Postliberale theologie: een radicale kritiek op seculier liberalisme

Datum bericht: 3 december 2021

Door Bas Hengstmengel

Wie interesse heeft in de verhouding van religie en politiek doet er goed aan kennis te nemen van wat genoemd wordt de postliberale theologie. Dat uitstapje kan helpen om vanuit een ander, tamelijk radicaal perspectief naar het seculiere liberalisme te kijken. Bas Hengstmengel verklaart waarom.

Het postliberalisme is een veelkleurige en brede stroming, die in de jaren 1970 en 1980 in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië ontstond. Bekende hedendaagse vertegenwoordigers van deze stroming zijn theologen Stanley Hauerwas, John Milbank, Nicholas Lash, Oliver O’Donovan, Graham Ward en Phillip Blond. Zij delen, ondanks duidelijke verschillen, een bepaalde theologische gevoeligheid.

Reactie op theologisch liberalisme

Postliberale theologie ontstond als reactie op het dominante liberalisme in de theologie. Wezenlijk voor de liberale theologie is de zogenoemde ‘correlatie’ tussen hedendaagse menselijke behoeften en verlangens enerzijds en de christelijke geloofsleer anderzijds. De goddelijke openbaring en de menselijke vragen van dit moment worden in de moderne theologie op elkaar aangesloten, uiteraard met het risico dat de vraag het antwoord bepaalt. De grondleggers van het postliberale denken, theologen als Hans Frei en George Lindberg van de zogenoemde Yale School, keerden zich tegen dit correlatie-denken. Het christelijke geloof laat zich niet inpassen in het denkkader van deze tijd. Het is wezenlijk counter-cultural, zo leerden zij van onder meer Karl Barth.

Visie op het eigene van religieus geloof

Een tweede kenmerk van de postliberale theologen van het eerste uur is dat zij het idee verwerpen dat er een seculier-neutrale en boven-historische rationele grond bestaat buiten het ‘narratief’ van de geloofsgemeenschap. Dat betekent dat zij op het standpunt staan dat een religieuze traditie haar morele claims en waarheidsclaims niet hoeft te verantwoorden met behulp van standaarden en die ‘neutraal’ en algemeen acceptabel zijn. Een religieuze traditie als het christendom kent haar eigen standaarden. In hun visie ontlenen overtuigingen, ook religieuze overtuigingen, hun kracht veeleer aan hun coherentie met andere overtuigingen.

Voor dit zogenoemde anti-funderingsdenken ontleenden zij inzichten aan de opvattingen over taal van de filosoof Ludwig Wittgenstein. Wittgenstein zag dat taal niet zozeer een afspiegeling is van een gegeven werkelijkheid, maar dat taal zelf een werkelijkheid creëert. Taal maakt altijd onderdeel uit van een specifiek ‘taalspel’, zoals godsdienst. Taal wordt, net als spel, beheerst door regels die begrepen en toegepast moeten worden. Wezenlijk is daarbij dat een taalspel nooit vanuit een rationale grond buiten dat taalspel kan worden bekritiseerd. Wat redelijk of rationeel is, is niet te bepalen vanuit een neutraal extern perspectief.

spine-g249f7738a_1280

Tweede generatie postliberale theologen

Een volgende generatie postliberalen heeft deze gedachten uitgewerkt. Zij vat de kerk op als een christelijke counterculture, met een eigen narratief; een narratief dat geen externe legitimering nodig heeft. Zo is voor Hauerwas de kerk als geloofsgemeenschap een alternatieve gemeenschap, die inherent moreel en politiek van aard is. Het is een contrastgemeenschap, waarin christelijke karaktervorming wezenlijk is. In navolging van Alasdair MacIntyre, benadrukken Hauerwas en andere postliberalen dat de mens een gemeenschapswezen is, gevormd door een gedeeld verhaal.

Consequenties

De postliberale theologische visie heeft consequenties voor het kijken naar de rol van het christelijk geloof in de samenleving en voor het kijken naar de liberale samenleving zelf.

Zo is Hauerwas zeer kritisch op het concept ‘Christendom’, dat wil zeggen de synthese van kerk en staat, zoals die wordt teruggevoerd op keizer Constantijn de Grote uit de vierde eeuw na Christus. Ook de manier waarop Tocqueville beschreef hoe het geloof het functioneren van een democratische samenleving vergemakkelijkt, is Hauerwas een doorn in het oog. Dit omdat een dergelijke rol afbreuk doet aan het ‘counter-cultural’-karakter van het christelijk geloof.

Wat de liberale samenleving zelf aangaat: postliberale theologen hebben kritiek op de moderniteit en de liberale samenleving. Die is gestoeld op hun denken in termen van een post-seculiere werkelijkheidsopvatting. Zo benadrukt Milbank dat de gedachte van een seculier domein dat zich onttrekt aan de invloed van het goddelijke een moderne uitvinding is. ‘Once there was no secular’, schrijft Milbank. Het ‘seculiere’ is een moderne mythe.

Kortom: de kerk wordt door postliberalen opgevat als een alternatieve politieke en morele gemeenschap. De kerk is daarmee niet te zien als een hobbyistenvereniging binnen een liberale politieke orde, maar als een werkelijke alternatieve orde. De burgerlijke politiek verliest aan gewicht; de kerk komt in hun visie centraal te staan.

De verleiding weerstaan

Dit type denken kan een noodzakelijke correctie vormen op de verleiding voor de kerk om ‘relevant’ te willen zijn en om zich te gemakkelijk als steunpilaar voor een politieke orde te beschouwen. Dat sluit dan weer goed aan bij een belangrijke les van Tocqueville, namelijk dat een religie die zich verbindt aan een macht op aarde, even kwetsbaar wordt als die macht.

Vond je dit een boeiende blog? Lees meer en blijf op de hoogte door je aan te melden voor onze maandelijkse Blog Alert.

Bas Hengstmengel is advocaat en filosoof.

#Tocqueville #postliberalisme #theologie #kerk #instituties #vrijheid #waarden #normen