Achter de voordeur vandaan? (deel 3)

Datum bericht: 2 september 2020

Of christenen moeten bijdragen aan onze democratie.

Door Fred van Iersel

In deel 1 en deel 2 van deze blogserie onderzocht Fred van Iersel of christenen mogen en kunnen bijdragen aan onze democratie. Nu onderzoekt hij of christenen dat móeten. Hoe heeft de relatie van christenen met de overheid zich ontwikkeld? Wat leren wij van het katholicisme als voorbeeld?

Religieuze visie op democratie - katholicisme als voorbeeld
De derde vraag in mijn driedelige serie blogs luidt of christenen, als ze mogen bijdragen aan een democratie, en het ook kunnen, dit wellicht ook moeten doen. Welnu, democratie vereist een minstens minimaal vertrouwen in politieke vrijheid. Dit vooronderstelt op zijn beurt een basaal vertrouwen in de sociaal-ethische competentie tot oordeelsvorming van (de meerderheid van) participerende burgers. Het is belangrijk om te weten waarop dat laatste vertrouwen gebaseerd is. De katholieke sociale leer biedt hiervoor een christelijk argument: alle burgers zijn mensen, die – als mens, en niet alleen als burger – van Godswege begiftigd zijn met een redelijk oordeelsvermogen, ook op zedelijk en op sociaal en politiek terrein. Hier ligt precies de theologische reden waarom het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) in de pastorale Constitutie Gaudium et Spes (1965) een wending kon maken naar vertrouwen in de autonomie (vrijheid dus) van wereldlijke instellingen. Het was daartoe geïnspireerd door denkers zoals de Franse filosoof Jacques Maritain, die ook bijdroeg aan de anti-totalitaire katholieke leer met aandacht voor de kwaliteit van politieke systemen en voor mensenrechten1 die wij aantreffen in de encycliek Pacem in Terris (1963)2 van paus Johannes XXIII. Paus Johannes Paulus II, die een consequente en succesvolle strijd voerde tegen het communistisch totalitarisme, kwam in zijn encycliek Centesimus Annus (1991) tot de volgende waardering van democratie:

“Authentieke democratie is enkel mogelijk in een staat waarin de wet wordt gehandhaafd, en op de basis van een correcte opvatting van de menselijke persoon. […] Als er geen ultieme waarheid is die onze gids is in politieke activiteit, dan kunnen ideeën en overtuigingen gemakkelijk gemanipuleerd worden om redenen van macht. Zoals de geschiedenis laat zien vervalt een democratie zonder deze waarden gemakkelijk tot een open of nauwelijks verhuld totalitarisme.”3

san-pietro-857151_1920

Institutionele religie als steunpilaar voor democratische vrijheid
Deze katholieke visie op verzet tegen totalitarisme en haar principiële keuze voor democratie als politiek systeem heeft vier consequenties voor de participatie van christelijke burgers in een democratie. Ten eerste is de toetssteen voor democratie of de waardigheid van de menselijke persoon wordt gerespecteerd, met andere woorden: er moet ruimte zijn voor de tegenmacht tegenover de democratie vanuit de waardigheid van de mens en de hierop gebaseerde (ook juridisch gecodificeerde) mensenrechten die minderheden en kwetsbare burgers beschermen tegen willekeur van een democratische meerderheid. Ten tweede erkent authentieke democratie dat zij een morele grondslag heeft die ook tot thema gemaakt kan worden in een publiek debat: ook – en juist – democratische politiek heeft een morele horizon nodig die haar overstijgt en normeert. Ten derde moet het burgers mogelijk zijn om hun moraal in te brengen in politieke procedures. Ten vierde wordt de rol van institutionele religie naast die van individuele burgers helder: haar taak is niet om van buitenaf of bovenaf moraal op te leggen, maar om burgers – christen of niet – bij te staan om hun in hen al aanwezige moraal te verhelderen en in te brengen in dialoog en debat. Met andere woorden: de vertolking van sociale ethiek door kerken beoogt zelfverheldering aan de zijde van burgers en politici. Daartoe zijn dan wel twee competenties vereist: ten eerste het vermogen om de ethiek die voortkomt uit de scheppingstheologie4 te actualiseren als potentieel universele ethiek; en ten tweede de competentie om christelijke ethiek te verbinden met concrete vormen van seculiere (op prudentie gebaseerde) ethiek.5

Authentieke democratie heeft godsdienst en levensovertuigingen nodig
Religieuze instituties zoals kerken kunnen de genoemde verheldering pogen te bewerkstelligen door zelf een standpunt in te nemen, maar dat is zeker niet de enige denkbare vorm. Andere vormen zijn bijvoorbeeld socratische dialogen en moreel beraad. De waardenverheldering kan echter alleen plaatsvinden bij publiek functioneren in dialoog en debat: dáár moeten dilemma’s en prioriteringsvraagstukken besproken worden. Precies daarin is de bijdrage van godsdienst en levensovertuiging dan ook onmisbaar: zij roept de morele dimensie van politiek in herinnering, haar noodzaak van doelgerichtheid, en haar funderende waarden zoals sociale gerechtigheid. En in die onmisbaarheid ligt de reden dat ook christenen niet slechts mogen en kunnen deelnemen aan democratische politiek, maar dit ook moeten doen, met een inbreng vanuit het eigen waardensysteem. Zo komen wij uit bij de ontdekking dat zowel individuele christenen alsook religieuze instituties in een authentieke democratie de opgave hebben om de burger niet monddood te maken, maar om bij te dragen aan zijn of haar morele competentieontwikkeling en politieke empowerment. Als dit de rol kan, mag en moet zijn van christenen en kerken, hoeft er mijns inziens geen koudwatervrees voor deze bijdrage te bestaan.

microphone-704255_1920

Moeten christenen participeren in de democratie?
Christenen kunnen bijdragen aan het zoeken en vinden van de broodnodige richting in een democratie. Authentieke democratie brengt dus met zich mee dat religieuze leiders – juist wat betreft de normatieve aspecten van maatschappelijke vragen – ook een opinievormende rol nemen. Deze kunnen zij vervullen in een consultatieve rol bij de overheden, maar ook in de publieke opinie. Dat laatste lijkt me een mooie maatstaf voor de kwaliteit van opiniepagina’s van dagbladen en talkshows als Op1 en Jinek. In de voor ons liggende jaren met de klimaatcrisis, energiecrisis, herinrichting van arbeidsmarkt en vrije tijd, en technologische keuzes op de agenda, is dit geen luxe maar noodzaak.

Fred van Iersel is katholiek theoloog en als bijzonder hoogleraar verbonden aan Tilburg University. Daarnaast is hij professor for social encyclicals aan het International Institute Canon Triest in Gent (B.). Tussen 2002 en 2011 was hij hoofdaalmoezenier van het rooms-katholieke justitiepastoraat bij de Dienst Justitiële Inrichtingen.

Tags: politieke moraal, participatie, christenen, democratie, geloof, overheid, opinie, katholicisme

Lees meer over waarden en normen

1. J. Maritain, The People and the State, in: W. Herberg, Four existentialist theologians. A Reader from the Works of Jacques Maritain, Nicolas Berdyaev, Martin Buber and Paul Tillich. Greenwood Press Publishers: Westport Connecticut, pp. 55-80. J. Maritain, Elogio della democrazia. A cura di Piero Viotto. Edizione La Scuola: Brecia 2011. J. Maritain, Christianismo e Democrazia, Desclee de Brouwer, Firenze 2007 (oorspr. 1942).
2. Paus Johannes XXIII, encycliek Pacem in Terris d.d. 11 april 1963.
3. Paus Johannes Paulus II, encycliek Centesimus Annus.
4. Het gaat hier om de ‘natuurlijke zedenwet’ (natural law): een vorm van ethiek die ervan uit gaat dat alle mensen ‘van nature’ een basiskennis van goed en kwaad hebben, die grotendeels de vrucht is van door God ingeschapen intuïties, die vervolgens in educatie en ethische argumentatie expliciet wordt gemaakt. Het is een vorm van moraal en ethiek die dus in de persoon verankerd is en letterlijk in cultuur wordt gebracht. Ze is voor-juridisch van aard. Ethiek gebaseerd op een natuurlijke zedenwet is weliswaar herleefd na de Tweede Wereldoorlog, maar inmiddels minder wijd verbreid. Zij biedt echter in beginsel de kans op een universele (want door iedereen te kennen) moraal en dus op morele dialoog. Daarbij komt dat zij ook deel uit maakt van de katholieke traditie. Vanuit deze gezichtspunten is een herbronning ervan wellicht zinvol. Het denken van J. Maritain biedt hiervoor vele aanknopingspunten.
5. Voor een uitwerking van het begrip geweten en prudentie zie: Wildering, G. en F. van Iersel, ‘Wees dus vredelievend terwijl je oorlog voert’. Gewetensvorming vanuit katholiek perspectief. In: R. de Boer, J.P van Bruggen en G. Wildering (red.), Naar eer en geweten. Geestelijke verzorging en de morele vorming in de krijgsmacht, blz. 29-75. Damon: Budel 2012.