Onderzoekscentrum voor mystiek en spiritualiteit
Zoek in de site...

Q van Quakers

Datum bericht: 22 augustus 2021

Quakers – officieel ‘The Religious Society of Friends’ – zijn traditioneel zeer strikt inzake huwelijksliefde. Een man wordt geacht op 26-jarige leeftijd te huwen, een vrouw op 22-jarige leeftijd, en hun liefde hoort niet in de eerste plaats elkaars richting uit te gaan, maar die van God. Liefde, zo redeneren de Quakers, moet radicaal worden losgekoppeld van alles wat met lust te maken heeft. Alle liefde, ook de seksuele, wordt verondersteld exclusief te worden beleefd als agape.

Voor hen is liefde geen intiem gevoel, geen libidineuze impuls. Het is een gebod. Zoals bij de Quakers zowat alles een gebod is. In alles gehoorzamen ze aan wat door de Allerhoogste wordt geboden. Juist om die reden noemde de rechter die in 1650 hun stichter Georges Fox veroordeelde, hem en zijn medestanders ‘quakers’. Had Fox niet gezegd dat de mens zou moeten ‘beven’ en ‘schudden’ voor dat Woord van God waarin over alles wat is, werd beslist? Fox had het bij Jesaja gelezen: “Dit zijn degenen naar wie ik met gunst kijk: zij die nederig en verslagen van geest zijn, en die voor mijn woord beven.” (66:2). Toen de rechter hen smalend in het gezicht slingerde dat ze ‘bevers’ waren, namen Fox en zijn mannen die term prompt over als een eretitel en noemden zich voortaan ‘Quakers’. Eenmaal in de Nieuwe Wereld, in het land Pennsylvania (genoemd naar de leider van hun expeditie, William Penn), was er geen rechter meer om hen het ‘beven’ voor God te verbieden.

Ets van een “Quaaker vergaadering” in koloniaal Amerika (naar een schilderij van Egbert van Heemskerk de Oudere uit 1685). Nieuw voor die tijd is dat diegene die het Woord Gods vertolkt een vrouw is en dat mannen, vrouwen en dieren, niet van elkaar gescheiden, naar dat Woord luisteren.

Quakers leven bevend voor het gebiedende Woord van God. Maar denk daarom niet dat alle vrijheid bij hen weg is. God gebiedt alles, maar daarom kan ook niemand in de naam van God anderen zeggen wat ze precies moeten denken en doen. In tegenstelling tot veel aanverwante protestantse gelovigen, houden Quakers zich nauwelijks bezig met het vastleggen en bewaken van een strenge doctrine. Ze hebben geen kerken, geen speciale liturgische plaatsen, geen geritualiseerde praktijken. Voor hun bijeenkomsten hebben ze niet eens een vast tijdschema. Ze komen samen als sommigen daar behoefte aan hebben, en eenmaal samen, houden ze het doorgaans bij een collectief zwijgen, tenzij iemand zich voldoende door God zelf geïnspireerd voelt om iets te zeggen of te zingen. Geen doctrine, geen instellingen, geen kerken, geen regels, geen wetten: ziehier dan een leven dat samenvalt met een ‘beven’ voor Gods Woord.

De double-bindverhouding die we ontwaarden in het christelijk gebruik van het woord ‘liefde’ (liefde tegelijk als wet én als voorbij de wet) vindt hier een treffende illustratie. De Quakers stellen hun hele leven onder Gods Wet, maar leven dat leven alsof het reeds de volle vervulling van die Wet is. Dat ze streven en hunkeren naar een heilige gemeenschap beleven ze alsof ze nu reeds in zo’n gemeenschap leven. In die zin hebben ze inderdaad geen doctrine of wat dan ook nodig. Zij zijn een gerealiseerde, vleesgeworden – en daarom ook nutteloos geworden – doctrine. Ze zijn de vervulling van de Wet, het tot werkelijkheid geworden Land van Belofte.

Maar vergis je niet: het gewicht van de Wet blijft voor de Quakers immens. Ze sidderen voor de Wet, dat beamen ze volmondig. Maar wáárom beven ze dan? Alles wel beschouwd hebben ze toch juist geen enkele reden om te beven! Ze leven immers als stonden ze buiten en boven de Wet. Ze leven in het rijk van het vervulde liefdesverlangen, de agape.

Edward Hicks, Penn’s Treaty with the Indians, 1840-44

Is dat zo? Ook zij weten uiteraard dat dit niet echt het geval is. Maar dat belet hen niet te leven alsof ze buiten de Wet staan, alsof de belofte die in de Wet geïmpliceerd is, in hun ‘Vriendengenootschap’ tot vervulling is gekomen. Ze doen alsof er geen gebod of wet meer geldt, en juist op die manier bevestigen ze bij uitstek die wet – een wet waarvoor ze beven, zelfs wanneer zij erin slagen die volledig te gehoorzamen.

In heel wat revolutionaire politieke bewegingen van de laatste eeuwen is dit soort logica uitgemond in een totalitair regime, gekenmerkt voor hun verregaande onverdraagzaamheid. Het communisme verklaarde alle mensen tot ‘socii’ – kameraden, ‘vrienden’ – van elkaar, terwijl het in een mum van tijd een systeem werd waarin niemand nog kon functioneren tenzij hij deed alsof hij ‘socius’, kameraad of vriend van de iedereen was – een situatie die al snel de geringste sociale solidariteit simpelweg onmogelijk maakte.

Demonstratie in Philadelphia, 1983

Merkwaardig genoeg is het daar in het geval van de  ‘Society of Friends’ niet noodzakelijk op uitgedraaid. Zeker, onverdraagzaamheid en totalitaire neigingen waren – en zijn nog steeds – een constant risico voor de doorgaans erg kleine Quaker-gemeenschappen. Maar zijn ze niet één van de weinige kolonistengroepen in de Nieuwe Wereld die in staat is geweest om de inheemse bevolking op een correcte manier te bejegenen? Denk bijvoorbeeld aan William Penn die erin slaagde een verdrag met de inheemse buren tot stand te brengen dat meer dan een eeuw ongeschonden bleef. Denk ook aan de vele sociale activisten van de 20e eeuw – inclusief de oprichters van Greenpeace – wiens achtergrond Quaker is.

Wat weerhield het Quaker-liefdesideaal ervan om niet in de totalitaire val te trappen? Enkel en alleen hun minderheidspositie die ze altijd in de samenleving hebben ingenomen?