Zoek in de site...

G.E. Rumphius, D'Amboinsche rariteitkamer

Datum bericht: 1 maart 2016

Ondanks het noodlot een prachtig boek

De natuurlijke historie was in de 17e en 18e eeuw buitengewoon populair. Wetenschappers bestudeerden de natuur in al haar facetten: mensen, dieren, planten, mineralen. Verzamelaars legden grote natuurhistorische collecties aan, die op hun beurt belangrijk werden voor het wetenschappelijke onderzoek. De publicaties die uit dat onderzoek volgden, behoren vaak tot de zeer fraaie oude drukken. De vernederlandste Duitser Rumphius leverde met twee publicaties een indrukwekkende bijdrage aan dit type onderzoek.

Langs Nijmegen

Georg Everhard Rumpf (verlatijnst: Rumphius) werd geboren in 1627 in het vlekje Wölfersheim, tegenwoordig een gemeente in de Duitse deelstaat Hessen, zo'n 60 km ten noorden van Frankfort a.M. Zijn vader, August Rumpf, was een bouwmeester die in Hanau beschadigde vestingwerken verbouwde.
De jonge Georg Everhard volgde het gymnasium, waarna hij, in 1645 door graaf Ernst Casimir von Nassau-Weilburg (1607-1655) naar de noordelijke Nederlanden werd gestuurd. Rumphius, achttien jaar oud, verliet huis en haard en reisde per boot over de Rijn en de Waal en passeerde zo, in 1645, Nijmegen. In december 1652 vertrok hij, als adelborst in dienst van de VOC, naar Ambon waar hij in 1654 arriveerde. Hij trouwde er en kreeg drie kinderen. In 1660 startte hij met de beschrijving van de Ambonese natuur.

d'Amboinsche rariteitkamer

Noodlot

Tien jaar later slaat het noodlot toe: Rumphius wordt in 1670 blind. Alsof dat al niet erg genoeg is, wordt Ambon in februari 1674 getroffen door een zware aardbeving, waarbij 2322 mensen omkomen. Onder de slachtoffers bevonden zich ook Rumphius' vrouw en twee van zijn kinderen.
'Hoe "grouwlijck" de aardbeving is geweest, kan men nalezen in J.L. Gottfrieds Historische kronyck (Leiden 1702), dl.4, p.1379-1380 (OD 215 b 4), waar ook een gravure van Jan Luyken staat waarop te zien is hoe een "verschricklijcke zeebergh" oprees uit de zee. Zijn natuurhistorisch onderzoek heeft de blinde Rumphius op de tast voortgezet tot zijn dood op 15 juni 1702.
Het eerste boek dat Rumphius voltooide, is het zesdelige Amboinsche kruidboek, dat echter pas in 1741 werd gedrukt doordat de VOC de publicatie ervan tegenhield. De UB bezit er helaas (nog) geen exemplaar van. Het tweede voltooide boek werd in 1705 gedrukt bij François Halma in Amsterdam: D'Amboinsche rariteitkamer. Een kloeke foliant van 417 pagina's en 60 paginagrote kopergravures (305x190 mm). Het gegraveerde titelblad en het portret van Rumphius (335x215 mm) zijn gegraveerd door Jacobus de Later. De overige gravures zijn van Jacobus de Later, Jan van Lamsvelt en Johannes Deur (1668-1734). De gravures van Johannes Deur zijn gemaakt naar tekeningen van de befaamde Maria Sibylla Merian (1647-1717).

Twee opdrachten

Rumphius heeft het boek opgedragen aan de Delftse burgemeester Hendrik d'Acquet (1632-1706).

d'Amboinsche rariteitkamer

In die opdracht, gedateerd 1 september 1699, verklaart hij de titel van zijn boek: "Amboinsche rariteitkamer, [omdat] het meest handelt van zulke zeldzaamheden die in de Amboinsche zee, of aan de stranden der naburige eilanden gevonden worden, en door my met veele moeite en kosten, in myn langwylig verblyf op Amboina, zorgvuldig verzamelt en bewaart zyn". Rumphius' opdracht wordt gevolgd door een tweede opdracht aan burgemeester D'Acquet, gedateerd 1 september 1704. Deze tweede opdracht is van de Amsterdamse uitgever François Halma (1653-1722), die uit de doeken doet dat hij het manuscript in 1701 in handen kreeg, maar dat het drukken belemmerd werd door zoveel tegenslag dat hij ervan begon te wanhopen. Het grootste probleem werd gevormd door de illustraties, met name van de schelpen, die Halma nooit bereikt hebben. Die illustraties moesten aan de hand van materiaal van Nederlandse verzamelingen alsnog gemaakt worden. Daarnaast was het nodig sommige te summiere tekstdelen uit te breiden, wat gedaan werd door de Amsterdamse bouwmeester, graveur en verzamelaar van zeldzaamheden Simon Schynvoet (1653-1727). D'Amboinsche rariteitkamer is verdeeld in drie secties: de "weeke schaaldieren", "de harde schaalvisschen" (waar aan toegevoegd zijn de "Amboinsche hoornen en schulpen") en tenslotte de "mineraalen en gesteenten".

Twee exemplaren

Onze UB bezit van deze editie twee exemplaren: het eerste is een vroege schenking, helaas zonder verdere herkomstgegevens en herbonden in 1983 (OD 135 a 8); het tweede stamt uit de voormalige bibliotheek van het Albertinum (OD a 319). Dit laatste exemplaar heeft bij de vorige eigenaars overduidelijk volledig in het water gelegen, gelukkig zonder onherstelbare schade. Het ligt nu bij het restauratieatelier.

Herdrukt en vertaald

In 1741 werd D'Amboinsche rariteitkamer herdrukt bij Jan Roman in Amsterdam. Ook hiervan bezit de UB een exemplaar, dat afkomstig is uit de voormalige Redemptoristenbibliotheek van Wittem (OD 655 a 4), gebonden in een contemporaine halfleren band, met platten van kievitsmarmerpapier. Deze tweede druk bevat ook een portret van Rumphius, dat op het eerste gezicht identiek is aan het portret uit 1705. Maar merkwaardigerwijs ontbreekt op het portret uit 1741 een aan de muur hangend dier, rechts achter Rumphius.

d'Amboinsche rariteitkamer

En in 1766 verscheen in Wenen, bij Johann Paul Kraus, een Duitse editie, vertaald door Philipp Ludwig Statius Müller (1725-1776), een Duitse hoogleraar in de natuurwetenschappen.

D'Amboinsche rariteitkamer (1705) bladerbaar beschikbaar!

Meer weten? Lees het boek van W. Buijze.

Robert Arpots, conservator