Zoek in de site...

Op de wijze van: de collectie Liedboeken

Datum bericht: 1 juni 2013

Weinig collecties in de Universiteitsbibliotheek zijn zo ongrijpbaar als de collectie liedboeken. Dat komt niet alleen omdat de liedboeken, zoals gebruikelijk, niet bij elkaar staan. Het komt ook doordat de definitie van het begrip liedboek de zoektocht naar de liedboeken erg arbeidsintensief maakt. Ook al is die zoektocht in de UB nog lang niet voltooid, toch wordt al snel duidelijk dat de UB ook met de liedboeken weer een substantiële collectie bezit.

Maïspastoor

De basis van de collectie liedboeken in de UB werd gelegd door de schenking van de befaamde Brabantse pastoor Hendrik Roes (1864-1941). Over pastoor Roes (afb.1) is veel meer bekend dan over zijn verzameling liedboeken. Henricus Wilhelmus Roes, werkzaam in Deurne, was een buitengewoon actieve geestelijke. De "maïspastoor" schreef  boeken over agrarische kwesties, die kennelijk zeer succesvol waren: van "Bemesting, veldvruchten-, groente- en ooftteelt", dat in 1922 een 9e druk beleefde, werden meer dan 100.000 exemplaren verkocht. En hij deed veel om de arme Deurnese boeren bij te staan. Deurne eerde de "boerenapostel" met een bronzen borstbeeld in het Pastoor Roespark. Het beeld werd onthuld in 1951, tien jaar na zijn dood (afb.2).

Op de wijze van: de collectie Liedboeken

Vraagbaak

Uit het herinneringsboek "Rust Roest" (1939) ter gelegenheid van zijn 50-jarig priesterfeest, blijkt op drie plaatsen dat pastoor Roes een passie had voor het Nederlandse liedboek. Niet alleen schreef hij wetenschappelijke artikelen over het oude lied, hij was ook een vraagbaak voor liedverzamelaars door zijn in ruim 40 jaar opgebouwde "kostbare bibliotheek" van liedboeken. In "de groote bibliotheken van Europa" ging Roes geregeld op zoek "naar het oude geestelijke lied".

Intensief gebruikt

Het is niet bekend wanneer de collectie liedboeken van pastoor Roes aan de UB geschonken werd; vermoedelijk in 1941. Ook is niet bekend uit hoeveel exemplaren zijn collectie bestond. Liedboekjes (het zijn overwegend kleine boeken) zijn vaak intensief gebruikt en zitten daardoor, met gehavend papier, bijna altijd los in de boekband - als er al een boekband aanwezig is. Veel van de liedboeken uit deze collectie zijn dan ook herbonden, vaak samen in één nieuwe boekband.

Een herkomstgegeven dat duidt op het eigenaarschap van pastoor Roes ontbreekt in vrijwel alle gevallen. En als er wél een teken van herkomst aanwezig is (afb.3), betreft het toevallig geen liedboek, maar een 18e-eeuwse verzameling biografieën van heiligen.

Overigens schonk ook de in alle overzichten opduikende schenker Bernard Mensing een fors, maar onbekend aantal liedboeken aan de UB.

Gegroeid

In de loop der jaren is de collectie liedboeken van de UB dus nog aanzienlijk gegroeid, door kleine schenkingen, maar ook door de belangrijke aankoop van de grote kloostercollecties. Zoals gebruikelijk is geen van al die liedboeken in de UB ontsloten op genre. Het is dan ook volstrekt onduidelijk uit hoeveel exemplaren de collectie bestaat. Zoeken op het titelwoord "liedekens" levert 56 exemplaren op; "gezangen" 81 exemplaren; "psalmen" 91 exemplaren; "zang" 54 exemplaren. Deze cijfers gelden louter de 18e eeuw en Nederlandse liedboeken. Voor de 19e eeuw levert zoeken op "liederen" 147 treffers op en "gezangen" 291 exemplaren. En dan is er nog niet eens gezocht op varianten als "liedeboeck", "liedtboexcken", "minnezangen", "lofzang", "sterfgesangen", "liederen", "volkszangen", "drinkliederen", "lijkzang", "feestzang", "chanson", "deuntjes", "liedeken", "ghesanghen" enz.

Op de wijze van: de collectie Liedboeken

Hinderpaal

Vormt het verspreid staan van de liedboeken al een groot probleem, het ontbreken van een goede bibliografie vormt een tweede hinderpaal. Wel zijn er enkele belangrijke lijsten van liedboeken, zoals die van Scheltema (1885) en die van Scheurleer (1912, 1922). Daniël François Scheurleer (1855-1927), wiens collectie door de KB Den Haag in 1933 werd aangekocht, benadrukt al in de eerste regel van zijn inleiding, dat zijn publicatie zeer beslist geen bibliografie is, en hij maakt ook haarfijn duidelijk waarom dat niet het geval is: veel ontbreekt nog in zijn overzicht (afb.4). Jacobus Hendrik Scheltema (1829-1909) wijdt een buitengewoon interessante passage aan de definitie van het begrip "liedboek": een lied is pas een lied als er ook bij staat volgens welke melodie het gezongen moet worden (afb.5).

Ontbreekt de muzieknotatie, dan moet op z'n minst de wijsaanduiding bij de coupletten staan, oftewel: "op de wijze van", of  "Stemme".

Daarnaast wierp Scheurleer terecht de vraag op: hoeveel liederen moeten er in een publicatie staan, om het een liedboek te kunnen noemen. Een bundel met louter liederen en bijbehorende muziek, is zonder enige twijfel een liedboek (afb.6). Maar is een van de vele 17e-, 18e-, en 19e-eeuwse toneelstukken met een paar liederen ook een liedboek? Als, in het laatste geval, de liederen niet in een bibliografie worden opgenomen, mist de onderzoeker heel veel liederen. Ook hieruit blijkt opnieuw hoe belangrijk het is dat een universiteitsbibliotheek haar collecties diepgaand ontsluit.

Als de inhoud van de collectie niet bekend is, gaat het onderzoek voorbij aan de bibliotheek die haar werk niet doet.

Robert Arpots, conservator