Zoek in de site...

Uitgangspunten

Een belangrijk uitgangspunt is dat het handelen van de arts hoort te zijn ingegeven door een attitude die vooral wordt bepaald door solidariteit met en zorg voor de zieke mens. Anders gezegd: door ‘compassie' met de patiënt. De basisartsopleiding wordt gezien als het initiërend deel van het medisch onderwijscontinuüm. Voor vrijwel iedere arts volgt daarop een meerjarige beroepsopleiding in één van de medische specialismen, waarna een voortdurende na- en bijscholing vanzelfsprekend is. De basisvorming is uiterst belangrijk maar heeft tegelijkertijd grenzen die mede bepaald worden door de plaats in dit continuüm.

De student kan in de basisopleiding niet alle kennis, vaardigheden en ervaringen uit de geneeskunde en haar randgebieden verwerven. De opleiding is dus per definitie onvolledig. Kennis die wel kan worden verworven, behoort óf tot de absoluut noodzakelijke basiskennis óf heeft een exemplarisch karakter. De onderwijskundige consequentie van het voorgaande is dat het accent hoort te liggen op methoden om kennis te (blijven) verwerven, op training van vaardigheden, met name ook cognitieve, en op attitudevorming. In de klinische fase worden verscheidene onderwijsvormen toegepast, waaronder de vertrouwde vormen uit de preklinische periode: hoorcollege, zelfstudieopdracht, werkgroep, practicum en responsiecollege (zie hoofdstuk 2). In deze paragraaf worden de vormen uiteengezet die kenmerkend zijn voor de klinische fase.

Stageonderwijs

Het grootste deel van het onderwijs in de klinische fase bestaat uit stages. Tijdens deze stages of coassistentschappen in de verschillende disciplines breidt de student zijn kennis geleidelijk uit en leert deze toepassen in het klinisch denken en handelen in het contact met de patiënt. Belangrijkste elementen zijn hierbij het leren van patiënten, leren in de praktijk en de begeleiding door meer ervaren collegae. De coassistent gaat gaandeweg met meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te werk bij het afnemen van een anamnese, verrichten van lichamelijk onderzoek, opstellen van een differentiaaldiagnose, voorstellen doen voor verder diagnostisch en/of therapeutisch beleid en bespreken van de resultaten met de begeleider. In dit gesprek wordt feedback gegeven aan de coassistent over de verrichtingen met betrekking tot de betreffende patiënt. Tevens werkt de coassistent tijdens de stages aan de opdrachten uit de episodeboeken.

Vaardigheidsonderwijs

Met name tijdens het centraal klinisch onderwijs wordt veel vaardigheidsonderwijs gegeven. In kleine groepen leren studenten in een gestructureerde omgeving vaardigheden op het gebied van communicatie (anamnese en gespreksvoering), het gebied van het algemeen lichamelijk onderzoek en reanimatie en op het gebied van het klinische redeneren. Daarnaast komen er specifieke vaardigheden voor de toekomstige coassistentschappen aan bod. Deze worden geoefend met behulp van simulatiepatiënten, fantomen of modellen, medestudenten en echte patiënten.

Intervisie en portfoliogesprekken

Met intervisie leren studenten reflecteren op hun eigen professioneel handelen en elkaar te helpen bij het terugblikken op hun praktijkervaringen. De begeleiding van dit proces is in handen van een docentmentor. Deze voert eveneens de gesprekken over de portfolio's, waarin het materiaal verzameld wordt dat de ontwikkelingen als aankomend arts illustreert.