Zoek in de site...

10-2

Jaargang 10, nr 2: Onzekerheid

Redactioneel

Onzekerheid

Onzekerheid. Als er een top tien van woorden is, zou dit woord daar ongetwijfeld in staan. Nog nooit is onzekerheid zo vaak in het nieuws geweest: onzekerheid op de beursvloer, onzekerheid bij de consument, onzekerheid in de financiële sector, onzekerheid over de werkgelegenheid, onzekerheid over spaargeld, on-zekerheid over verstrekte hypotheken... Een kredietcrisis maakt onzekerheid opeens tot een hot item. Wij hadden nooit gedacht dat Proviand zo ontzettend actueel zou worden.

Echter, in dit nummer wordt met geen woord gerept over de kredietcrisis. Het is aan het journaal, de kranten en opiniebladen om het daarover te hebben. In Proviand geen verhalen over panieksituaties, maar rustgevende sprookjes met een happy end en waarin het om belangrijkere dingen gaat dan een zo groot mogelijk fortuin vergaren. Droom weg naar de tijd dat je nog kind was en op het strand zocht naar schelpen en geniet van onthullende gedichten.

Mocht je niet in de stemming zijn voor dit soort aangelegenheden, maar heb je liever iets waarvoor je met beide benen stevig op de grond moet staan, wees dan niet bevreesd, want ook hierin word je voorzien. Je zult hier geen antwoord vinden op de vraag waarom je altijd op je nagels bijt als je onzeker bent, maar we reiken vergezichten aan over wat onzekerheid te maken heeft met ons, als mens, als burger van Nederland, als (a)religieus wezen. Misschien zorgen deze vergezichten ervoor dat je zelf een antwoord op jouw grote vragen kunt formuleren en er zo toch achter komt waarom je op je nagels bijt.

Echter, ook al vind je antwoorden, realiseer je dat het slechts antwoorden zijn waar je geen zekerheid over hebt. De grote vragen karakteriseren ons leven en aan de bijbehorende antwoorden kleeft onherroepelijk de onzekerheid. Zo draagt iedereen zekere onzekerheden en onzekere zekerheden met zich mee. Mocht dat je af en toe te veel worden, zoek dan troost bij deze Proviand. Hopelijk brengen wat inzichten in onzekerheid en ook onzekerheid over je inzichten je weer in je goede doen.

Tanja van Hummel

02natuurgeweld

Levenskunst en de moderne onzekerheid van het bestaan

door Joep Dohmen

Hoogleraar Wijsgerige en Praktijkgerichte Ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht.

Deze tekst is een bewerking van de passage “Verkeerde Houdingen” uit Het leven als kunstwerk (2008).

In de filosofie bloeit de ethiek van de levenskunst. Een belangrijk deel van de levenskunst is erop gericht om de mens weerbaar te maken tegen de condition humaine. Deze term betekent letterlijk: de menselijke staat van zijn. Onze menselijke conditie is fundamenteel onzeker en verwijst naar de kwetsbaarheid van het menselijk leven. Deze onzekerheid komt in vele gedaanten voor. Elk mens moet zich wapenen tegen de bestaansonzekerheid en op zoek gaan naar een eigen levenshouding.

De menselijke conditie

Onze bestaansonzekerheid komt in vele gedaanten voor. We zijn op talloze manieren kwetsbaar. Ten eerste kunnen we getroffen worden door het geweld van de natuur. Veelvuldig toont de televisie ons beelden van natuurrampen: de watersnoodramp van 1953, de tsunami die duizenden dorpelingen, vissers en vakantiegangers wegspoelt, een onverwachte modderstroom die een heel dorp van de kaart veegt. Het onheil kan echter ook ergens anders, bijvoorbeeld in de genen liggen. Je kunt zonder enige duidelijke aanleiding duizelig worden, waarna blijkt dat je diabetes hebt. Iemand kan op zijn eenentwintigste jaar door een dodelijke ziekte getroffen worden. Het leven is dan hard.

Ten tweede kun je geconfronteerd worden met de onzekerheid van het bestaan door toedoen van menselijk handelen. De CO2-uitstoot kan op termijn verwoestende gevolgen hebben voor mens en milieu. Bepaalde geneesmiddelen blijken op langere termijn schadelijk voor de gezondheid. Elke dag eist verkeersslachtoffers: doden en gewonden. En elke dag gebeuren er de meest krankzinnige ongelukken. Een kroegbaas hangt een brandbare kerstversiering in een bar. Een vader verstapt zich en de hete pan soep valt over zijn zoontje. Een toevallige passant bevindt zich op het verkeerde moment in het verkeerde milieu.

Ten derde brengen mensen elkaar ook opzettelijk schade toe. Het ene land valt het andere land binnen en doodt tal van onschuldige burgers. Terroristen vallen met een vliegtuig het kantoor aan waar je geliefde aan het werk is. Een leerling schiet op het schoolplein een aantal docenten en leerlingen dood. Een verslaafde rent de sigarenwinkel binnen waar jij net de krant koopt. In al deze gevallen is er sprake van een grote mate van toeval, een noodlot dat mensen treft.

Er is ook een heel grijze zone van menselijke lotgevallen waarin onduidelijk is of en hoe ze anders hadden kunnen verlopen, terwijl mensen er altijd onontkoombaar in verwikkeld raken. Sommige lotgevallen hebben van doen met fysieke, mentale en morele condities rond pijn, lijden, ziekte en dood. Andere hangen samen met sociale verbanden en bijbehorende omgangsvormen: gebrek aan erkenning, miskenning, onrechtvaardige behandeling, afwijzing, vernedering. Er zijn de complexe relaties en privéomgangsvormen tussen mensen en de gevolgen daarvan: claim- en klampgedrag, angstige gehechtheid, bindingsangst, jaloezie, rancune, verraad, ontrouw. Er zijn ook de talloze ruilverhoudingen in het maatschappelijk verkeer: concurrentie, verkooptrucs, manipulatie, fraude en faillissement. In al dit soort situaties zijn mensen minder duidelijk slachtoffer en meer actor. Maar de lotgevallen zijn vaak wel degelijk onontkoombaar.

Ten slotte is het menselijke bestaan in zichzelf fundamenteel kwetsbaar. Twee zaken zijn in het mensenleven van belang: controle en kwaliteit. Ieder mens heeft een zekere orde nodig in zijn leven. Daarom is een zekere vorm van beheersing onontkoombaar. Bovendien is de kwaliteit van ons leven van belang. We willen graag dat ons leven iets betekent en dat het zin heeft. Beide inspanningen gaan zelden goed samen. Wie ambitieus is en zijn grenzen wil verleggen, zal zijn orde daarmee op het spel zetten. Wie niet ambitieus is, zal zijn orde met alle middelen moeten verdedigen en het daarin moeten zien uit te houden. Het menselijk bestaan is in zichzelf fundamenteel onzeker.

De laatmoderne risicosamenleving

Sinds een jaar of twintig spreken denkers als Ulrich Beck, Anthony Giddens en Jürgen Habermas van ‘de moderne risicosamenleving’. De moderne tijd is een ‘posttraditionele orde’, aldus Anthony Giddens in Modernity and Self-identity (1991). Deze posttraditionele orde blijkt, in tegenstelling tot wat de vroege modernisten dachten, helemaal niet transparant, maar voltrekt zich in een risicosamenleving waarin een fundamentele onzekerheid heerst over de gevaren die ons bedreigen en de manier waarop we daarop moeten reageren.

Wij laatmoderne mensen zijn voorgoed losgeweekt van onze traditionele kaders en van de patronen die ons bestaan eeuwenlang regelden. Daarom zijn we genoodzaakt tot een ‘reflexieve moderniteit’. Dit specifieke type reflexiviteit kan worden gedefinieerd als het proces van zelfbepaling op grond van een continue waarneming en overdenking van allerlei types sociale informatie over de diverse mogelijke levenstrajecten die moderne individuen kunnen gaan. Dat is geen sinecure, want de inzichten van wetenschappelijke experts in economie, gezondheid en milieu, opvoeding en sociale verhoudingen zijn continu aan verandering onderhevig. Op al deze gebieden komen de media voortdurend met nieuwe informatie. De moderne wetenschappelijke expertise is nu juist fundamenteel hypothetisch en aan twijfel onderhevig. Artsen, voedingsdeskundigen, biologen, ozonlaagdeskundigen, economen en milieudeskundigen bieden voortdurend aan elkaar tegenstrijdige analyses en prognoses. Wij stuiten op risico’s die vorige generaties nooit gekend hebben: ineenstorting van de economie, ecologische catastrofes, wereldwijd terrorisme, massavernietiging, enzovoort. Giddens noemt dit de laatmoderne Apocalyps.

Voor moderne mensen komt het er op aan om deze ingewikkelde, tegenstrijdige en telkens veranderende informatie over de stand van zaken op alle levensterreinen zo slim en genuanceerd mogelijk, met de allergrootste sensitiviteit, te ‘lezen’. Als reflexief zelf moet ik telkens opnieuw een berekening maken van de kansen en risico’s van mijn eigen handelen. ‘We hebben maar één keus’, aldus Giddens, ‘en dat is te kiezen’. In die zin is er geen sprake van keuzevrijheid maar van keuzenoodzakelijkheid. Het moderne individu ontwikkelt noodgedwongen steeds nieuwe scenario’s, kiest en herziet zijn keuzes, op basis van een eigen lifestyle. Moderne mensen zijn veroordeeld tot een reflexieve lifestyle, door Giddens betiteld als life politics. Als socioloog heeft Giddens de inhoud van die life politics nooit uitgewerkt. Die taak wordt uitgevoerd door de actuele levenskunst.

Levenskunst als antwoord

Het is natuurlijk niet zo dat mensen volledig machteloos staan ten aanzien van de bestaansonzekerheid. Mensen kunnen ander gedrag ontwikkelen: goed nadenken en evalueren, beter opletten, minder roekeloos zijn, meer rekening houden met elkaar. In sommige gevallen kan de regering iets doen: een tsunami-waarschuwingssysteem aanleggen, een kerncentrale sluiten (of überhaupt niet openen). De farmaceutische industrie kan een vaccin tegen polio ontwikkelen. De moderne technologie biedt telkens nieuwe oplossingen voor de problemen van onze kwetsbaarheid. Maar de bestaansonzekerheid is fundamenteel en als zodanig constitutief voor het bestaan en het menselijk leven daarbinnen. We kunnen onze menselijke conditie niet opheffen en een staat van goddelijke onkwetsbaarheid bereiken. We moeten dus leren om te gaan met ons levenslot.

In het voetspoor van de late Michel Foucault heeft zich de afgelopen decennia de ethiek van de levenskunst ontwikkeld. Deze ethiek gaat terug op de klassieke Ars Vitae, en bepleit uitdrukkelijk het nemen van persoonlijke verantwoordelijkheid op basis van zelfzorg. Laatmoderne levenskunst betekent dat we fundamenteel zorg dragen voor onszelf en leren om ons vanuit een eigen levenshouding te verhouden tot de posttraditionele risicosamenleving. Dit betekent niet dat we ons onkwetsbaar maken. De uitkomst van een handeling kan altijd anders zijn dan bedoeld. Het betekent wel dat we door reflectie en evaluatie, timing en oefening leren om onszelf beter tot complexe situaties te verhouden. Vanuit een eigen levenshouding maken we onszelf weerbaar tegen de slagen van het lot.

We kunnen om ons heen goed zien wat er gebeurt als mensen deze zelfverantwoordelijkheid niet nemen. Tal van mensen vluchten in ontkenning, gelatenheid, cynisme of fundamentalisme. Sommige houdingen hebben als doel om de ogen te sluiten voor de mogelijke effecten van de gebeurtenissen op de persoon: dat zijn houdingen van ontkenning en onverschilligheid. Andere mensen ontwikkelen een pessimistische of cynische houding tegenover de menselijke conditie. Ze maken het bestaan nog zwaarder dan het al is en terroriseren iedereen met hun zwartgalligheid. Weer anderen overdrijven de gevolgen van de slagen van het lot: dat zijn de pathetische figuren met hun valse heroïek. Menig actueel tv-programma propageert de gedachte dat alles een kwestie is van sentiment en warme gevoelens. Ten slotte zijn er de fundamentalisten die de bestaansonzekerheid koste wat kost vanuit hun eigen, heilige levensbeschouwing willen bedwingen. Tezamen zijn dit soms minder, soms meer rampzalige, hoe dan ook altijd verkeerde houdingen die een goed leven onmogelijk maken.

Ieder van ons draagt een persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom moeten we zorgen dat we die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk kunnen dragen. Het antwoord op de posttraditionele orde luidt: levenskunst.

Publicaties van Prof. Dr. J. Dohmen over levenskunst:

  • De grote filosofen over het goede leven (2002)
  • Moderne levens lopen niet vanzelf (2006)
  • Tegen de Onverschilligheid (2007)
  • Het leven als kunstwerk (2008)

02verantwoordmetmilieuomgaan

Schelpen

door Christof Abspoel

Student Psychologie en Algemene Cultuurwetenschappen, maar eigenlijk filosoof.

Voor het eerst in mijn leven was ik aan zee. Het was ergens bij Kijkduin en ik vroeg me af of de duinen daar dan konden kijken, maar een echt antwoord wist ik van mijn ouders niet te krijgen. We zaten in een vakantieparkje, vijf minuten lopen van de golven.

De dag na aankomst mocht ik in mijn eentje naar het strand. Wat voelde ik me groot! Ik liep met schelpen in mijn handen, die ik zelf gevonden had: versteende oren, kunstwerkjes van nimfen uit de zee. Ik was een kunstenaar, bevriend met al die eindeloze golven ver voorbij de horizon. Ik zocht naar schelpen, die ik schikte en herschikte tot een letter ‘p’, nog groter dan

ikzelf. Zo ploeterde ik door en door. Meeuwen juichten me toe en bij elke ademhaling snoof ik die lekker zoute lucht, waardoor mijn verkoudheid in één keer over was gegaan, totdat daar eindelijk, onder elkaar, het allerállerbelangrijkste stond dat ik de wereld te zeggen had:

‘papa is lief

mamma is lief

thomas is lief

ik ben blei’

Thomas was ik zelf. In hoofdletters was ik nog niet zo goed, dus ik was blij dat ik die had weggelaten. En trots. Zoals zoveel kinderen had ik al een hoop moois gemaakt, maar dit was nieuw: een kunstwerk dat niet in de prullenmand hoefde te belanden, maar dat ik in de ochtenden zou komen opzoeken, misschien nog wel vóór het ontbijt. Over eten gesproken: volgens mijn Goofyhorloge moest ik meteen naar ons huisje, dat pal achter de duinen lag.

Die avond in bed bedacht ik hoe simpel het leven eigenlijk was. Dat ik al het belangrijkste in één middag op het strand geschreven had. En omdat alles zo simpel was, viel ik binnen een kwartier in slaap.

De volgende ochtend (na het ontbijt) keerde ik terug naar de plek waar ik mijn kunstwerk had gemaakt. En wat denk je? Overal schelpen, maar de mijne waren er niet meer! Of lag er daar toch één, half onder het zand verborgen, naast dat zandkasteel? Maar waarom lag die daar dan? En al die andere... wat deden die daar eigenlijk? Nergens was een patroon, alleen maar schelp en nog eens schelp tot in het oneindige. Zo was het gister niet geweest. Hoe kon dat nou? Hadden de golven ermee te maken? Maar vonden die papa en mama dan niet lief? En mij? En was ik dan niet blij? Eigenlijk voelde ik me best verdrietig...

Nu begreep ik plotseling de naam van deze plek; het was echt alsof de duinen konden kijken, maar ze keken niet naar mij. Ze staarden door me heen en keken enkel naar de zee. ‘Jullie vinden me wel lief, toch?’ Ze gaven geen antwoord. ‘Doe niet zo flauw!´ zei ik. Ze bleven zwijgzaam als het zand. Ik werd kwaad. Het zandkasteel dat ik zojuist gezien had, trapte ik in alle windstreken uiteen. Opgelucht liet ik me vallen op de resten.

Maar net toen ik weer adem had, besefte ik wat een rotjong ik was. De dag daarvoor had ik met een meisje in het speeltuintje gespeeld. Lotje heette ze, ze zat in huisje veertien met haar ouders. Ik had haar verteld over mijn schelpenplan en zij over haar zandkasteel. Een zandkasteel met torentjes, net als deze ruïne die ik net kapot gesmeten had...

Die middag in ons huisje zat mama de krant te lezen. ‘Mama’, vroeg ik, terwijl ze een bladzijde omsloeg, ‘mama, vind je mij lief?’ Maar ze keek niet op en mompelde iets dat ik niet verstond.

Piekerend liep ik, het speeltuintje omzeilend, terug naar het strand. De letters waren weg gebleven, maar vlak voor mijn voeten lag een schelp, zo’n ingewikkelde die aan aquariumvissen deed denken, met stekeltjes en al. Dat zou een mooi begin zijn voor een nieuwe letter, of een puntje op de ‘i’, maar nee... Daar moest ik het eerst maar eens met de golven over hebben. Toch was het echt een mooie schelp... Als ik hem nou meenam voor dat lieve meisje van het zandkasteel? Dan zou ze vast niet boos meer zijn.

Ineens was ik vrolijk. Ik zong een lied dat ik van papa had geleerd en het kon me niets meer schelen dat de duinen niet naar mij keken, want ik keek lekker ook niet meer naar hen. Ik stapte dwars over ze heen, met de schelp tussen mijn vingers geklemd.

Alles leek licht in het huisjespark. Het glanzende gras en de zoemende bijen... en daar was het speeltuintje al: de glijbaan, het klimrek, de schommel... maar geen Lotje. Ze zou wel lunchen zijn, in huisje veertien, met de blauwe voordeur, met haar beide ouders die zo aardig konden kletsen... Leuk! Dan kon ik ze vertellen van de letters op het strand, en misschien konden zij me uitleggen hoe die verdwenen waren. Daar werd ik nog blijer van en dus huppelde ik zó onstuimig dat de schelp in een boog uit mijn vingers vloog... recht op een lantaarnpaal. Krak.

Ik raapte de schelp uit het gras; de hoorntjes waren gebroken. Wat een pech! En nu? Weer naar het strand gaan om een nieuwe te zoeken? Nee, het had geen zin… Naast het pad ging ik zitten, met mijn knieën in mijn armen, mezelf zachtjes heen en weer wiegend. Nu kon ik het niet meer goed maken... Zou iemand mij ooit lief vinden? Was mijn best niet goed genoeg? Mijn tranen proefden zout als bloed en plakten aan het gras.

Toen ik was uitgesnikt, kon ik geruis van vleugelslagen horen. Daar, boven mijn hoofd, vloog een zwijgzame meeuw. Ik wilde nog iets zeggen, maar haar vleugels waren lang en sterk, ze keek niet op of om en liet zich door de wind de grote, blauwe zee op dragen.

03schelpenschelpen1280

Terrorisme en onzekerheid

door Leon Wecke

Leon Wecke is polemoloog, verbonden aan het CICAM en houdt zich met name bezig met beeldvorming in de internationale betrekkingen.

Veel onwoorden impliceren niet veel goeds. Je kunt maar beter niet onwaardig, onbeholpen, on-sympathiek, onrechtvaardig, onopgevoed of on-wijs zijn en ook niet onzeker. Zeker is immers iets dat boven iedere twijfel verheven is, iets dat ook nastrevenswaardig is. Niet voor niets bestaat het gezegde: ‘het zekere voor het onzekere nemen’. Een uitgangspunt dat ook heden ten dage te pas, maar ook te onpas, wordt gebruikt. Want kan niet evenzeer gelden: ‘het onzekere voor het zekere nemen?’. Zijn ook niet vele zekerheden na verloop van tijd, of bij nadere beschouwing, onzekerheden? Natuurlijk, in veel gevallen zal de zwaartekracht als blijvende zekerheid aanvaard dienen te worden. Het zou voor oorlogvoerenden een ‘inconvenient truth’ zijn als, althans in de aardse hemel, de afgeworpen bommen niet naar beneden zouden vallen, maar naar boven. Maar toch zou in veel grotere mate met het onzekere rekening gehouden kunnen en moeten worden dan nu het geval is.

Onzekerheid houdt voortdurende twijfel in. Er zijn onzekerheden, waarvan wij zeker zijn. In bepaalde gevallen kan de statistiek ons helpen bij een kansberekening inzake de ‘zekere onzekerheden’, die bij het streven naar bepaalde doelen ingecalculeerd moeten worden. Er zijn onzekerheden, die we nog niet kennen, maar waarvan we de aanwezigheid aanvaarden: ‘de onzekere zekerheden’. En ten slotte zijn er onzekerheden in de zin van relevante factoren of mechanismen, die niemand (nog) kent en waar niemand zich gedachten over gevormd heeft. In het laat-ste geval gaat het om pure onwetendheid. Men zie het rapport ‘Niet bang voor onzekerheid’ van de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek, Den Haag 2003.

Hoe zeker zijn we van onzekerheid als basis voor de angst, die nog steeds velen in de greep van het zogenaamde terrorisme houdt? En is het zeker dat terroristen hun daden uit onzekerheid plegen?

Om iets zinnigs te kunnen zeggen over de relatie tussen onzekerheid en angst voor terrorisme dient het verschijnsel terrorisme gedefinieerd te worden. En daar stuiten we al op een eerste on-zekerheid. Er zijn meer dan tweehonderd definities van terrorisme in omloop. Een universeel aanvaarde definitie bestaat niet. De een zijn terrorist is immers de ander zijn vrijheidsstrijder. En ook staten zullen, in het duistere licht van hun eigen daden, een permanente hinderpaal voor een algemeen aanvaarde definitie blijken te zijn. Wat terrorisme is en wie een terrorist is, is dan ook helemaal niet zeker, ‘zeker’ in de zin van ‘geen enkele twijfel mogelijk’. Het omgekeerde is eerder het geval: veel twijfel is mogelijk. Een zeker antwoord valt niet te geven. Als we hier dan toch even het zekere voor het onzekere nemen, - hetgeen in dezen in feite niet mogelijk is - zouden we uit kunnen gaan van een definitie van terrorisme als ‘een illegaal gewelddadig optreden ten einde via het veroorzaken van angst een bepaald – politiek, sociaal, religieus of ideologisch doel te bereiken’.

Het blijkt dat het ene volk meer angst voor terrorisme heeft dan het andere. Nederlanders zijn in veel grotere mate bang voor terroristische aanslagen dan andere volkeren. De Eurobarometer toont zulks aan. Als onzekerheid de basis voor die angst is, zouden Nederlanders dus onzekerder moeten zijn met betrekking tot terrorisme, dan welk ander Europees volk dan ook: onzekerder dan de Belgen, de Fransen, de Engelsen, de Ieren, de Duisters en de Denen. Nederlanders zien kennelijk in terrorisme een relatief groot gevaar. En waarom? Omdat bij terrorisme en natuurlijk bij de effecten van het anti-terreurbeleid, de twijfel het van de zekerheid wint? Maar je kunt ook angst voor terrorisme hebben als je er zeker van bent dat vandaag of morgen een aanslag gepleegd wordt. Opiniepeilingen laten zien dat 20 tot 40 procent en soms, afhankelijk van de vraagstelling, tot 60 procent van de Nederlandse bevolking een terroristische aanslag als een toekomstige werkelijkheid percipieert. Niet onzekerheid ligt ten grondslag aan de angst voor terrorisme maar de aangeprate, en op zich juiste, zekerheid dat men vroeg of laat slachtoffer kan zijn. Het grote risico dat men loopt, heeft te maken met een uitvergroting van het terrorisme. Als het echter om slachtoffers gaat zijn tal van andere bedreigingen veel aannemelijker. Wereldwijd denke men aan honger, armoede, ziekten en milieuvervuiling. Deze rampzalige toestanden leiden tot miljoenen slachtoffers per jaar. Het terrorisme is daarbij vergeleken peanuts. Wat Nederland betreft gaat het om ziekten, milieuvervuiling, het verkeer en zelfs medische nalatigheden. Zij zijn goed voor een duizendvoudig overtreffen van die ene tot grote publieke angst leidende terroristische moord, die Nederland als enig dodelijk slachtoffer van recent terrorisme in de geschiedenisboeken heeft kunnen bijschrijven.

De zekerheid dat terrorisme ons allen bedreigt, heeft zijn oorsprong in de menselijke behoefte aan veiligheid. Maslow positioneerde veiligheid dan ook op de tweede trap van zijn behoeftehiërarchie. Onveiligheidsgevoelens zijn ook onzekerheidsgevoelens, die met betrekking tot terrorisme getransformeerd worden tot de overtuiging dat terrorisme met zekerheid een ernstig gevaar inhoudt. Het gaat om een ‘zekere onzekerheid’, die onverantwoord uitvergroot wordt. Aan dat proces van uitvergroting zijn vele factoren debet. Daartoe behoort natuurlijk ook een feitelijke dreiging, maar evenzeer of in meerdere mate, de pers, die terrorisme als lievelingsitem koestert; de overheid, die niet nalaat de burgers te waarschuwen en hen oproept tezamen met 200 000 professionals de terrorist in de gaten te houden. Het onbekende van het terrorisme, dat per definitie onbemind maakt; politieke partijen die het bij verkiezingen vooral van de angst voor onveiligheid moeten hebben; de onvrijwilligheid van het gevaar dat men denkt te lopen en nog tal van andere factoren bepalen de inschatting van het risico.

De conclusie moet zijn dat niet onzekerheid de basis is van de angst voor terrorisme, maar de aangenomen zekerheid dat het terrorisme op een bepaald moment zal toeslaan.

Maar geldt niet voor de terrorist dat bij hem of haar wel onzekerheid de basis van hun handelen is? Wetenschappelijk onderzoek leert tot op heden dat veel terrorisme met name veroorzaakt wordt door een radicaliseringsproces, waarbij groepsdynamische processen een belangrijke rol spelen. Frustratie als gevolg van uitsluiting, miskenning, discriminatie, ervaren uitbuiting in heden en verleden, ervaren onmogelijkheden om effectief invloed uit te oefenen met legale mid-delen zijn factoren die uiteindelijk bepaalde groepen en of personen ertoe kunnen brengen terroristische daden te plegen. Het zijn groepsdynamische processen waarbij een aanvankelijk ervaren onzekerheid voor zekerheid plaats maakt: de terrorist in spe twijfelt aanvankelijk, maar zodra feitelijk de status van terrorist bereikt is, heeft zekerheid de plaats van twijfel ingenomen. Juist de ervaren zekerheid dat terroristische daden de enige mogelijkheid zijn om het gekozen doel naderbij te brengen, is een overtuiging die de motivatie tot terroristische daden voedt.

Overheden zullen er goed aan doen de onzekerheid, de twijfel met betrekking tot terrorisme als een zekerheid te aanvaarden, temeer daar de als zodanig ervaren zekerheid van aanslagen bij een deel van de burgers en de zekerheid van het eigen gelijk bij de terroristen in het gedrag van beide groepen van cruciaal belang zijn.

Op de keper beschouwt zijn de zekerheden van de bange burger en de overtuigde terrorist onjuistheden. Hun analyse van de werkelijkheid klopt niet. Twijfel is hier juist op zijn plaats. Helaas is niet de werkelijkheid bepalend voor het gedrag, maar dat wat voor de werkelijkheid versleten wordt. Het bekende Thomastheorema luidt immers: ‘If men define situations as real, they are real in their consequences’. Soms is het niet van belang onjuiste beelden te corrigeren. De werkelijkheid kan immers zodanig ernstig zijn dat het ervaren van die werkelijkheid tot nog meer pessimisme en geweld kan leiden. Op het gebied van terrorisme kan echter wel gesteld worden dat de zekerheid die ten grondslag ligt aan enerzijds publieke angst en anderzijds terroristische dadendrang in werkelijkheid een on-juist oordeel is.

Vooralsnog zullen overheden en media, alsmede diverse andere instituties, ertoe bijdragen dat men inzake terrorisme nog steeds het zekere voor het onzekere neemt.

Van meer werkelijkheidszin getuigt het om als uitgangspunt het onzekere voor het zekere te nemen. De ‘zekere onzekerheid’ is immers een zekerheid waarvan men op het gebied van terrorisme nog te weinig uitgaat, dat is een ding dat zeker is.

Verloren in een zee van Arabieren

door Teije Hidde Donker

Onderzoeker aan Instituut Cligendael. Hij studeerde ontwikkelingsstudies en politicologie en heeft in Damascus en Cairo Arabisch gestudeerd.

De Moskee naast de deur die elke nacht met zijn Alaaaaahu Akbar mij wakker maakt – waarna het onmogelijk is weer in slaap te komen. Je ogen open doen en enkel het zwart van de nacht zien. Het gevoel hebben nooit meer iemand te kennen. Aanvallen van sociale claustrofobie: een gevoel van totale en eeuwig durende eenzaamheid: verdronken in een stad met miljoenen Arabieren als de enige Nederlander in zicht.

Caïro is een stad met ongeveer zeven miljoen inwoners. Een stad waar oversteken (er zijn nauwelijks verkeerslichten en niemand houdt zich aan verkeersregels) levensgevaarlijk is. Chaos met een hoofdletter. Een maand eerder was ik verhuisd uit Damascus, Syrië, om een ander Arabisch land en dialect te leren kennen. Was het naïviteit? Maar zelfs Damascus (drie miljoen inwoners) is een dorp vergeleken met Caïro. Het Egyptisch dialect bleek heel anders dan Syrisch: zij verstonden mij wel, ik hun niet. Constant hetzelfde gesprek als resultaat: “Sorry, ik wil naar de stad”. Antwoord, waar ik niets van versta. “Eh.. Sorry”. Zelfde antwoord, waar ik weer niets van versta, alleen dan luider. Een dialoog van de doven: lost in translation was er niets bij. Ik was geparachuteerd in een volledige nieuwe omgeving: kende niemand, kende de stad niet, en kende het dialect niet.

Mijn appartementje was in een Shabi buurt: een echt volksbuurtje. De moskee naast de deur, al-tijd markt op straat, mensen altijd buiten – veel Egyptischer kan het niet. Al vrij snel kreeg ik 's nacht angstaanvallen. In slaap komen lukte vaak nog wel: moe van een dag nieuwe indrukken, boek lezen en de ogen dicht. Maar na 's nachts wakker worden bleek het onmogelijk weer in slaap te vallen. Niemand zou ik meer kennen. Nooit.

Het gevoel voor maat was weg. Het is als het moment voor je op reis gaat: je bedenkt wat er allemaal fout kan gaan – en anderen helpen graag mee. “Je kan onder een auto komen – pas je goed op met oversteken?” (ouders). “Ja... je bent blank. Overvallers weten wie ze moeten hebben” (vrienden). “Enneh... zaten daar in het Midden Oosten geen Moslims?!” (iedereen die lollig wil zijn). Angst visioenen over terrorisme, het Moslim broederschap en al-Qaeda worden als een continue stortvloed over je heen gegooid. Afgezien van het feit dat de meeste angstvisioenen totaal onzin zijn (Caïro en Damascus zijn, afgezien van het verkeer, heel veilige steden) zit er geen perspectief in: je ziet alle gevaren en angsten tegelijkertijd. In de werkelijkheid komen problemen een voor een op je af, en de oplossingen ook.

En zo is het ook met de eenzaamheid. De volgende ochtend opstaan – adem in, adem uit – en actie ondernemen. Bezig gaan en je komt er achter dat in een stad van zeven miljoen, if you get out there, "alleen" een relatief begrip is. Soms is het gewoon doen, een stap tegelijkertijd – dan worden dingen die onoverkoombaar leken, niet meer dan een opeenvolging van kleinere problemen en uitdagingen.

Al snel kom je ze tegen: in de stad, op de universiteit, het Nederlands instituut, voor de immigration office. Voor je het weet zit je met mensen uit Frankrijk, Canada, Duitsland biertjes te drinken. Of met Pakistani, Jemenieten, Afghanen en Egyptenaren – alleen dan thee. Erkennen dat je in het totale Onbekende bent gestapt; en dat angsten en onzekerheden tegemoet treden, door gewoon door te gaan waar je mee bezig was, de beste manier is om ze te overwinnen. Dan kom je er achter dat in het grote Onbekende de mooiste momenten verborgen liggen.

En die Moskee? Uiteindelijk is dat het meeste wat ik mis van mijn appartement: het gezang van de minaretten over de daken van Caïro, het geslof van mijn onderburen naar de moskee, 's nachts. Het besef van de schoonheid van het Midden Oosten.

Citaat van de straat

door Theo Koster

Als je zelf onzeker bent, vraagt dit om mensen die jou stem geven.

Student taal- en spraakpathologie, 25 jaar

Onzekerheid roept bij mij op, doet me denken aan, mijn eigen leven, hier en nu.

Student scheikunde, 26 jaar

Onzekerheid is voor mij: je anders voordoen dan wie je werkelijk bent.

Student rechten, 21 jaar

Vind ik lastig; is een vervelend gevoel.

Student geneeskunde, 20 jaar

Onzekerheid roept bij mij direct twijfel op, heel veel twijfel.

Student antropologie, 20 jaar

Onzekerheid is de liefde en wat mensen van je vinden; veel kun je zelf regelen, maar dit niet.

Student sociale geografie, 24 jaar

Is een bekend thema voor mij, iets wat ieder kent en ik in het bijzonder; het is een reden om eens de meditatiecursus te volgen.

Student psychologie, 24 jaar

07brainblackman

Onzekerheid in psyche en brein

door Susanne van Eck

Sinds kort master Cognitive Neuroscience. Nu student Neuro- en Revalidatiepsychologie aan de RU.

Inleiding

Onzekerheid is een concept dat zowel in de neurowetenschappen als in het dagelijks leven meerdere betekenissen heeft. Wanneer we het in het dagelijks leven over een onzeker persoon hebben, doelen we meestal op iemand die sterk aan zichzelf twijfelt en geen positief zelfbeeld heeft. Een ietwat andere betekenis van onzekerheid komt naar voren in uitspraken als “een onzekere uitkomst”, waarmee we enkel verwijzen naar een gemis aan kennis over wat de uitkomst van een bepaalde situatie gaat worden. In de eerste betekenis heeft onzekerheid een emotionele lading, in de tweede betekenis niet.

Als je het over deze emotionele onzekerheid hebt, kun je spreken van twee soorten: “state”-onzekerheid en “trait”-onzekerheid. In de psychologie is een “state” een tijdelijke, voorbijgaande staat waarin iemand zich bevindt. State-onzekerheid is dus zoveel als een tijdelijke onzekerheid over een bepaalde situatie. Een voorbeeld: onverwachts komt je zeer gestructureerde en nette schoonmoeder op bezoek, terwijl je net het huis op z’n kop heb gezet op zoek naar je vermiste hamster. Op zo’n moment kun je je onzeker voelen, terwijl je daar anders nooit last van hebt. Een trait is een stabiele eigenschap van iemand: trait-onzekerheid zie je bij personen die zich in vrijwel elke situatie onzeker voelen, of dat nu bij hun schoonmoeder is, voor een grote groep vreemden, of bij hun beste vriendin.

Onzekerheid als stoornis

De “chronische” of “trait”- onzekerheid die kenmerkend voor iemand kan zijn, hoeft nog niet beperkend te zijn voor het dagelijks functioneren. Onzekerheid over het eigen functioneren kan in sommige gevallen mensen aansporen juist harder te werken, bijvoorbeeld voor hun studie, met goede resultaten tot gevolg. Echter, in andere gevallen kan de onzekerheid leiden tot serieuze psychische problematiek, waarbij uitgebreide diagnostiek en behandeling van groot belang is voor het welbevinden van de persoon. Zo kan een persoon die zeer onzeker is over zichzelf in een depressie raken. De eens onschuldige onzekerheid slaat om in voortdurende besluiteloosheid en ernstige gevoelens van waardeloosheid. Iemand kan het plezier in het leven volledig verliezen en zelfs zelfmoordneigingen gaan ontwikkelen. Een andere pathologische uiting van onzekerheid is de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Bij een dergelijke stoornis is de onzekerheid over zichzelf doorgeslagen in een permanente afhankelijke opstelling jegens de buitenwereld. Iemand die gediagnosticeerd is met deze stoornis gaat zich extreem hulpeloos gedragen, schuift het liefst de verantwoordelijkheid over belangrijke zaken af op anderen, en durft nauwelijks nog aan taken te beginnen zonder andermans steun. En derde verstoorde vorm van onzekerheid uit zich in angststoornissen.

Het is goed voor te stellen dat een persoon uit ernstige onzekerheid een sociale fobie ontwikkelt: een extreme angst voor sociale situaties. Maar ook de obsessief-compulsieve stoornis, waarbij de persoon dwanggedachten en/of dwanghandelingen heeft, kan voortkomen uit een vorm van onzekerheid. Zo kan een persoon onzeker zijn over of hij wel schoon genoeg is, met als gevolg het vaker handen gaan wassen. Op den duur kan het handen wassen een dwangmatig ritueel op zich worden, dat geenszins nog gerelateerd is aan de behoefte schoon te willen zijn.

In het brein

Tegenwoordig zoeken de dames en heren wetenschappers de verklaring van psychische stoornissen bij voorkeur in het brein. De geschiedenis heeft ons per ongeluk geleerd dat medicijnen een zeer positief effect kunnen hebben op gedrag van mensen met een psychische stoornis. Zo weten we nu dat Ritalin een zeer nuttig middel kan zijn in de behandeling van de symptomen van ADHD, maar dit hadden we wellicht nooit geweten als niemand jaren geleden had gemerkt dat stimulerende middelen de symptomen verminderden. Daar staat echter tegenover dat we nog lang niet precies weten welke stoffen en welke hersengebieden op welke manier precies betrokken zijn bij deze stoornis. Tegen onzekerheid bestaat helaas geen medicijn, maar de wetenschap zit zeker niet stil.

Emotionele onzekerheid is, ondanks geavanceerde technieken, helaas lastig te onderzoeken. De belangrijkste oorzaak hiervoor ligt mogelijk in het feit dat maar weinig mensen durven toe te geven dat ze soms onzeker zijn. Nog minder mensen durven toe te geven dat ze bijna altijd onzeker zijn. Dit bemoeilijkt het samenstellen van een groep onzekere proefpersonen voor een neurowetenschappelijk onderzoek zeer. De wetenschap zit hierdoor in een lastig pakket, dat ook nog eens bemoeilijkt wordt door methodologische problemen. Emotionele onzekerheid komt met name voor in sociale situaties. Het natuurgetrouw nabootsen van dergelijke situaties is op zich al moeilijk genoeg, zeker als je als onderzoeker ook nog tegelijkertijd de hersens wilt scannen. Toch hoeven we niet helemaal ontmoedigd te raken van deze kennis, want er is wel degelijk onderzoek verricht naar de neurologische aspecten van onzekerheid. Dit onderzoek richt zich in de meeste gevallen niet op onzekerheid an sich, maar op een syndroom: meerdere symptomen die tezamen een stoornis vormen, zoals depressie. Zo blijken depressieve patiënten over het algemeen een kleinere hippocampus te hebben, het gebied dat grofweg verantwoordelijk is voor ons geheugen. Ook de amygdala, ons emotiecentrum, lijkt bij depressieve personen kleiner te zijn . Daarnaast is de orbitofrontale cortex, het stukje brein net achter je oogkassen, betrokken bij depressie: bij depressieve patiënten is de orbitofrontale cortex vaak kleiner en minder actief dan bij gezonde personen. Tot slot wordt er ook veel gespeculeerd over de rol van verschillende neurotransmitters, de stoffen waarmee hersencellen communiceren, in het ontstaan van depressie. Een gedateerde, maar invloedrijke theorie stelt dat met name de neurotransmitters dopamine en serotonine minder aanwezig zijn, waardoor de communicatie tussen de verschillende hersengebieden minder goed verloopt, met als gevolg depressieve symptomen. Hoewel deze bevindingen voortkomen uit onderzoek naar depressie, tonen ze in ieder geval hoe complex het brein in elkaar zit wanneer het concepten als onzekerheid betreft.

Evolutionair nut van onzekerheid

Zo op het oog lijkt onzekerheid te leiden tot niets dan slechts, variërend van sociaal onvermogen tot depressie en angststoornissen. Een vrij algemene veronderstelling is echter dat iedere menselijke eigenschap ontstaan is als gevolg van evolutie, en dat iedere menselijke eigenschap een bepaald nut moet hebben. Kort door de bocht zorgt evolutie ervoor dat de eigenschappen die nuttig zijn voor het overleven van de soort meer en meer in deze soort zullen gaan vóórkomen in de loop der generaties. Dit zou betekenen dat, aangezien onzekerheid geen zeldzame eigenschap is bij onze soort, het toch ergens zijn evolutionaire nut moet hebben. Dit nut is wellicht terug te vinden in de oertijd, toen onze voorouders aan een breed scala aan gevaren werden blootgesteld. Woeste holenberen en onverwachte stormen eisen van de oermens een zorgvuldige afweging van alternatieven. Onzekerheid over hoe te handelen verhoogt de kans dat je als oermens niet altijd maar op jacht gaat “no matter the weather”, maar ook eens de storm afwacht om daarna pas die holenbeer te gaan vangen. Zo zou onzekerheid de kansen op overleving van het individu kunnen vergroten. Een ander perspectief op onzekerheid komt voort uit een theorie over het belang van hechting tussen ouder en kind. Bowlby stelt in zijn theorie dat onzeker en hulpeloos gedrag de verzorger motiveert een nauwe relatie te onderhouden met zijn kind. Hier is het kind natuurlijk zeer bij gebaat, want een goede verzorging verhoogt de overlevingskansen aanzienlijk.

Onzekerheid speelt voor de mens duidelijk een belangrijke rol. Toch is het nut van onzekerheid, zijn rol in de sociale omgang, en zijn plek in onze psyche en ons brein nog deels onbekend terrein. Misschien dat wij ons maar neer moeten leggen bij een oude Chinese wijsheid: “Onzeker zijn is misschien oncomfortabel, maar zeker zijn is belachelijk.”.

De stralende zon

door Femke Klein

Afgestudeerd kunstzinnig therapeut

Er was eens lang geleden, in een land hier heel ver vandaan, een jongen. Het was een gewone jongen. Hij was niet heel groot en niet heel klein, had blond piekhaar en droeg een broek en een trui. Hij woonde met zijn ouders in een klein huisje in het dorp.

Iedere dag stonden zijn vader en moeder vroeg op en gingen naar hun werk. Zij kwamen pas ’s avonds weer thuis en de jongen moest in die tussentijd zichzelf zien te redden. Nu was hij oud genoeg om eten te kunnen maken en het huis aan kant te houden, maar er was iets wat er voor zorgde dat hij zich heel eenzaam voelde. Hij durfde niet naar buiten, hij was bang.

Wanneer zijn ouders ’s morgens weg gingen, kroop hij stilletjes zijn bed uit en ging in de keuken op een stoel bij het raam zitten. Zo keek hij de hele dag naar buiten en verwonderde zich over de mensen die daar liepen en de kinderen die op straat speelden. Maar hij zorgde er wel voor dat hij zelf niet gezien werd. Als er eens een kind zijn kant op keek, verstopte hij zich vlug achter het gordijn. Daar zat hij dan en voelde zich verdrietig. Hij wilde zo graag meedoen, naar school gaan, in de tuin werken en net zo zijn als de andere kinderen.

Toen hij op een ochtend in het vroege voorjaar wakker werd, had hij het gevoel dat alles anders was. Liggend in zijn warme bed hoorde hij de vogels buiten vrolijk fluiten en terwijl hij zijn raam op een klein kiertje zette, rook hij de heerlijke geur van bloemen en gemaaid gras.

Die dag besloot hij dat hij het kon. Toen zijn ouders ’s morgens de deur uit gingen, stond hij op, kleedde zich snel aan en liep naar de voordeur. Met trillende handen deed hij de deur een stukje open en stond hij in het heldere licht van de opkomende zon. Langzaam, voetje voor voetje, deed hij een paar stappen de tuin in. Spiedend keek hij om zich heen, maar op dit vroege tijdstip was er nog bijna niemand op straat.

Vanaf dat moment ging hij iedere ochtend naar buiten. Hij schuifelde over straat, bang om geluid te maken. En hij liep gebogen, bang om te worden gezien. Hij liep aan de kant van de stoep, zijn hand zocht zekerheid bij de tuinhekjes die hij tegenkwam. Maar naarmate de weken voorbijgingen en de zon steeds meer aan kracht begon te winnen, voelde hij zich groeien. Hij durfde steeds meer om zich heen te kijken naar de vogeltjes in de bomen en de bloemen in de tuintjes waar hij langs liep.

Wanneer hij eens iemand tegenkwam, schrok hij en wenste dat hij thuis zat, veilig achter het gor-dijn. Maar iedereen knikte hem vriendelijk goedendag en langzaam begon hij er aan te wennen. Ook als het eens tegenviel zette hij door en ging de volgende ochtend toch weer naar buiten. En na een tijdje begon hij zich zelfs al ’s avonds te verheugen op zijn wandeling van de volgende morgen!

Toen het zomer werd was hij al zover dat hij huppelend over straat durfde en er niet meer van schrok wanneer mensen hem aanspraken. Hij vergat geregeld de tijd, waardoor hij niet meer op tijd thuis was voor het dorp ontwaakte. En hij begon er zelfs plezier in te krijgen iedereen een goedemorgen te wensen. Alleen als hij in de verte kinderen zag spelen liep hij nog de andere kant op en keek dan van een afstandje toe hoe zij speelden.

Op een dag midden in de zomer waren er veel kinderen op straat. De jongen liep een eindje verderop rustig te kijken naar bloeiende bloemen, toen hij opeens een meisje hoorde huilen. Hij liep op het geluid af en zag een meisje van zijn leeftijd onder een boom staan. Ze keek naar boven en toen hij haar blik volgde zag hij een jong poesje boven in de boom. Het keek angstig, miauwde zachtjes en durfde er niet uit. De jongen keek het meisje aan en voelde zich van binnen warm worden.

Zonder te twijfelen liep hij naar de boom en heel voorzichtig en geconcentreerd zette hij zijn handen tegen de stam en zijn voet op de eerste tak. Zo klom hij langzaam maar trefzeker in de boom. Terwijl hij bezig was, kwamen er steeds meer kinderen onder de boom staan. Ze keken vol bewondering hoe hij hoog in de boom het poesje pakte en voorzichtig weer naar beneden klom.

Toen hij weer veilig op de grond stond, gaf hij het poesje aan het wachtende meisje en zij schonk hem de mooiste glimlach die hij ooit had gezien. De kinderen begonnen te klappen en waren vol bewondering. Met zijn allen brachten ze het poesje naar huis en toen gingen ze weer spelen. De jongen wilde er stil vandoor gaan, maar het meisje vroeg hem mee te spelen.

Zo gebeurde het dat de jongen in die mooie lange zomer iedere dag op straat te vinden was. Hij speelde met de andere kinderen mee in de stralende zon. Zo leefde hij nog lang en gelukkig in het kleine huisje in het dorp, met de hele omgeving als zijn speelplaats.

09doofgeorgieonsoepasfoto Georgie Onsoe

"Plotsdoof, een nieuwe wereld"

door Georgie Onsoe

Zeven jaar geleden plotsdoof geworden door een hersenvliesontsteking

Zomer 2001 hadden we een heerlijke vakantie in Frankrijk. We kampeerden met vrienden langs een riviertje. De kinderen speelden leuk met elkaar. En wij, verantwoorde ouders, dronken veel en zorgden voor de lekkerste maaltijden. ’s Avonds bij het vuur vermaakten we elkaar met griezelverhalen, spelletjes of keken naar de sterren… Alles was heerlijk simpel en zorgeloos.

Ik werd ziek. Ik lag te bibberen in de tent terwijl het buiten over de 30 graden was. De derde dag ging het wat beter, al voelde ik me nog slapjes. Buiten was het lekker fris als na een flinke regenbui. Het had die middag vreselijk hard geonweerd. De donder knalde tegen de rotswand, de bomen kraakten en de bliksem knetterde door de lucht. Dikke druppels roffelden op het tentdoek en Edgar, mijn jongste zoon, lag dicht tegen me aan. Samen genoten we van het onweer. Het was fantastisch. Daarna heb ik het nooit meer horen donderen.

Een paar dagen later ging het mis en werd ik wakker op de intensive care. Mijn vader keek bezorgd en schreef voor me op dat ik een hersenvliesontsteking had en nu doof was. Ik was nog te suf om het te beseffen.

De eerste tijd werd ik ontzettend warm opgevangen. Iedereen was geduldig en veel werd opgeschreven. Ik was vooral blij dat ik er nog was. Natuurlijk was ik ook verdrietig om mijn kinderen niet meer te kunnen horen, geen muziek, geen grappen, niets begreep van de gesprekken om me heen en zoveel meer. Communiceren was opeens een hele klus; de meest simpele dingen konden zo ingewikkeld zijn. Desondanks had ik heel sterk het vertrouwen dat ik me wel zou kunnen redden. Als je doof wordt, laat je je toch niet afschrijven! En tenslotte ben ik niet de enige dove op de wereld (…maar waar zijn ze allemaal?).

Liplezen en gebarentaal vond ik altijd al zoiets wonderlijks en ik wilde het doofzijn niet lijdzaam en passief ondergaan.

Ik begon vol goede moed en als eerste leer je nieuwe begrippen. Voordien had ik nooit contact met mensen met een auditieve beperking en zo vanuit de verte leek het spraakafzien ze zo makkelijk af te gaan. Niets is minder waar. Wat is dat inspannend! Elke keer weer en zo is het nog steeds. Als je je goed concentreert is zo’n 30% van wat er gezegd wordt, te zien aan het mondbeeld. Een deel maak je op uit de context, mimiek en lichaamstaal en de rest is raden. Ik vergeleek mezelf wel eens met een google-machine. Je ziet een paar letters, begrippen, en in je hoofd ratelen allerlei mogelijkheden voor ogen. Alle info komt via een omweg binnen, het is druk in je hoofd, al zie je dat niet van de buitenkant af. En natuurlijk komt het vaak genoeg voor dat je het toch niet helemaal begrepen hebt, met alle gevolgen van dien zoals ruzies, irritaties, misverstanden. Hoewel, misverstanden kunnen ook ontzettend grappig zijn en mijn gevoel voor humor ben ik gelukkig niet verloren.

Na verloop van tijd lukte het om de grote lijnen van een bericht of gebeurtenis te volgen. De mensen om je heen hebben intussen geleerd om hun verhaal kort en bondig te vertellen (zo mogelijk met mimiek of gebaren). Maar de manier waarop iemand iets zegt, het woordgebruik, woordgrapjes, de emotie in je stem komt niet mee. En dat voelt kaal, zo arm, juist omdat je weet hoe een gesprek kan zijn. Je weet heel goed wat je mist.

Je komt in een nieuwe wereld. Alles is nog wel hetzelfde maar het klopt niet meer.

Niet kunnen verstaan, geen geluid meer horen… Het was alsof alles langs me heen ging en mij niet raakte. Alsof ik naar een film keek zonder geluid. Zo onwerkelijk om op de Munt in Amsterdam te lopen zonder de herrie van trams, auto’s, mensen en muziek.

Dat de gevolgen van plotsdoofheid op zoveel vlakken doorwerken, daar had ik niet eerder bij stilgestaan. Het vraagt om aanpassing en verandering met betrekking tot je sociale contacten, ontspanning, werk, opleiding. En niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn naasten. Ook zij moesten wennen aan de nieuwe situatie en erg veel geduld opbrengen.

Verwarrend was de verandering in mijzelf. Ik bleek nu helemaal niet meer zo’n gezellige gastvrije dame te zijn. Als ik iemand aan zag komen wilde ik het liefst achter de bank kruipen. Van een mensenmens veranderde ik nog net niet in een kluizenaar. Ik moest natuurlijk ook van mijn kant rekening houden met mijn huisgenoten.

In groepen voelde ik me afgesneden van de rest. Niet kunnen deelnemen aan interessante discussies was alsof ik mijzelf was kwijtgeraakt. Je voelt je verloren als iedereen om een grap lacht. Je snapt er niks van en wilt nooit meer naar zulke feestjes gaan. Je wereld wordt kleiner en je wordt selectiever in je contacten. Je doet toch je best om een gezellig hoofd op te zetten als je eens uit bent. Een chagrijnige kop stoot iedereen af en eigenlijk wil je zo graag onder de mensen zijn. Je wilt niet in het niets verdwijnen. Net als iedereen heb je contact nodig… Een avondje uit wordt echter weer leuk als iemand even opschrijft of kort uitlegt waar het over gaat. Je snakt gewoon naar contact.

Juist als je nog zo veel moet leren heb je anderen hard nodig. Je bent opeens voor een deel van hen afhankelijk voor informatie en uitleg. Je moet er een stukje zelfstandigheid voor inleveren.

Moeilijker is het om je over het gevoel heen te zetten tot last te zijn. Je moet wel doorvragen om iets duidelijk te krijgen, soms tot vervelens toe. Het gevoel iets belangrijks te missen, dat maakt je erg onzeker.

Je moet assertief zijn. Ik geef ook elke keer meteen aan dat ik doof ben en dat ik goed moet kunnen zien wat ze zeggen. Ik schaam me er niet voor en zo krijgt de ander ook de gelegenheid om er rekening mee te houden. Dat werkt meestal goed. Gelukkig zijn er mensen die zich niet door mijn beperking laten weerhouden en gewoon contact zoeken. Soms nieuwsgierig, prima. Vaak zijn dit juist leuke spontane ontmoetingen, die kleuren de dag.

Het heeft veel uitgemaakt dat ik op latere leeftijd (41 jaar) plotsdoof werd. Het maakt alleen de verandering in je leven niet minder ingrijpend.

Wanneer het contact met de werkelijkheid en je omgeving ruw verstoord wordt, ervaar je heel sterk dat communiceren een basisbehoefte is en contact met je medemens van levensbelang.

De eerste tijd doorsta je zoveel heftige gevoelens als afgesneden zijn, boosheid, verdriet en frustraties. Maar ook heel intens de positieve en warme reacties. Langzamerhand wordt dat minder heftig.

En zo, door de jaren heen, heb ik een nieuwe plek gevonden tussen plotsdoven en horenden. Het is in de nieuwe wereld, niet eens zo ver hiervandaan. Ik heb op een andere manier leren communiceren en durf meer af te gaan op mijn gevoel en dat wat ik zie, want horen is zien. En het is waar. Gebarentaal zit wonderlijk in elkaar. Heel mooi en handig. Het maakt een betere communicatie mogelijk. Een gebaar zegt zo veel meer.

09stilte1

graaien

het is me zomaar overkomen

plots verlost van alle herrie

gister een zorgloos leventje

vandaag onbegrip als maatje

mijn nieuwe maatje is gelijk

onweer zonder gedonder

luchten met bliksemschichten

wetend dat daarna de donder komt

al het ongrijpbare dat naar mij komt

pakt mijn hoofd handen lijf

kijken tasten ruiken

graaien in een bad vol onzekerheid

het ongrijpbare wil ik grijpen

ook zonder die subtiele geluiden

vaak franjeloos kaal en arm

gulzig zoekend naar warme zekerheid

Cor Toonen

Plotsdoof

10 van 1 met Thijs-Willem Baayen

Thijs-Willem Baayen (20) studeert rechten en politicologie aan de RU. Sinds 2007 is hij lid van de bestuursraad van de Studentenkerk.

1 Welk boek, welke film of welk muziekstuk zou je iedereen aanraden om te lezen, zien of horen?

De Matthäus Passion van Bach. Er zitten ontzettend veel lagen in. Iedere keer haal je er iets anders uit, afhankelijk van je stemming.

2 In welk onderwerp zou je je nog willen verdiepen?

Ik verdiep me al in een heleboel dingen. Op het moment dat iets langskomt, probeer ik het al te begrijpen. Dat is in feite hoe ik leer: lezen wat anderen uitgezocht hebben en dan verbanden leggen, vaak verbanden die anderen nog niet hadden gelegd.

3 In welke omgeving kom je het best tot je recht?

Daar waar ik ladingen boeken om me heen heb én mijn vrienden om af en toe lekker mee te praten.

4 Mijn leven heeft een wending genomen toen …

Ik vraag me af of mijn leven wel een andere wending heeft genomen. Als je het hebt over een keerpunt, dan heb je het ook over een doel. Ik ga ervan uit dat er geen doel is. En als je daarvan uitgaat, dan zijn zulke “keerpunten” alleen dingen die je meemaakt. Dat is bagage die je meekrijgt en waar je anderen mee kunt steunen, omdat je begrijpt wat zij meemaken.

5 Wat is de beste raad die je ooit gekregen hebt …
Wees jezelf. Het allereerste wat je moet doen om überhaupt een beetje te kunnen leven is accepteren hoe je zelf in elkaar steekt en je niet anders voordoen dan je bent.

6 Wat doen we met de katholieke identiteit van de RU?
De katholieke identiteit moet je heel hoog houden, want katholiek betekent “algemeen”. Met levensvragen heb je een betere poot om op te staan, maar je moet de uitleg vrij laten en daar is de katholieke kerk nooit zo goed in geweest… in vrijheid geven. Ik heb er dus niet zoveel vertrouwen in dat het goed is als ze meer gaan doen met de katholieke identiteit. Dan heb ik liever dat ze er neutraal in blijven.

7 Wat heeft de ideale universiteit dat de RU niet heeft?

Ruggengraat. Zet ergens op in. Niet alleen maar op kennis, dat doet iedereen. Iedereen gaat voor elitestudenten… ga hier bijvoorbeeld niet voor elitestudenten, maar zorg voor ál je studenten, sociaal gezien. Of geef de ruimte aan studies die klein zijn, geld slurpen, maar waarbij je het gevoel hebt dat ze zin hebben.

8 Geloof, atheïst of iets anders ...

Ik kom uit een protestantse traditie, maar ik heb mijn eigen weg in geloof moeten vinden.

Rond het eind van je puberteit komt meestal een moment waarop je met je geloof niets meer kan, dan moet je het hele geloof laten flikkeren en het uit de brokstukken zelf weer opbouwen. Daarvóór geloofde je wat anderen geloofden en daarna vind je uit wat je zelf gelooft. Dat moet je ook doen, omdat het je basis is, zonder gaat het ook niet goed. Dat is allemaal je eigen weg. Heb het lef die eigen weg te vinden.

9 De kerk ...

is een plek om te discussiëren met mensen over wat je nu eigenlijk denkt en vindt.

10 Wat is het eerste dat bij je opkomt bij het thema “Onzekerheid” …

Jezelf opnieuw uit moeten vogelen… onzekerheid is heel hard nodig, maar kost verschrikkelijk veel energie.

thijswillemnov08

Geloven in onzekerheid

door Erik Borgman

Hoogleraar systematische theologie, departement religiewetenschappen en theologie, Universiteit van Tilburg

Er is in het wereldje van religiewetenschappers en theologen veel discussie over de zogenoemde ‘terugkeer’ van religie. Soms spreekt men ook wel van een ‘heropleving’. Nadat lang de onvermijdelijkheid van de secularisatie is verkondigd, blijkt de religie volgens velen helemaal niet te verdwijnen. Religie verandert alleen van gedaante. De belangstelling ervoor neemt niet af, maar juist toe. Andere deskundigen laten niet zonder enige reden hun scepsis blijken over een al te gemakkelijk spreken van oplevende religieuze belangstelling. In ieder geval leidt dit in onze streken niet tot een hernieuwde aantrekkingskracht van het traditionele christendom en de grote kerken.

Toch is er wel degelijk, zeker onder studerende jongeren, belangstelling voor religie en spiritualiteit. Wat mij daarin fascineert, is dat het zichtbaar maakt dat de grote vragen van het leven voluit terug zijn. Zowel in het zoeken van mensen naar een persoonlijke spiritualiteit als het zich hernieuwd laten inspireren in politieke discussies en maatschappelijk handelen door religieuze tradities – en daar sluit ik de politieke islam en het wereldwijd sterk groeiende evangelische christendom nadrukkelijk bij in –, komt aan het licht dat het leven niet te vangen is in het denkmodel van het zo efficiënt mogelijk bereiken van een doel. Goed leven lijkt uiteindelijk te betekenen: kunnen vertrouwen op het absolute dat ons omvat en draagt, dat al onze doelen en middelen omvat en daarmee relativeert. Er komt in religie en spiritualiteit een vraag aan het licht die fundamenteel lijkt voor het menselijk leven: van wie zijn wij en wie bekommert zich om ons?

Deze vraag is allereerst te verstaan als een aanklacht tegen de onverschilligheid en de onzekerheid die het hedendaagse bestaan voor mensen betekent. Jonge mensen worden geacht zich voor te bereiden op een toekomst die niemand van ons nog kent, want het gaat precies om toekomst. Niettemin moeten studenten nu de opleiding kiezen die ze straks een baan geeft waarin zij vervulling vinden en die het mogelijk maakt dat zij de hypotheek kunnen betalen. De samenleving komt hen op geen enkele manier tegemoet of bekommert zich merkbaar om hen. Zij zegt niet: wij hebben je nodig. Zij zegt niet: als je dit doet, dan wordt dat gewaardeerd. Zij stelt eisen waaraan je moet voldoen en als je daarin slaagt, dan geeft je dat misschien toegang tot de arbeidsmarkt – zeker is het nooit. Als het fout gaat, is het jouw schuld: niet goed gekozen, niet hard genoeg gewerkt, niet in staat anderen te overtuigen dat jij van belang bent. Maar je bent er nooit zeker van dat je het goed doet.

Het is niet vreemd dat studenten proberen aan de stress te ontsnappen die deze voortdurende druk om goed te kiezen met het oog op een onzekere situatie met zich meebrengt. Drankmisbruik en drugsgebruik kwam in de tweede helft van de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig, toen ik studeerde, ook voor. Maar wij hadden niet het gevoel dat het leven onontkoombaar onzeker was en velen van ons wilden verstandige intellectuelen zijn. Wij werden politiek actief om de samenleving te veranderen. Hedendaagse studenten geloven niet langer dat zij de samenleving naar hun hand kunnen zetten. Zij proberen de onontkoombare onzekerheid die dit met zich meebrengt, hanteerbaar te maken en binnen de perken te houden.

Als ik erover nadenk, dan vind ik het opmerkelijk dat er maar zo weinig studenten in Nederland onder deze omstandigheden lijken te kiezen voor aanbieders van absolute zekerheid. Vormen van religie die de waarheid in pacht menen te hebben en die hun aanhangers in een klap van alle onzekerheid pretenderen te bevrijden, hebben onder jongeren maar weinig aanhang. Ik hoorde laatst van een imam dat hij met enige regelmaat Nederlandse meiden bij zich kreeg die moslim wilden worden, omdat zij de cultuur van ‘alles moet kunnen’ zat zijn en worden aangetrokken door de duidelijkheid die de islam biedt, maar statistisch gezien is dit denk ik van weinig betekenis. Ook worden jongeren niet massaal paus- en hiërarchiegetrouw katholiek, al hebben sommigen wel een nieuwsgierige belangstelling voor de meer robuuste vormen van christelijk belijden.

Als hedendaagse jongeren al zekerheid zoeken in geloof, dan lijken zij dat te doen in het geloof in zichzelf. Verschillende vormen van spiritualiteit prijzen zichzelf nadrukkelijk aan als uitweg uit de onzekerheid die openheid voor de wereld oplevert. Als je jezelf vindt en bij jezelf blijft op de manier waarvoor wij je kunnen toerusten, zo zeggen zij, dan laat je je niet meer afleiden van het pad dat jij voor jezelf uitstippelt. Dan twijfel je niet meer doordat anderen je harmonie verstoren. Dan word je niet onzeker door anderen die jou hun normen willen opleggen. Dan stuur je jezelf en vaar je onverstoorbaar op je eigen kompas.

Gelukkig lijken de meesten deze rotsvaste zekerheid in zichzelf niet te vinden. Zij laten zich steeds weer afleiden door anderen dan vooraf bedachte mogelijkheden. Zij laten zich gezeggen door wat anderen vinden. Zij zijn niet stuurloos, maar twijfelen wel geregeld of zij de juiste weg zijn ingeslagen. Sommigen kunnen daar niet mee omgaan en zoeken via spirituele therapieën de zekerheid zonder welke zij naar hun gevoel niet kunnen leven. De meesten echter vinden een omgang met de onzekerheid. Zij weten zich geliefd en hebben zelf lief, ervaren de wereld als een waardevolle plaats waarin ook zij van waarde zijn. Deze waarde is nooit gegarandeerd en wordt ook geregeld in twijfel getrokken. Maar met deze twijfel is te leven.

Tenminste, in principe. Ik heb de indruk dat het vermogen om met onzekerheid om te gaan afneemt. Je kunt je tegenwoordig ook minder permitteren: geen goede opleiding betekent geen goede baan betekent geen huis betekent… En als je pas in tweede instantie goed kiest, dan ben je laat en kunnen de beste plaatsen al door anderen zijn ingenomen. In ieder geval wordt deze boodschap jongeren steeds weer voorgehouden, ook op de universiteiten, ook op de Radboud Universiteit. Maar ik zou suggereren dat de oplossing niet is om onzekerheid tegen te gaan. Dat is a priori een verloren strijd en de onzekerheid keert altijd terug door de kieren van de barricaden die haar juist buiten moesten houden. De oplossing is om in de onzekerheid te leren leven, niet door deze onzekerheid te ontkennen maar door haar te accepteren. Bijvoorbeeld omdat er Iets of Iemand is die het leven overstijgt en draagt, inclusief alle onzekerheden.

Precies op dit punt levert naar mijn overtuiging de christelijke traditie een grootse bijdrage aan de discussie over goed leven. Goed leven, zegt zij, verwijzend naar de geschiedenis van Jezus die zij beschouwt als het beeld van wie God is, is niet beveiligd en in zekerheid leven. Goed leven is kwetsbaar en zo nodig gekwetst leven. Het is de openheid hebben om te worden aangetast en vertwijfeld te raken en wanhopig te worden, want niet daarbuiten maar daarin is het hoogste goed en de diepste waarheid te vinden. Het leven blijft weerbarstig en onzeker, maar in deze weerbarstigheid en onzekerheid worden mensen gedragen door een God die betrokken is op hun lot. Het hoogste goed wacht niet ongenaakbaar tot wij erin slagen er naar op te stijgen, maar heeft zich uit betrokkenheid op ons met ons leven en onze wereld verbonden. Tot en met onze onzekerheid.

Als antwoord op de vraag hoe met onzekerheid om te gaan, heb ik alleen dit verhaal.

12deschreeuw

Passage

door Gemma Pappot

Er was iemand die zei: ‘Het gaat er niet om dat je alle filosofen kent, het gaat erom uit je impasse te raken en als je niet in een impasse zit, om dat zo te houden.

Er was iemand die zei: ‘Ja, net als vliegen, heel gemakkelijk, je hoeft er alleen maar voor te zorgen dat je de grond niet raakt.’

Op woensdag 22 oktober vond in Nijmegen het zesde Poëziefestival Onbederf'lijk Vers plaats. Op tien verschillende locaties in het centrum droegen die avond meer dan dertig dichters (m/v) voor uit hun werk. Aangezien het programma op internet niet goed leesbaar was, ging ik op die zachte herfstavond op goed geluk naar Cinemariënburg. Vorig jaar had Joke van Leeuwen mij daar verrast met haar heldere, sterke voordracht; maar ook stil gelezen zijn haar gedichten de moeite waard. Het was druk in het café: ik vond nog een plek met zicht op het podium. De eerste die op zou treden was Tjitske Jansen. Ik kende haar niet, maar de titel van haar debuut Het moest maar eens gaan sneeuwen kwam me wel bekend voor. Een lange magere jonge vrouw in spijkerbroek en blauwige bloes stapte het kleine podium op en droeg een kwartier lang haar gedichten voor, uit de eerste bundel en uit de recentere, Koerikoeloem. Ze was helder, aanwezig, en maakte op een prettige manier contact met het publiek. De teksten leken soms meer proza dan poëzie. Geen rijm of ritme, maar sterke beelden, verrassend, gek en/of grappig. Verschillende keren volgde na een gedicht dan ook spontaan applaus. Ik liep die avond nog op een paar andere locaties binnen en hoorde een vijftal dichters. Maar Tjitske Jansen bleef me bij. Bij Dekker van de Vegt kocht ik haar tweede bundel: Koerikoeloem.

In de vorige Proviand citeerde ik een ironisch gedicht van Szymborska, over het schrijven van een curriculum vitae. Bovenstaande cursieve regels zijn uit Koerikoeloem, en nu ik de hele bundel heb gelezen zie ik hoe sterk Tjitske Jansens persoonlijke uitwerking is van het begrip ‘levensloop’. De bundel bevat achtenveertig pagina’s met teksten, soms met één, meestal meerdere ‘strofen’ die allemaal beginnen met de aanhef: er was of er waren.

Er was het opvanghuis voor sprookjesfiguren dat ik had verzonnen. De grote boze wolf zat bij de kachel en zei: ‘Als je maar niet denkt dat ik blijf. Ik ga alleen nog maar niet weg.’

De gedichten in deze bundel zijn een soort snapshots. Ze gaan over ouders, broers, vriendinnetjes, school, pleegouders, relaties, godsdienst… Allerlei momentopnamen, gedachten en gesprekken, zijn erin te vinden, telkens met diezelfde aanhef die het verhaalde enigszins op afstand plaatst, binnen een kader dat verwijst naar het genre sprookje. Sprookjes zijn tegelijkertijd waar en niet waar: onder hun laag van wreedheid en rampspoed en mede door hun soms happy end bevatten ze diepere waarheden. Maar in deze gedichten vindt ook een verschuiving plaats en worden sprookjes als het ware lek geprikt.

Er was de grote boze wolf die zich afvroeg of een grote boze wolf nog wel iets voorstelt als hij niet boos meer is.

Er was Sneeuwwitje die zei: ‘En wie heeft er bedacht dat ik nog lang en gelukkig leefde? Omdat ik met een prins mocht trouwen? Denk je dat je daar gelukkig van wordt? Natuurlijk zei ik ja. Wat had ik anders moeten zeggen?Had ik bij die dwergen moeten blijven?’

Opvallend zijn de gedachtesprongen. Ze vormen een uitdaging aan de lezer om naar een onderliggend verband te zoeken. Dit is de eerste, korte strofe van een gedicht van drie strofen:

Er was de dominee aan wie ik schreef: ‘Ik heb het gevoel dat ik God helemaal niet nodig heb.’ En die terugschreef: ‘God wìl helemaal niet nodig zijn.’

Er volgt een lange strofe met een gesprek over God en de schepping. En dan, strofe drie:

Er was een helderziende vrouw die me aanraadde een antiaanbakpan te kopen. Dat zou me veel tijd besparen.

Dit is zo’n voorbeeld van een gedachtesprong. Een antiaanbakpan! Ja, want hoe zorg je er anders voor dat de zware verhalen uit je Barneveldse jeugd niet gaan vastkleven aan je ziel?

Dat zulke flarden uit een levensloop als gedichten worden ervaren, komt mede door het beknopte taalgebruik. Tjitske Jansen weet in een kort bestek heel veel te zeggen. Ze vindt haar eigen poëzie nogal puberaal, maar de thematiek (schetsen voor een eigen levensverhaal) en de vorm, ten dele ontleend aan die sprookjesaanhef en consequent volgehouden, vormen een boeiend geheel. Bij zorgvuldige lezing blijkt dat er meer samenhang in deze bundel zit dan op het eerste gezicht lijkt, en dat plaatst haar mijns inziens in de categorie sterke dichters.

Er is wel één opvallend verschil met de aanhef van sprookjes. Die is immers Er was eens. Door dat woordje eens komt de vertelling verder weg te staan, richting mythe. En juist dat eenmalige van eens geeft de lezer of toehoorder ruimte om zich al dan niet in de personages te herkennen. Sprookjes zijn dan ook bij uitstek geschikt voor kinderen (of eenieder met een nog niet zo vastliggende identiteit)… De aanhef er was of er waren, zonder eens, plaatst deze gedichten in een ontologische, persoonlijke sfeer. Het fixeert ze.

Er was iemand aan wie ik vroeg: ‘Hoe kan het dat wanneer ik me van binnen zo aan flarden voel, mensen er gelukkig van worden als ik mijn gedichten voordraag? Kan ik als ik me zo voel wel iets geven wat van waarde is?’

Er was iemand die zei: ‘Een revolutie duurt een dag of een paar dagen. Daarna gaat het leven revolutieloos verder. En als je niet jong meer bent dan ben je niet jong meer en je moet verder leven ook al ben je niet jong meer. Daarom hebben we dichters nodig en muzi-kanten.’

Er was een oude Indische dame in een bejaardenhuis waar ik mijn gedichten voorlas. Ik had het gedicht gelezen dat eindigt met de woorden: ‘Ik ga. De deur laat ik open.’ De dame riep: ‘En waarom laat jij de deur open? Ik heb van mijn moeder geleerd dat je de deur dicht moet doen.’

Er was een meneer die opstond en wegliep, uitroepend: ‘Ik zit hier voor mijn rust!’

Er was een mevrouw in een rolstoel die naar voren kwam gereden en midden voor het podium stopte. Met de bewegingen van haar hoofd en het langzaam opvouwen van haar zakdoek leek ze samen met de voorlezende dichter achter de microfoon een trage videoclip te vormen.

Tjitske Jansen: Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003).

Tjitske Jansen: Koeroekoeloem (2007).

14lelijkeendjegelaarsdekatzomer020

Het lelijke Eendje

door Tanja van Hummel

Er was eens een land dat Allesland heette. In Allesland was werkelijk alles mogelijk. Iedereen leefde in overdadige luxe en werd hoog de hemel in geprezen. Overal waar je keek, schitterde het zilver en blonk het goud zo fel dat het oogverblindend was. Op elke straathoek stonden personen bij elkaar die o’s en a’s slaakten bij het zien van elkaars prachtige creaties. En op theekransjes ging het er niet veel anders aan toe. Zo beschreef Assepoester uitgebreid het nieuwe schoeisel van de Gelaarsde Kat. Hierbij verscheen een hoogrode blos op haar wangen en dit bezorgde Prins Ophetwittepaard een allerheerlijkst gevoel van verliefdheid.

Deze pracht en praal was niet voor iedereen weggelegd. Eendje was zo'n buitenstaander. Niets aan hem schitterde, blonk of had ook maar het kleinste beetje glans. Eendje was ook niet grappig, geestig of gezellig. De bewoners van Allesland bewonderden hem niet en piekerden er niet over om hem uit te nodigen voor een sociëteitsbijeenkomst, een diner bij kaarslicht of een theekransje. Het kwam zelfs niet in hen op om Eendje te groeten als ze hem op straat tegenkwamen. Sterker nog, ze wendden snel hun gezicht een andere kant op, bang dat ze waren dat het zien van Eendje hen hun glans zou ontnemen. Er werd wel volop over Eendje geroddeld en zijn naam werd altijd met een vies gezicht uitgesproken: 'Dat lelijke Eendje...'

Eendje was echter niet achterlijk en wist exact hoe er over hem werd gedacht. Dat maakte hem erg verdrietig. En aangezien er niemand was die een arm om zijn schouders sloeg, zocht hij de troost van de straat. Na verloop van tijd was hij zo smerig geworden dat hij niet meer van de straat te onderscheiden was. Met recht kon men hem nu 'Lelijk Eendje' noemen.

Nu was er nog een verschoppeling in Allesland, maar deze verschoppeling beschikte over een grote dosis bravoure. Zijn naam was Rat Achtig en hij was voortvluchtig sinds hij had weten te ontsnappen aan de Rattenvanger van Hamelen. De Rattenvanger van Hamelen was echter een zeer geziene gast in Allesland en daardoor had Rat Achtig geen enkel uitzicht op een verblijfsvergunning. Zodoende leefde hij noodgedwongen in de illegaliteit.

Op een dag kwam Rat Achtig vanuit het riool in de goot gekropen en stond daar oog in oog met Lelijk Eendje. Lelijk Eendje was net uit zijn roes ontwaakt en keek met bloeddoorlopen ogen Rat Achtig aan. Rat Achtig bruiste daarentegen van de energie en was in een opperbeste stemming. Hij galmde dan ook: “Goede, goede, goedemorgen meneer... eh... (Sorry wat is uw naam?)”. Toen er geen antwoord kwam, ging hij verder: “Wel, zo te zien heeft u heerlijk uit kunnen slapen en wacht u nu op een ontbijt op bed. Misschien dacht u dat ik de ober ben, maar helaas, dat is verkeerd gegokt. U maakt nu geen kans meer op de wasmachine t.w.v. 1000 euro, maar u bent nog steeds in de race voor een uitgebreid arrangement in een beautyfarm.”

Op dat moment stegen een paar vliegen op uit Eendjes vacht. Rat Achtig trok zijn neus op en voegde toe “En ik gun u die prijs van ganser harte...”

Met enige moeite wist Eendje uit te brengen: “Wie bent u?”

“Heelemaaal gooeed!” riep Rat Achtig uit, “U heeft een beautybehandeling gewonnen!!!”

Hij greep Lelijk Eendje bij de vleugel en trok hem mee naar de dichtstbijzijnde vijver waar hij gelijk in dook en Lelijk Eendje in onderdompelde. Uit zijn achterzak toverde hij een fles roze badschuim te voorschijn en hij boende Lelijk Eendje helemaal schoon.

Toen Lelijk Eendje eindelijk weer tevoorschijn kwam uit de roze bubbels bleek hij een gedaanteverandering te hebben ondergaan.

“Asjemenou”, riep Rat Achtig, “Ik heb eer van mijn werk zeg! Kijk toch eens, één schepje Vanish, beng en het vuil is weg. U bent helemaal wit! Er zat toch geen bleek in die fles?”

Hij wierp een blik op het etiket. “Nee, geen bleek... Nou hartelijk gefeliciteerd met uw metamorfose!”

Lelijk Eendje keek naar zichzelf, maar zei niets. Al die jaren van uitsluiting hadden hem onzeker gemaakt. Rat Achtig kreeg medelijden met dit zielige hoopje schitterend wit en besloot Eendje ook maar een cursus sociale vaardigheden cadeau te doen. “En wegens uw oogverblindende metamorfose heeft u ook de jackpot gewonnen. U krijgt er gratis een cursus sociale vaardigheden bij! Kom op, voor de eerste les gaan we naar het paleis van de Keizer.”

De Keizer wilde nieuwe kleren en daarvoor had hij de wereldberoemde couturier Repelsteeltje ingehuurd. Repelsteeltje stond bekend om de perfecte pasvorm die zijn kleren hadden en het grote draagcomfort daarvan. De Keizer wilde het mooiste van het mooiste dragen, maar hij hechtte ook zeer veel belang aan het draagcomfort. Vandaag zou hij zich in zijn nieuwe kleren aan het volk tonen.

Precies op het moment dat de Keizer in zijn nieuwe kleren het paleis uit schreed, slopen Rat Achtig en Lelijk Eendje door te struiken van het paleis en wisten een plekje te veroveren tussen de hofhouding die in rijen stond opgesteld om de Keizer te bewonderen. De hofhouding prees luidkeels de prachtige creatie die de Keizer showde: “O, de pasvorm is werkelijk perfect. En wat zit de kleding schitterend! Nergens zie je een naadje lopen of tekent de kleding. Wat schitterend!” Rat Achtig en Lelijk Eendje waren echter niet verdorven door de decadentie in Allesland en zagen daadwerkelijk wat de Keizer droeg. De perfecte pasvorm en het draagcomfort waren geen eigenschappen van de kleding. De Keizer droeg helemaal geen kleren. Hij was spiernaakt. Rat Achtig schuddebuikte van het lachen en zijn lach werkte zo aanstekelijk dat Lelijk Eendje eerst zachtjes, maar gaandeweg steeds uitbundiger ging lachen. De tranen liepen hem over de wangen. Maar voordat ze opgemerkt konden worden door de lijfwachten, slopen ze weg.

“O, wat heerlijk om eens te kunnen lachen”, bracht Eendje uit. “Wat ziet de Keizer er belachelijk uit zeg en wat is hij lelijk. Al die vetrollen en hij is ook al behoorlijk uitgezakt. En iedereen aanbidt hem alsof hij een god is. Wat een trieste vertoning.”

“En dan die mensen eromheen!” hikte Rat Achtig, “Allemaal gehersenspoeld. Kom, laten we op weg gaan naar de tweede les.”

Nog nalachend kwamen ze bij een grot aan. Al van verre hoorden ze gezang: “Heho, heho, werken doe je zo...”. Rat Achtig trok Eendje mee en toen ze de hoek omgingen zagen ze het team 'De Zeven Dwergen' aan het werk. Zij waren druk bezig met het uithakken van de mooiste edelstenen. Toen de edelstenen naar buiten werden gekruid, werden de leden van het team verblind door de schoonheid van de stenen. “O, wat mooi. Wat schitterend. Wat oogverblindend! Die gaan we echt niet afgeven aan Sneeuwwitje, hoor. Die houden we mooi zelf. Wat denkt Sneeuwwitje wel, ze is al de mooiste van het land. Die heeft deze stenen echt niet nodig. Nee, wij kunnen ze veel beter zelf houden.”

Eendje kon zijn oren niet geloven. “Nee, maar wat een achterlijke types zeg! Wat een stomme dwergen. Ik wil niet zo zijn. Nee, beter een witte zwaan te zijn dan een opgedirkte kikker. Ik wil niet meedoen aan dit circus van schone schijn.”

“Bravo!” riep Rat Achtig. “Jij bent een wezen met een gouden hart”, en hij vloog Eendje om de hals. “Je bent met vlag en wimpel voor de cursus sociale vaardigheden geslaagd!”. Daarna trokken Rat Achtig en Eendje blakend van zelfvertrouwen de wijde wereld in en zij leefden nog lang en gelukkig.■

Stream of Consciousness

Onzekerheid is iets typisch menselijks. De wereld is niet onzeker en twijfelt niet, zij volgt netjes de vaste weg die is uitgestippeld, alleen uit onze onwetendheid komt onzekerheid voort. Als wij simpelweg de plaats en snelheid van alles wisten, konden wij ook alles voorspellen en was er geen onzekerheid meer.

Zo dachten wetenschappers althans, tot het begin van de vorige eeuw, toen met kwantummechanica een einde aan dit idee kwam. Sinds deze theorie ontwikkeld is, is ‘het onzekerheidsprincipe van Heisenberg’ een van de vaakst geciteerde principes uit de natuurkunde. Simpel gezegd stelt dit principe: je kán niet tegelijk weten waar een deeltje is en hoe hard het gaat. Hoe preciezer je de plaats weet, hoe ‘onzekerder’ de snelheid wordt; en als de snelheid precies bepaald is, kan het deeltje op willekeurig welke plaats zijn. Het gaat hier niet om een menselijke beperking of om onze primitieve manier van meten. Het is een fundamentele natuurwet die onzekerheid garandeert.

Ook op psychologisch en filosofisch vlak bestaat er zo’n fundamentele onzekerheid. Door de beperkingen van onze geest kunnen wij onmogelijk zeker zijn van wat wij denken te weten. Zo zeker zijn dat er geen redelijke twijfel meer bestaat, is prima te doen, maar absolute zekerheid is simpelweg naïef. Want hoe vanzelfsprekend je ook denkt dat iets is, het is altijd mogelijk dat je een denkfout maakt of iets simpelweg over het hoofd ziet.

Eeuwenlang hebben we collectief gedacht dat er goden op de berg Olympus woonden die voor onweer zorgden als ze boos waren, waren we ervan overtuigd dat de aarde plat was en was het overduidelijk dat de tijd voor iedereen even snel gaat.

Tegenwoordig zijn we ervan overtuigd dat de wetten van de logica waar zijn, klinkt het ons absurd in de oren dat er ‘niets’ zou kunnen zijn en weten we zeker dat er onzekerheid bestaat.

Het verschil is natuurlijk dat we nu wel gelijk hebben, dat is overduidelijk, toch? Maar weten we zeker dat we niet gewoon collectief te dom zijn om de fout in ons denken te (kunnen) zien? Hoe kunnen we garanderen dat bovenstaande zekerheden voortkomen uit beperkingen van de wereld en niet uit ons beperkte voorstellingsvermogen?

Als je morgen wakker wordt in het gekkenhuis, en de doktor zegt tegen je: “maar natuurlijk Napoleon, uiteraard zijn de wetten van de logica die jij volgt allemaal waar”, wat doe je dan? Waar is dan je zekerheid?

Waar wij zeker van zijn, en wat waar is, zouden wel eens heel verschillende dingen kunnen zijn. Onzekerheid is dus ook fundamenteel met ons denken verweven.

Voor zover ik zie is die onzekerheid niet bevredigend op te lossen. Ik kan niet weten of de wereld om mij heen wel echt bestaat en of mijn gedachten ergens op slaan. Dus eigenlijk leef ik altijd in twijfel en kan ik aan alles twijfelen. Hoe ik dan toch de dag door kom, is niet door een antwoord op deze vragen te vinden en zo de onzekerheid op te lossen, maar simpelweg door een antwoord aan te nemen. Ik neem aan dat de wereld echt bestaat en dat mijn gedachten ergens op slaan. Niet omdat ik er zeker van ben, maar omdat ik een normaal leven wil leiden. Omdat ik mij bezig wil houden met alles om mij heen en niet met vragen waar ik nooit een antwoord op zal vinden. Ik kies voor zekerheid en zo breng ik orde in mijn bewustzijn, mijn consciousness.

Maar hoezeer bovenstaande gedachten ook uit mijn consciousness komen, het is niet echt mijn stream of conciousness. Ik ben in mijn hoofd met heel andere dingen bezig. Daar probeer ik met het bovenstaande wanhopig omheen te denken. Op het moment zit er namelijk een prachtig voorbeeld in mijn hoofd van een zekerheid die toch niet waar is. Niet iets waar ik zeker van ben, maar iets zo vanzelfsprekends dat ik er niet over nadenk; waarvan ik gewoon weet dat het zo is. Namelijk dat je de mensen die je vandaag ziet, op je werk, thuis of bij je studie, morgen ook weer tegenkomt. Een zekerheid die, voor mij niet voor het eerst, doorbroken werd deze week. Woensdag hoorde ik dat een medestudente van mij onder een vrachtwagen was gekomen, en dat niet heeft overleefd.

Er wordt wel eens gezegd dat rouw in vijf fases plaatsvindt – ontkenning, woede, onderhandeling, depressie en aanvaarding – een theorie waar ik niet zo veel mee kon. Maar nog nooit heb ik zo expliciet de ‘ontkenningsfase’ meegemaakt. Iemand kan niet zomaar dood zijn en zeker zij niet. Hoewel ik al lang wist dat het echt gebeurd was, was ik er op een andere manier nog steeds zeker van dat zij niet dood kon zijn; want zo werkt dat niet. Als ik haar morgen op de universiteit tegenkom, zal ik vriendelijk knikken, en pas als ik de gang uitgelopen ben en eraan terugdenk, realiseer ik me dat er iets niet klopt, dat ze er niet kan zijn. Maar tot die tijd is het normaal, zoals het hoort. Er komt geen twijfel of onzekerheid aan te pas, het zit zo ‘wired’ in mijn hoofd, een dode Hanneke past daar gewoon niet in, dat weet ik zeker.

De onzekerheid zit in veel simpelere dingen, dingen waar ik elke dag mee bezig ben. Kijkend naar de keuzes die ik gemaakt heb, en de dingen die ik heb gedaan, vraag ik mij af of het wel de juiste keuzes waren. Voor de grap heb ik vorige week het aantal uren dat ik gewerkt heb, opgeteld en kwam ik op 75 uit, het overgrote deel niet voor mijn studie, maar voor mijn bestuurswerk bij AKKU. En het vervelendste: ik had alsnog mijn werk dat ik die week wilde doen niet allemaal af.

Dan bekruipt de onzekerheid je: waar ben je mee bezig als je zo hard werkt en je afspraken nog niet na kan komen? Had je er nooit aan moeten beginnen, of moet je gewoon nog harder werken? Moet je tegen meer dingen ‘nee’ zeggen en andere mensen het overwerk in jagen, of moet je al je tijd gaan steken in het vragen van vrienden om werk voor jou op te pakken?

Mijn studie natuurkunde blijft altijd mijn eerste en grootste liefde. Niet voor niets begon ik dit stuk met een natuurkundig verhaal. Maar het heeft nooit prioriteit, het hoeft nooit nu, en zo blijft het altijd liggen. Ben ik dan wel goed bezig? Is het redelijk om wat je echt wil doen te laten liggen voor wat op het moment harder moet gebeuren? En waarom ben ik er ooit aan begonnen om al die andere dingen te doen?

Maar dan krijg ik een complimentje van mijn medebestuursleden, een bedankje van een lid, of een toezegging van een wethouder. Dan komt er iemand speculaaspoppen voor het bestuur brengen, omdat we zo hard moeten werken, of zie je op een ledenvergadering hoe iedereen achter je staat als het er echt om gaat. En opeens is de onzekerheid weer weg: ik doe wel wat ik echt wil doen, en het is geweldig. Het probleem? Dat er te veel geweldige dingen te doen zijn. Maar als dat je grootste onzekerheid is, de twijfel tussen verschillende geweldige avonturen, dan heb je het niet slecht voor elkaar.

Leon

In memoriam: Anneclaire Cramer

Door Froukien Smit

Studentenpastor Studentenkerk

Op zondag 19 oktober is Anneclaire Cramer overleden, 29 jaar oud. Anneclaire is tot de zomer van 2007 zeer actief geweest in de Studentenkerk. Zij nam deel aan gespreksgroepen en bereidde samen met anderen studentenvieringen voor. In mei 2005 werd ze gedoopt en deed ze belijdenis in de Studentenkerk. In de kerkdiensten op zondag was ze een tijd lang koster. Ook op bestuurlijk terrein laat ze haar sporen na. Anneclaire was twee jaar lid van de beleidsraad en één jaar lang vertegenwoordigde ze de studenten in het Bestuur van de Stichting Oecumenische Studentenkerk.

Anneclaire was geboren met een hartafwijking en had daardoor al van jongs af aan gezondheidsproblemen. Een paar jaar nadat ze haar rechtenstudie in Nijmegen was begonnen, werden die problemen zo groot dat ze haar studie moest staken. In 2002 kreeg ze, als eerste in Nederland, een hart-longtransplantatie; na een lange tijd van revalidatie kon ze haar studie hervatten. Vanaf het voorjaar van 2007 ging echter haar gezondheid door afstotingsverschijnselen die niet te stoppen bleken, langzaam achteruit. Intussen zette Anneclaire met veel volharding en doorzettingsvermogen haar studie, waar ze veel plezier aan beleefde, voort. Afgelopen mei studeerde ze af, met een zeer goede beoordeling. Daarvan heeft ze gelukkig nog erg kunnen genieten.

Veel mensen, zowel uit de zondagsgemeente als onder de studenten, hebben Anneclaire leren kennen als een wijze, sympathieke en krachtige vrouw, die op een realistische en open manier met haar situatie omging en vol vertrouwen van dag tot dag wist te leven. Zij en haar familie waren zeer dankbaar voor de extra jaren die ze door de transplantatie had gekregen en ze heeft volop van die jaren genoten. In het vorige nummer van Proviand beantwoordde Anneclaire de vragen van de rubriek 10 van 1. Daarin zei ze dat de transplantatie het grootste geschenk was dat ze ooit had gehad.

Op 24 oktober is ze in Arnhem, waar ze het laatste jaar bij haar ouders woonde, begraven. In de afscheidsdienst, waarbij zeer veel mensen aanwezig waren, werd de geloofsbelijdenis gelezen, die ze voor haar belijdenis in 2005 zelf gemaakt had. Daarin schreef ze:

“Ik geloof in God,

het grote licht,

dat in ons en over ons allen schijnt.

Ik geloof in een leven na de dood,

dat mijn ziel dan opgaat in iets,

dat ons allen te boven gaat.

Ik vertrouw op de goedheid van mensen.

Dat in ieder van ons een

sprankje Goddelijk licht schuilgaat,

dat harder straalt dan de diepste duisternis…”

12-anneclaire

Nu ze deze bijzondere en inspirerende vrouw moeten missen, wensen we haar familie en vrienden en vriendinnen in de Studentenkerk en daarbuiten de kracht toe van dat licht dat voor Anneclaire zo belangrijk was.