Vrijheid van en vrijheid tot

Datum bericht: 11 maart 2021

Door René Grotenhuis

Veel debatten over vrijheid draaien haast vanzelfsprekend om een negatief vrijheidsbegrip: vrijheid als het niet belemmerd zijn, vrijheid als de ruimte om ‘te zeggen wat je vindt en te doen wat je wilt’.

Allergie voor belemmeringen

Wij leven in een tijd waarin wij een grote allergie hebben ontwikkeld voor belemmeringen. Wij ervaren deze als onrechtvaardig. Inmiddels spreken wij over ‘geboorteloterij’, wanneer wij willen aangeven dat ons leven en onze mogelijkheden beperkt worden door het blote feit van het land en de cultuur of het gezin waarin wij geboren zijn. Het gaat in die gedachte om een vorm van onrecht dat mensen in landen geboren worden met gebrekkig onderwijs, gebrekkige gezondheidzorg en corrupte rechtspraak. Dat vrijheid-beperkende onrecht is er in vergelijking met mensen die in landen zijn geboren waar die voorzieningen wel beschikbaar en goed georganiseerd zijn. Die omstandigheden belemmeren mensen te leven om zoals Roosevelt het noemde in zijn four freedoms: freedom of speech, freedom of worship, freedom from want, freedom from fear.

Focus op negatief vrijheidsbegrip

Die focus op een negatief vrijheidsbegrip zien wij in meer uitgesproken zin ook in de wijze waarop mensen soms met de corona-maatregelen omgaan: ik doe wat ik wil zolang er geen begrenzing wordt opgelegd door de handhaving van politie of Boa’s. Daarin verschijnt de wetgever als de enige begrenzing.

saint-paul-1276547_640

Paulus

Positieve vrijheid

Een positieve invulling van vrijheid richt zich meer op de vraag: waartoe gebruik ik mijn vrijheid? Het is die vrijheid die de basis is van de christelijke vrijheid die Paulus in zijn brieven verkondigt. De vruchten van de vrijheid die ons in Christus is geschonken, zijn voor Paulus (Brief aan de Galaten hoofdstuk 5) onder andere liefde, vreugde, vrede, geduld, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Echte vrijheid gaat in de christelijke traditie over de ruimte om het goede te doen. Wij zijn in Christus vrijgemaakt, verlost om het goede te doen.

Katholieke organisaties

Onlangs was ik betrokken bij een publicatie van het VKMO (Vereniging van Katholieke Maatschappelijke Organisaties) over de ervaringen van maatschappelijke organisaties in de coronacrisis. Universiteiten en de Vincentiusvereniging, ontwikkelingsorganisaties en ouderenbonden reflecteerden daarbij op hun ervaringen. Wat mij opviel was dat alle organisaties in deze tijd initiatieven zijn gaan nemen die niet waren afgesproken in subsidieovereenkomsten of performance-indicatoren. Voor deze organisaties, die voortkomen uit de katholieke traditie, is dat vanzelfsprekend: je weet waarvoor je bestaat en de ruimte die je krijgt, gebruik je om die missie te realiseren. Daarmee lieten zij zien dat zij heel goed wisten waarvoor zij op aarde zijn en zij gebruikten de ruimte die er ontstond door de crisis om de goede dingen te doen. Voor al die organisaties geldt dat de waarden die zij vanuit de christelijke traditie met zich meedragen, daarbij richting geven.

boek

Institutioneel wantrouwen

De vanzelfsprekendheid waarmee deze organisaties weten wat zij moeten doen in tijden van crisis viel mij op omdat in de afgelopen twee decennia een steeds grotere verdichting van regelgeving, voorwaarden en vereisten ten aanzien van maatschappelijke organisaties heeft plaatsgevonden. Dat proces is ingegeven door het institutioneel wantrouwen waarbij de vanzelfsprekendheid van een negatief vrijheidsbegrip leidend is: wanneer je geen duidelijke grenzen stelt aan waar organisaties het geld voor mogen gebruiken, ben je er niet zeker van of ze wel het juiste doen. Wanneer je hun vrijheid niet nadrukkelijk inperkt en afgrenst, is het gevaar dat zij die vrijheid misbruiken te groot. De covid-19 crisis is wat mij betreft een duidelijk teken dat wij onnodig veel aandacht besteden aan het insnoeren van maatschappelijke organisaties omdat politici en bestuurders bang zijn dat zij anders ongewenste dingen doen.

Vruchten van de Geest

Voor katholieke maatschappelijke organisaties is een positieve invulling van het vrijheidsbegrip vanzelfsprekend: zij zijn onderdeel van een traditie waarin het gaat om wat Paulus aanduidt als de vruchten van de Geest. Dat zou je ook kunnen omschrijven met het koninkrijk der hemelen waarover Jezus in het Evangelie spreekt.

Uitdaging voor de post-christelijke samenleving

Eén van de ingewikkelde uitdagingen van onze post-christelijke samenleving is dat wij het positieve vrijheidsbegrip niet kunnen invullen, omdat er geen gemeenschappelijk verhaal meer is over ‘het goede leven’. Nu in de post-christelijke cultuur (die ook de post-marxistische en de post-liberale cultuur is) alle grote verhalen en ideologieën hebben afgedaan, ontbreekt het ons aan een gedeeld idee waarmee wij de positieve vrijheid, de vrijheid tot, kunnen laden.

Voorbeeldfunctie

Bij gebrek aan zo’n gedeeld toekomstperspectief kunnen wij elkaar daarop ook niet aanspreken en is zo’n perspectief ook niet het uitgangspunt van onze verwachtingen. Zo leidt het ontbreken van een gedeeld positief perspectief voor ‘vrijheid tot’ ertoe dat negatieve vrijheid het belangrijkste houvast wordt als we vrijheid willen omschrijven en invullen. Het is belangrijk dat christelijk maatschappelijke organisaties van tijd tot tijd laten zien hoe belangrijk het is dat zij weten waartoe positieve vrijheid, vrijheid tot het goede kan leiden en hoe belangrijk dat is, juist in tijden van crisis.

Vond je dit een boeiende blog? Lees er meer en blijf op de hoogte door je aan te melden voor onze maandelijkse Blog Alert!


René Grotenhuis studeerde systematische theologie in Utrecht en was in 2003-2013 CEO van de katholieke ontwikkelingsorganisatie Cordaid. Sinds 2013 is hij associate researcher aan de Universiteit Utrecht.


#Tocqueville #instituties #vrijheid #waardenennormen #postchristelijkecultuur #overheid #wetgeving #gelijkheid #rechtvaardigheid #deugden #wantrouwen #vertrouwen #toekomst #coronacrisis #VKMO