De waarde van onze ‘wij-heid’

Datum bericht: 3 juni 2020

Door Herman Kaiser

De Vereniging voor Bestuurskunde heeft een podcast met interviews van leden die onlangs publiceerden over een bestuurskundig thema. Ik had het genoegen om uitgenodigd te worden voor een dubbelinterview met Duco Bannink. De bedoeling was dat er een dialoog zou komen over twee boeken die diametraal tegenover elkaar leken te staan. Banninks boek Besturen zonder wij, in een samenleving zonder wij is vanuit een ander vertrekpunt geschreven dan In waarden verbonden. Op zoek naar gedeelde ruimte voor een waardevolle toekomst, mijn boek dat een jaar geleden verscheen.

Weinig ‘wij-heid’

Besturen zonder wij heeft als kern dat wij in onze samenleving zo weinig ‘wij-heid’ meer hebben dat de traditionele bestuursmodellen niet meer werken. Nederland is vanouds een land van cohesie en een sterk wij-gevoel. De verschillende sociale en culturele achterbannen kenden intern een sterke binding. De leidinggevenden in politiek, economie en samenleving begrepen dat er tussen al die verschillende achterbannen ook onderling een wij-gevoel moet zijn. Dat levert rust, orde en veiligheid en daarmee de basis voor voorspoed en een vruchtbare samenleving.

Heerlijke vrijheid?

Bannink beschrijft hoe de basis van die wij-heid is aangetast. Van hiërarchisch sturen kan al lang geen sprake meer zijn. Het overleggen in netwerken gaat moeizaam. Als wij al graag willen blijven door polderen wordt dat moeilijk omdat wij niet meer begrijpen hoe de problemen echt in elkaar zitten. Wij komen dan door gebrek aan wij-heid via de politiek niet meer tot gezamenlijke oplossingen. Politici gaan steeds verder benadrukken dat wij het niet meer eens zijn. Er ontstaat een spiraal van onbestuurbaarheid. Dat is de prijs van de vrijheid die wij moeten betalen. De vrijheid van het eigen gelijk. Het recht op de eigen mening. En het niet naar elkaar te hoeven luisteren. De benauwende geïnstitutionaliseerde structuren hebben wij achter ons gelaten. Niemand schrijft ons meer voor ‘hoe het hoort’.

Bannink beschrijft in zijn boek hoe hij geniet van het fietsen in Amsterdam. “Ik fiets daar erg graag want ik ben een groot liefhebber van vrijheid. In Amsterdam bestaat, denk ik, een grote variëteit van fietsgedrag.” Hij vergelijkt Amsterdam dan met Slovenië waar fietsers zich laten leiden door voorgeschreven regels, in plaats van de impliciete regels van het fietsgenot. In Amsterdam bepaal je zelf hoe je wilt fietsen.

bicycle-amsterdam-fietsen-herman-kaiser-blog-waardenennormen

Perceptie

Ik moet toegeven dat ik na het lezen van deze passage Bannings boek enigszins met een gekleurde bril ben gaan verder lezen. Als ik in Nederland ergens een hekel aan heb, is het wel het Amsterdamse fietsgedrag, dat zich helaas al niet meer alleen tot de hoofdstad beperkt. In mijn boek beschrijf ik een Arnhemse verkeerscasus ten gevolge van een zogenaamd ‘free space’-concept. In de voorbereiding op het interview zat ik mij al in stilte erop te verheugen om mijn opponent eens goed de oren te wassen. Ik wilde zo’n Amsterdamse vrijbuiter wel eens laten zien waar dat wild fietsen uiteindelijk wel toe zouden moeten leiden.

Dialoog

Maar het interview, dat overigens vakkundig geleid werd door Hans Bosselaar, verliep tot mijn verbazing heel anders. Na wat eerste, lichte beschietingen - in een overigens vriendelijke sfeer - werd het gesprek steeds meer een echte dialoog. Gaandeweg het gesprek bleek dat wij ons in de kern zorgen maken over exact hetzelfde probleem. Banninks analyse over het verdwijnen van de wij-heid is geen lofzang op een ongebreidelde individuele vrijheid. En mijn pleidooi voor het herontdekken van gezamenlijke waarden en het dempen van de echoput van het eigen gelijk is geen lofzang op het conservatisme van de jaren vijftig. Daar raakten wij over en weer wel van overtuigd.

Wij-heid: publieke moraal in een vrije samenleving

Wij maakten ons zorgen over precies hetzelfde, namelijk dat een vrije democratische samenleving alleen goed bestuurd kan worden als een bepaalde mate van wij-heid aanwezig is. En dat voor die wij-heid niet alleen maar meningen van belang zijn, maar ook iets wat refereert aan bepaalde hogere principes, die uitstijgen boven de waan van alle dag. Besturen in een vrije samenleving kan niet zonder een publieke moraal die gedragen wordt door de burgers van het land. Het delen van zo’n moraal is geen kwestie van met de vinger wijzen. Het is geen kwestie van patriarchisme of benepenheid van fatsoenridders. Het is de discussie over de vraag welke samenleving wij willen achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen. Hoe wij willen leven en samenleven. Wij vieren nu dat wij 75 jaar geleden opnieuw de vrijheid kregen om dat samen met elkaar te bepalen. Laten wij dat dan vooral ook doen. Juist nu in deze corona-tijd. Wij kunnen nu onze wij-heid bewijzen. Wij worden op de proef gesteld.


Herman Kaiser studeerde politicologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (1971-1977); hij is promovendus op het onderwerp ‘subsidiariteit’ bij prof. dr. Paul van Geest en prof. dr. Sylvester Eijffinger aan Tilburg University. Hij is oud-burgemeester van Arnhem, Doetinchem, Roermond en Margraten.

Meld je nu aan voor de Tocqueville-nieuwsbrief!

Tags: Tocqueville, waarden en normen, burgerschap, bestuurskunde, besturen, democratie, wij-heid, publieke moraal

Lees ook deze blog van Herman Kaiser over 75 jaar bevrijding