Groen van Prinsterer las Tocqueville: Bestrijders van de revolutionaire geest (deel 3)

Datum bericht: 4 augustus 2021

Door Jurn de Vries

In het laatste deel van zijn trilogie gaat Jurn de Vries in op centralisatie en de positie van religie. Tocqueville en Groen leggen beide een nadruk op het ongeloof. Hoe verschillen Groen en Tocqueville in hun houding over religie binnen de Revolutie?

Groen van Prinsterer citeerde niet alleen Tocquevilles boek Over de democratie in Amerika, maar ook Het Ancien Régime en de Revolutie.* In de tweede uitgave van Ongeloof en Revolutie neemt hij veel citaten uit dit boek op. Eerder deed hij dat al in zijn Franstalige boek over de Antirevolutionaire partij.* Daarin bespreekt hij ook ,,bestrijders van de revolutionaire geest in Engeland, Amerika, Frankrijk en Duitsland’’. Daaronder schaarde hij ook Tocqueville.

Volgens Groen heeft Tocqueville duidelijk aangetoond

“hoe de Revolutie, toen ze met haar vernietigenden arbeid gereed was, in velerlei opzicht niets anders heeft gedaan dan terug te keren tot den weg, dien het Ancien Régime sinds lang had ingeslagen. Maar, ondanks gelijkenis en gelijkheid in uiterlijke vormen, treedt de heerschappij der nieuwe beginselen toch aan den dag.’’

Centralisatie en ongeloof

Groen verwijst hierbij naar twee verschijnselen die Tocqueville bespreekt: de centralisatie en de positie van religie. Tocqueville beschreef namelijk dat het revolutionaire bewind net zo centralistisch opereerde als de Franse koningen, ten koste van de plaatselijke overheden.* De ,,heldere en overvloedige uiteenzetting van den schrijver’’ maakt duidelijk, dat ,,de revolutionaire logica, die alle onafhankelijk bestaan binnen de eenheid van den Staat laat verdwijnen, aan de centralisatie een machtsbevoegdheid toekent die zij vroeger nooit zou hebben bereikt.’’

Na dit voorbeeld komt Groen op de houding van de revolutie tegenover de religie. Op dat punt denkt hij anders dan Tocqueville:

,,De heer de Tocqueville verzekert weliswaar, ‘dat er geen revolutie is gemaakt, zoals men wel heeft gemeend, om de heerschappij van den godsdienst te breken en dat zij, hoewel zij den schijn tegen zich heeft, slechts een revolutie op maatschappelijk en politiek gebied is geweest.’”*

Groen stelde dat Tocqueville tegelijk liet zien dat het niet toevallig was dat in die tijd het ongeloof opkwam.

Tocqueville

foto: Alexis De Tocqueville

Het ongeloof nader bezien

Het ongeloof kwam volgens Tocqueville in de 18de eeuw juist op bij degenen die er persoonlijk belang bij hadden om de orde in de staat en de gehoorzaamheid bij het volk te handhaven. De Kerk in Frankrijk deed er het zwijgen toe; de mensen die het oude geloof behielden, vreesden de enigen te zijn die daaraan trouw bleven en schaarden zich bij de grote menigte. De algemene minachting die aan het einde van de 18de eeuw aan alle godsdienstige overtuigingen ten deel viel, heeft ongetwijfeld de grootste invloed op de Revolutie uitgeoefend; heeft er het karakter van bepaald; niets heeft er meer toe bijgedragen om aan haar gelaat die bekende, verschrikkelijke uitdrukking te geven, aldus Tocqueville.*

Twee stromingen

Even verder schrijft Groen, dat Tocqueville in de 18de-eeuwse filosofie twee stromingen onderscheidde: enerzijds de meningen die de kern van de Revolutie vormden, anderzijds

“een zuiver toevallig ongodsdienstig streven ... De oorlog tegen de godsdienstige overtuigingen was dus zogezien slechts een bijkomstig feit van die grote Revolutie, een sprekende en toch vluchtige trek in haar gelaat; een tijdelijk product van de denkbeelden, hartstochten, bijzondere gebeurtenissen, die de Revolutie voorafgingen en voorbereidden , maar was niet een kenmerk van haar karakter.”*

Hier is Groen het niet mee eens, want zo wordt in de revolutie als toevallig beschouwd wat juist haar aard en wezen vormt.

,,De heer de Tocqueville zag nog niet wat Burke* reeds in 1793 zag: ‘Wij kunnen ons het ware karakter van deze vreselijke worsteling niet ontveinzen. Het is een godsdienstoorlog. Ongetwijfeld worden tegelijkertijd alle maatschappelijke belangen bedreigd, maar dit is de overheersende karaktertrek ervan.’’’*

Tirannie van de meerderheid

De conclusie van Groen is dat de heerschappij van die democratie de morele tirannie der meerderheid tot gevolg zal hebben. En dan volgt een citaat uit Over de democratie in Amerika, dat Groen ook al in een eerder werk aanhaalde:

,,Er zal van geen onafhankelijkheid meer sprake kunnen zijn, noch voor de burger, noch voor de edelman, noch voor de arme, noch voor de rijke, maar alleen van een voor allen gelijke tirannie.’’*

Opnieuw blijkt Groen Tocqueville vooral te waarderen om zijn waarschuwing tegen ontaarding van de democratie.*

Vond je dit een boeiende blog? Lees meer en blijf op de hoogte door je aan te melden voor onze maandelijkse Blog Alert!

Dr. J.P. de Vries was van 1974 tot 2001 hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad. Daarnaast was hij van 2011 tot 2017 als postdoc-onderzoeker publieke theologie, met een specialisatie in economische ethiek, verbonden aan de Theologische Universiteit in Kampen.

#Tocqueville #Groen #Prinsterer #staatkunde #democratie #instituties #quotes #politiek #centralisatie #ongeloof

*De noten zijn beschikbaar bij de redactie.