Zoek in de site...

4.3 Onderwijsvormen

In de klinische fase worden verscheidene onderwijsvormen toegepast, waaronder de vertrouwde vormen uit de preklinische periode: hoorcollege, zelfstudieopdracht, werkgroep, practicum en responsiecollege (zie hoofdstuk 2). In deze paragraaf worden de vormen uiteengezet die kenmerkend zijn voor de klinische fase.

Stageonderwijs

Het grootste deel van het onderwijs in de klinische fase bestaat uit stages. Tijdens deze stages of coassistentschappen in de verschillende disciplines breidt de student zijn kennis geleidelijk uit en leert deze toepassen in het klinisch denken en handelen in het contact met de patiënt. Belangrijkste elementen zijn hierbij het leren van patiënten, leren in de praktijk en de begeleiding door meer ervaren collegae.
De coassistent gaat gaandeweg met meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te werk bij het afnemen van een anamnese, verrichten van lichamelijk onderzoek, opstellen van een differentiaaldiagnose, voorstellen doen voor verder diagnostisch en/of therapeutisch beleid en bespreken van de resultaten met de begeleider. In dit gesprek wordt feedback gegeven aan de coassistent over de verrichtingen met betrekking tot de betreffende patiënt. Tevens werkt de coassistent tijdens de stages aan de opdrachten uit de stage- en/of episodeboeken.

Vaardigheidsonderwijs

Met name tijdens het centraal klinisch onderwijs wordt veel vaardigheidsonderwijs gegeven. In kleine groepen leren studenten in een gestructureerde omgeving vaardigheden op het gebied van communicatie (anamnese en gespreksvoering), het gebied van het algemeen lichamelijk onderzoek en reanimatie en op het gebied van het klinische redeneren. Daarnaast komen er specifieke vaardigheden voor de toekomstige coassistentschappen aan bod. Deze worden geoefend met behulp van simulatiepatiënten, fantomen of modellen, medestudenten en echte patiënten.

Intervisie en portfoliogesprekken

Beide onderwijsvormen zijn geïntroduceerd bij de start van het Centraal Klinisch Onderwijs. Met intervisie leren studenten reflecteren op hun eigen professioneel handelen en elkaar te helpen bij het terugblikken op hun praktijkervaringen. De begeleiding van dit proces is in handen van een docentmentor. Deze voert eveneens de gesprekken over de portfolio's, waarin het materiaal verzameld wordt dat de ontwikkelingen als aankomend arts illustreert.