die om toelating en inschrijving voor een specifieke opleiding verzoekt.

Uitwisselingsstudent:
de internationale student die in het kader van een daartoe opgezet uitwisselingsprogramma gedurende een periode van minimaal 3 maanden tot maximaal 12 maanden onderwijs gaat volgen, volgt of heeft gevolgd aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling en daarvoor niet aan die
onderwijsinstelling als reguliere student wordt ingeschreven en gediplomeerd.

Verblijfsvergunningplichtige studenten:
internationale studenten afkomstig uit landen niet zijnde Zwitserland of lidstaten van de EU/EER.

Voorbereidend jaar:
voorbereidend onderwijs – waaronder begrepen het voorbereidend taalonderwijs – met een duur van maximaal één jaar, dat door of onder verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling wordt aangeboden aan de internationale student teneinde tot de reguliere opleiding te worden toegelaten.

2 Informatievoorziening

2.1 De onderwijsinstelling stelt, onder andere via de website, tijdig betrouwbare en eenvoudig toegankelijke informatie aan de internationale student ter beschikking over het aangeboden onderwijs, tenminste met betrekking tot:
a. de accreditatie van de opleiding zoals bedoeld in artikel 5.2. In geval dat accreditatie door een andere organisatie dan de NVAO heeft plaatsgevonden, wordt de internationale student geïnformeerd over de gevolgen daarvan ter zake van de erkenning van de graad en het diploma door de Nederlandse overheid;
b. een beschrijving van de opleiding, het te behalen getuigschrift en de wettelijke status van dit getuigschrift alsmede de onderwijs- en examenregeling (of een daarmee vergelijkbare regeling) dan wel een samenvatting daarvan;
c. de toelatingseisen voor de opleiding, inclusief procedures voor toelating en
inschrijving en de daarmee verbonden kosten, als bedoeld in paragraaf 3 en 4;
d. de taal waarin het onderwijs gegeven wordt;
e. aanvullende vergoedingen die de onderwijsinstelling mogelijk van de internationale student vraagt in het kader van het bovenstaande dan wel de in paragraaf 3, 4 en 5 genoemde diensten;
f. de normering van de studievoortgang als bedoeld in paragraaf 5;
g. deze gedragscode.
De bovengenoemde informatie omvat bij voorkeur een beschrijving van de kennis en de vaardigheden die de internationale student bij een succesvolle afronding zal hebben behaald.

2.2 De informatie die de onderwijsinstelling op grond van de gedragscode aan de internationale student verstrekt, dient in de Engelse taal, dan wel de taal waarin het onderwijs wordt gegeven, dan wel in de moedertaal van de internationale student, te worden verstrekt.

2.3 De onderwijsinstelling draagt er zorg voor dat bij haar reclame-uitingen en presentatie duidelijk de aard van de onderwijsinstelling en het onderwijs blijkt en dat hierbij en bij de werving van internationale studenten wordt gehandeld volgens de regels en normen zoals vastgelegd door de Nederlandse Reclame Code Commissie in de Reclame Code, met name de algemene code (I) en de bijzondere reclamecode voor cursussen (II-b). De onderwijsinstelling voert in de
Engelse taal zijn naam zodanig dat de aard van de instelling hieruit duidelijk blijkt.

3 Agenten

3.1 Indien de onderwijsinstelling aan een agent opdracht geeft tot werving van
internationale studenten, ziet de onderwijsinstelling erop toe dat de agent handelt in de geest van deze gedragscode. De onderwijsinstelling blijft ook bij uitbesteding van (een deel van) het proces van werving en selectie verantwoordelijk voor de toelating van de internationale studenten.

3.2 De onderwijsinstelling sluit een schriftelijke overeenkomst met een ieder die als agent de bevoegdheid tot werving van internationale studenten verkrijgt en maakt slechts gebruik van een agent die beschikt over voor de werving noodzakelijke kennis van het Nederlandse hoger onderwijssysteem. De onderwijsinstelling schakelt geen agent in aan wiens eerlijkheid en integriteit getwijfeld kan worden en draagt er zorg voor dat haar agent toegang heeft tot de actuele en adequate onderwijsinformatie van de instelling.
De onderwijsinstelling neemt onmiddellijk corrigerende maatregelen indien zij verneemt dat een agent zich onachtzaam, onzorgvuldig of onbekwaam gedraagt, dan wel betrokken is bij valse, misleidende of onethische reclame en werving, met inbegrip van activiteiten die de goede naam van het Nederlandse hoger onderwijs kunnen schaden. Tevens stelt de onderwijsinstelling zich regelmatig op de hoogte van de ervaringen van de internationale
studenten.

3.3 De internationale student betaalt de voor het onderwijs en eventueel de toelating tot het onderwijs verschuldigde bedragen aan de onderwijsinstelling dan wel in het geval van joint of double degree programs aan de aan te wijzen (buitenlandse) onderwijsinstelling.

3.4 Indien wervings- of bemiddelingskosten verschuldigd zijn aan de agent, wordt in de  overeenkomst tussen de onderwijsinstelling en de agent opgenomen door wie deze kosten aan de agent worden voldaan.

3.5 De onderwijsinstelling maakt afspraken met de agent over het toezicht op zijn handelen. De onderwijsinstelling geeft op verzoek van de Landelijke Commissie (zie paragraaf 7) inzage in de overeenkomst met de agent. De onderwijsinstelling neemt in de overeenkomst met de agent op dat de overeenkomst aan derden ter inzage gegeven kan worden.

4 Toelating en inschrijving tot de opleiding

4.1 Indien een internationale student om toelating en inschrijving verzoekt bij de onderwijsinstelling, wordt eerst de toelaatbaarheid beoordeeld aan de hand van tenminste de benodigde vooropleiding, voldoende taalvaardigheid (zie artikel 4.2) en diploma's, gericht op de specifieke opleiding waarvoor toelating en inschrijving wordt verzocht. De onderwijsinstelling stelt deze toelatingseisen vast voorafgaand aan de werving van de internationale student voor de betreffende opleiding en controleert voorafgaand aan de
toelating en inschrijving of de internationale student aan de gestelde eisen voldoet.

4.2 De onderwijsinstelling stelt voor het onderwijs dat zij aan internationale studenten aanbiedt de minimale taaleisen vast waaraan de internationale student moet voldoen en ziet erop toe dat de internationale student daaraan ook daadwerkelijk voldoet.

Indien het gaat om Nederlandstalig onderwijs geldt het gestelde in artikel 7.28, tweede lid WHW.
Indien het gaat om Engelstalig onderwijs wordt minimaal een ‘academic’ IELTS-test met een ‘overall band score’ van 6.0 (zes) gehanteerd voor het Bachelor- en Master-niveau. Voor het voorbereidend jaar met een duur van 6 tot 12 maanden geldt, evenals voor de premaster met een duur van 6 maanden of langer, een minimumeis van 5.0 IELTS; voor een voorbereidend jaar of een premaster van 6 maanden of korter geldt een minimumeis van 5.5 IELTS.

Voor de scores van andere geaccepteerde taaltesten dan IELTS wordt onderstaande tabel (noot 1) gehanteerd:

tabel 1

Noot 1: De tabel is niet bedoeld om de genoemde taaltesten en/of scores onderling te vergelijken. Er wordt uitsluitend bedoeld voor de
genoemde geaccepteerde taaltesten de minimale scores te formuleren voor de toelating van internationale studenten. Er heeft
geen relatering aan het Common European Framework of Reference for Languages (CEFR) plaatsgevonden om reden dat het
CEFR een raamwerk met niveauaanduidingen is en geen taaltest Engels. Een CEFR-niveau bestrijkt meerdere scores van de in
de tabel genoemde taaltesten. Daarom is geen niveau aanduiding opgenomen maar een minimale score van een taaltest.

Noot 2: Voor beide onderdelen geldt dat aan de drempelwaarden dient te zijn voldaan.

Indien de instelling gerede twijfel heeft over het afgegeven certificaat en als gevolg daarvan over de taalbeheersing Engels van de internationale student, dan kan de instelling in aanvulling op de geldende taaleis nadere eisen stellen die aan de taalbeheersing gerelateerd zijn.

4.3 In afwijking van het gestelde in artikel 4.2 kan een onderwijsinstelling een internationale student die zijn vooropleiding heeft genoten in het Engels, vrijstellen van de verplichting een taaltest af te leggen. Dit geldt eveneens voor de houder van het International Baccalaureate certificaat voor English A Language and Literature. De Landelijke Commissie kan de onderwijsinstelling verzoeken een verklaring van Nuffic te overleggen, waarin wordt bevestigd
dat de vooropleiding in de Engelse taal is genoten. Voorts kan een onderwijsinstelling een internationale student vrijstellen van de verplichting een taaltest af te leggen indien hij in het bezit is van een diploma van het secundair onderwijs in een land dat is opgenomen in de in opdracht van de verenigingen van instellingen van hoger onderwijs opgestelde diplomalijst,
zoals deze op de website van de Gedragscode gepubliceerd is.

In geval van een uitwisselingsprogramma voor een Engelstalige opleiding alsmede een Engelstalige joint, double of multiple degree programma worden in de overeenkomst tussen de zendende en ontvangende onderwijsinstelling afspraken gemaakt ter zake van de beheersing van het minimale taalniveau Engels. De afspraken dienen in overeenstemming te zijn met de in artikel 4.2 opgenomen normen, waarbij de bedoelde taaltest slechts eenmalig behoeft te
worden afgelegd. De onderwijsinstelling geeft op verzoek van de Landelijke Commissie inzage in de overeenkomst met de zendende onderwijsinstelling.
De onderwijsinstelling voor hbo-opleidingen op het gebied van de kunst kan aangepaste eisen stellen ten aanzien van het niveau van de Engelse taalvaardigheid. Het betreft opleidingen die zijn geregistreerd in het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst van het onderdeel Taal en Cultuur in het CROHO. Ten aanzien van deze opleidingen gelden wettelijk
aanvullende eisen (artikel 7.26a WHW), primair in verband met de vereiste artistieke kwaliteit.

Deze opleidingen toetsen de Engelse taalvaardigheid binnen het kader van de
selectieprocedure en worden vrijgesteld van de verplichting een taaltest af te nemen zoals omschreven in artikel 4.2. Gezien de speciale aard van deze opleidingen stelt het instellingsbestuur vast wat het gewenste taalniveau is en legt dit vast in de Onderwijs en Examen Regeling.

4.4 De onderwijsinstelling zal de internationale student schriftelijk en gemotiveerd toelating en/of inschrijving weigeren wanneer deze niet aan de door de onderwijsinstelling en/of de opleiding gestelde eisen voldoet. De onderwijsinstelling vermeldt hierbij de rechtsmiddelen, die door de internationale student in verband met de weigering kunnen worden gehanteerd.

4.5 De onderwijsinstelling kan voor de uitvoering van een toetsing van de taaleis, de vooropleiding en de diploma’s een vergoeding vragen. De onderwijsinstelling die de toelating en/of inschrijving tot de opleiding afhankelijk maakt van het succesvol doorlopen van een voorbereidend jaar of een premaster, vergewist zich er vooraf van dat de internationale student het voorbereidend jaar of de premaster naar verwachting succesvol zal afronden.

4.6 De onderwijsinstelling zal de toelaatbare verblijfsvergunningplichtige student bij elke inschrijving verzoeken zich schriftelijk akkoord te verklaren met de procedure waarbij de onderwijsinstelling de verblijfsvergunningplichtige student – al dan niet met voorafgaand bericht – bij de IND afmeldt, ingeval van beëindiging van de inschrijving of de vaststelling dat geen sprake is van voldoende studievoortgang als bedoeld in artikel 5.5 en 5.6.

5 Aanbod voor en begeleiding van internationale studenten

5.1 De onderwijsinstelling voldoet aan de voor de instelling geldende nationale wettelijke eisen.

5.2 De instelling biedt internationale studenten alleen daadwerkelijk geaccrediteerd graadverlenend onderwijs aan in de zin van de WHW. Voorts kan onderwijs worden aangeboden dat gebaseerd is op het recht van andere landen, indien het aldaar geaccrediteerd is na een inhoudelijke beoordeling van de Nederlandse instelling of het in Nederland aangeboden onderwijs door een accreditatieorganisatie in de hoger onderwijsruimte en waarvan de besluiten door de betreffende overheid aldaar worden erkend.
Ter beoordeling hiervan kan door de registerbeheerder of de Landelijke Commissie extern advies worden ingewonnen.

Korte programma's op het niveau van hoger onderwijs – niet zijnde een voorbereidend jaar of een premaster – kunnen eveneens aan internationale studenten worden aangeboden, zolang zij herleidbaar zijn tot geaccrediteerde opleidingen welke door dezelfde onderwijsinstelling worden verzorgd.

5.3 De onderwijsinstelling ziet erop toe dat de docenten de taal waarin het onderwijs wordt gegeven voldoende beheersen.

5.4 De onderwijsinstelling maakt duidelijk welke diensten zij biedt aan de internationale student in het kader van het verkrijgen van een visum en een verblijfsvergunning, huisvesting, introductie en begeleiding. In haar voorlichtingsmateriaal conform artikel 2.1 geeft de onderwijsinstelling
duidelijk aan welke diensten zij in dit kader aanbiedt en wat de daaraan verbonden kosten zijn.

5.5 De instelling stelt jaarlijks, na afloop van ieder studiejaar, de studievoortgang vast van de internationale student, met uitzondering van de uitwisselingsstudent. Als voldoende studievoortgang wordt aangemerkt: 50% (of meer) van de proportionele nominale studielast voor het (gedeelte van het) studiejaar. In afwijking hiervan geldt dat de internationale student het voorbereidend jaar en de premaster met goed gevolg dient af te ronden.

Indien geen sprake is van voldoende studievoortgang stelt de instelling de oorzaak hiervan vast, bijvoorbeeld door een studievoortganggesprek met een studieadviseur.

Indien blijkt dat de internationale student niet/onvoldoende studeert of het niveau niet aankan, wordt de verblijfsvergunningplichtige student binnen een maand afgemeld bij de IND.

Wanneer blijkt dat er persoonlijke omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 7.51 WHW alsmede artikel 2.1 Uitvoeringsbesluit WHW, ten gevolge waarvan er geen sprake is van voldoende studievoortgang, worden er bindende afspraken met de internationale student gemaakt opdat het tijdig afstuderen niet in het geding komt. Er vindt in dat geval voor verblijfsvergunningplichtige studenten geen afmelding plaats bij de IND.

Het is per referentperiode slechts éénmalig mogelijk bij verblijfsvergunningplichtige studenten een melding aan de IND achterwege te laten indien geen sprake is van voldoende studievoortgang betreffende deze student, waarbij sprake is van dezelfde persoonlijke omstandigheden.

De instelling registreert wanneer er geen sprake was van voldoende voortgang en een persoonlijke omstandigheid alsmede, in geval van een verblijfsvergunningplichtige student, het feit dat er geen afmelding bij de IND heeft plaatsgevonden.

5.6 Zodra de instelling constateert dat de inschrijving aan de instelling door een
verblijfsvergunningplichtige student is beëindigd, wordt dit gemeld bij de IND.

5.7 De onderwijsinstelling heeft de verplichting het aangeboden onderwijs daadwerkelijk te geven.
Indien het onderwijs om gegronde redenen wordt geannuleerd, geschiedt dit niet later dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van het onderwijs, korte cursussen en maatwerk uitgezonderd. Indien de internationale student reeds in Nederland is met het oog op het volgen van dit onderwijs, is de onderwijsinstelling gehouden om in overleg met de internationale student zo mogelijk een passend alternatief te zoeken en de internationale student te
informeren over de (daartoe) te volgen procedures.

6 Register deelnemende onderwijsinstellingen en de taken en bevoegdheden van de registerbeheerder

6.1 De onderwijsinstelling verzoekt bij de registerbeheerder om opname in het register van de gedragscode, onder overlegging van de ondertekende gedragscode.

6.2 Het register wordt door de registerbeheerder bekend gemaakt via de website van de registerbeheerder in de Nederlandse en Engelse taal. In het bij deze gedragscode behorende reglement zijn nadere bepalingen opgenomen die zien op het register.

6.3 De registerbeheerder beslist binnen een maand op grond van de door de aanvrager verstrekte gegevens en stelt de aanvrager schriftelijk van de beslissing op de hoogte.
Een aanvraag wordt afgewezen, indien de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden en verplichtingen als bepaald in de gedragscode, waaronder begrepen de accreditatie van opleidingen door accreditatieorganisaties als bedoeld in artikel 5.2. Een aanvraag wordt tevens afgewezen indien deze wordt ingediend voordat de termijn als bedoeld in artikel 7.9 is verstreken.

6.4 Een onderwijsinstelling kan op eigen verzoek dan wel overeenkomstig het gestelde in artikel 7.9 op last van de Landelijke Commissie door de registerbeheerder uit het register worden verwijderd. Verwijdering door de registerbeheerder vindt tevens plaats in geval de instelling ophoudt te bestaan.

6.5 Indien een onderwijsinstelling aan het register wordt toegevoegd dan wel wordt verwijderd, wordt dit door de registerbeheerder op zijn website gepubliceerd en wordt daarvan in ieder geval mededeling gedaan aan de IND en Nuffic.

6.6 Onverminderd de overige in deze gedragscode genoemde taken omvatten de taken van de registerbeheerder:
a) de registratie van klachten;
b) het opstellen van een jaarverslag ten behoeve van de vaststelling door de
Landelijke Commissie;
c) de verstrekking van informatie aan belanghebbenden.

6.7 Klachten betreffende de registerbeheerder kunnen worden ingediend bij de voorzitter van de Landelijke Commissie, nadat de interne klachtprocedure bij de registerbeheerder is doorlopen.

7 Landelijke Commissie

7.1 De koepelorganisaties stellen een Landelijke Commissie in en omschrijven de bevoegdheden van deze commissie nader. De koepelorganisaties benoemen voor een zittingsduur van vier jaar de leden van de Landelijke Commissie. Leden kunnen éénmaal worden herbenoemd. De registerbeheerder informeert door publicatie op zijn website een ieder over de samenstelling van de Landelijke Commissie.

7.2 De Landelijke Commissie is onafhankelijk en bestaat uit zes leden. De VSNU benoemt twee leden en twee plaatsvervangende leden, de Vereniging Hogescholen benoemt twee leden en twee plaatsvervangende leden, en de NRTO benoemt een lid en een plaatsvervangend lid. De Landelijke Commissie benoemt een voorzitter die niet behoort tot de kring van belanghebbenden. Voor de zittingsduur van de voorzitter geldt het in artikel 7.1 bepaalde.
Mocht een eventueel verzoekschrift betrekking hebben op of afkomstig zijn van een onderwijsinstelling van wie een lid in de commissie zitting heeft, dan staat het betrokken lid zijn plaats af aan een plaatsvervangend lid afkomstig van een andere onderwijsinstelling.

7.3 De Landelijke Commissie heeft als taak toe te zien op de naleving van de gedragscode en het handelen van de onderwijsinstelling te toetsen aan de gedragscode. Zij doet dit onder andere door het behandelen van verzoekschriften die op grond van de gedragscode kunnen worden
ingediend, conform de procedure zoals beschreven in afdeling 4 van het reglement. Tevens kan de Landelijke Commissie onderzoek instellen naar de wijze waarop een onderwijsinstelling zich in het kader van de gedragscode heeft gedragen dan wel gedraagt.

7.4 Om aan haar taken invulling te geven zal de Landelijke Commissie na overleg met de koepelorganisaties een reglement opstellen dat onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van deze gedragscode. In het reglement zal tevens worden opgenomen hoe verzoekschriften kunnen worden ingediend, op welke wijze deze worden behandeld en wat de mogelijke sancties zijn indien het verzoekschrift gegrond wordt verklaard.

7.5 Een ieder die daarbij een rechtstreeks belang heeft kan bij de Landelijke Commissie schriftelijk een verzoekschrift indienen betreffende de wijze waarop een onderwijsinstelling zich in het kader van de gedragscode jegens hem of een ander heeft gedragen.
Alvorens een verzoekschrift bij de commissie in te dienen, legt de verzoeker eerst de klacht voor aan het bevoegde gezag van de onderwijsinstelling.
De onderwijsinstelling draagt er zorg voor dat bestaande of eventueel nieuw in te richten interne klachtenprocedures openstaan voor klachten in het kader van de gedragscode.

7.6 Indien de verzoeker van mening is dat de onderwijsinstelling een klacht niet naar behoren of niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft afgehandeld dan wel nog steeds van opvatting is dat de onderwijsinstelling zich niet aan de gedragscode houdt, kan hij de verantwoording ten aanzien van de klacht en de reactie daarop door de onderwijsinstelling voorleggen aan de Landelijke Commissie door het indienen van een verzoekschrift.

7.7 Indien de Landelijke Commissie, na hoor en wederhoor van de verzoeker en de onderwijsinstelling, vaststelt dat een onderwijsinstelling deze gedragscode niet nakomt, stelt zij de onderwijsinstelling en de verzoeker op de hoogte van haar beslissing en de eventuele gevolgen daarvan.

7.8 Indien de Landelijke Commissie constateert dat een onderwijsinstelling de bepalingen van deze gedragscode niet heeft nageleefd kan zij een maatregel opleggen. Deze maatregel kan onder meer bestaan uit een rapportage- en/of onderzoeksverplichting en/of een voorwaardelijke schrapping, waarbij in het register van de gedragscode een vermelding kan worden opgenomen voor de duur van de maatregel. In situaties waar in geen verbetering optreedt of in zeer ernstige gevallen kan de Landelijke Commissie een sanctie opleggen die
bestaat uit verwijdering uit het register.

7.9 Indien de Landelijke Commissie besluit tot verwijdering uit het register, neemt zij tevens een besluit over de duur van de verwijdering, alsmede onder welke voorwaarden de onderwijsinstelling weer kan worden toegelaten tot het register.

7.10 De Landelijke Commissie deelt de beslissing binnen een maand nadat deze is genomen schriftelijk mee aan de onderwijsinstelling, de verzoeker, de IND en OCW.

7.11 De registerbeheerder fungeert als secretaris van de Landelijke Commissie. De secretaris brengt de Inspectie van het Onderwijs op de hoogte van alle gegronde verzoekschriften die bij de Landelijke Commissie zijn ingediend.

8 Ingangsdatum en wijzigingen

8.1 De wijzigingen op de gedragscode treden in werking op 1 september 2017.

8.2 Indien een belanghebbende een aanpassing van de gedragscode voorstelt of indien door wijzigingen in wetgeving dan wel om andere redenen aanpassing van de gedragscode wenselijk dan wel noodzakelijk is, wordt dit voorgelegd aan de koepelorganisaties. Wijziging is mogelijk indien de Landelijke Commissie op voordracht van de koepelorganisaties heeft ingestemd, behoudens indien er sprake is van dwingendrechtelijke wetgeving. De registerbeheerder draagt zorg voor de bekendmaking van de wijziging en verspreiding van de aangepaste gedragscode.

8.3 Elke vijf jaar vindt er, door in ieder geval de betrokken instellingen, de belanghebbenden en de registerbeheerder een evaluatie plaats van de inhoud en werking van de gedragscode. Op grond van deze evaluatie zal de gedragscode al dan niet gewijzigd worden vastgesteld en ondertekend door de onderwijsinstellingen. Het initiatief hiertoe wordt genomen door de
Landelijke Commissie.

Lijst gebruikte afkortingen
BZ: Ministerie van Buitenlandse Zaken
CAE: Cambridge Certificate in Advanced English
CPE: Cambridge Certificate of Proficiency in English
CROHO: Centraal Register Opleidingen in het Hoger Onderwijs
EZ: Ministerie van Economische Zaken
FCE: Cambridge First Certificate in English
Vereniging Hogescholen: Belangen- en werkgeversvereniging van de Nederlandse
hogescholen
IELTS: International English Language Testing System
IND: Immigratie en Naturalisatiedienst
Nuffic: Netherlands Organisation for International Cooperation in
Higher Education
NRTO Nederlandse Raad voor Training en Opleiding
OCW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
TOEFL: Test Of English as a Foreign Language
TOEIC: Test Of English for International Communication
VenJ: Ministerie van Veiligheid en Justitie
VSNU: Vereniging van Universiteiten
WHW: Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek