Winnaar 2013

Winnaar van de Westhoffwedstrijd 2013 'Nature in control of Nature?' is Valérie Reijers.

Het Poldervraagstuk

Valérie Reijers

Mijn blik glijdt over de eindeloze akkers en velden, over de vervallen knotwilgen die zich nog net staande weten te houden naast een smalle sloot. Herinneringen aan vroeger. Het is koud en de rijp ligt als een dunne deken over het landschap.

“Nou meisje, hoe was het in Nijmegen?”

Met een glimlach draai ik me naar mijn vader, en begin te vertellen. We rijden door het oude polderlandschap op weg naar mijn vaders huis, mijn vroegere thuis. Mijn vader glimlacht terug en houdt zijn ogen strak op de weg gericht. Af en toe knikt hij ter bevestiging, maar ik weet dat niet al mijn woorden hem bereiken. Dat maakt niet uit, ik kan moeilijk van hem verwachten dat hij mijn spraakwaterval volgt. Daarbij, ook ik ben afgeleid. Hoe lang geleden was het dat ik hier voor het laatst was? Hier samen, met mijn vader, rijdend door het Zeeuwse landschap.

Ondanks het feit dat ik er niet geboren ben en mijn ouders evenmin een Zeeuwse achtergrond hebben, heb ik mij toch altijd verbonden gevoeld met Zeeuws-Vlaanderen. Ik kan er grappen over maken, over die uithoek van Nederland waar ik jarenlang gewoond heb, maar ergens ben ik er ook trots op. Trots op Zeeland, trots op dat kleine stukje Nederland waar soms de tijd net wat langer stil lijkt te staan. Waar de mensen geen Hollanders, maar ook geen Vlamingen zijn. Ze zijn Zeeuwen en daar zijn ze trots op.

De stugheid en de trots van de Zeeuwen hebben de afgelopen jaren vele malen de media gehaald.

Ik moet eerlijk bekennen, voordat die hele mediastorm ontstond, had ik nog nooit van de inmiddels beruchte Hertogin Hedwigepolder gehoord. Toen mensen mij vroegen: “Wat vind jij nu eigenlijk van die ontpoldering van de Hedwigepolder? ” gaf ik aanvankelijk nog heel eerlijk toe dat ik me er niet zo in verdiept had en ik eigenlijk geen mening had. Maar naarmate de tijd verstreek en de polder vaker en vaker in beeld kwam, kon ik me moeilijk nog achter dat argument verschuilen. Uiteindelijk besloot ik er naar te kijken vanuit het oogpunt van een bioloog. Het onderlopen van de Hedwigepolder, een klein stukje land, als compensatie voor het uitdiepen van de Westerschelde. Wat maakt dat stukje polderland nu uit? Natuurcompensatie is goed toch? Daarbij was ik als kind vaak in ’t Verdronken Land van Saeftinghe’ geweest en dat gebied had een enorme indruk op mij gemaakt. Ontpoldering zou een verbetering zijn, nieuw schor opleveren. Die trotse Zeeuwen, die moesten niet zo zeuren.

Ik zit in mijn vaders auto en in de verte zie ik het groepje bomen, het kleine stukje wildernis, in een verder uitgestrekte en verlaten polder tevoorschijn komen. Daar achter die nette rij populieren staat een aantal oude, statige wilgenbomen, waarin grote scheepstouwen hangen die dienen als schommel. Herinneringen aan vroeger. Achter de wilgen ligt een stuk weiland, drassig tijdens de herfst en wintermaanden, met aangrenzend een rietmoeras. Midden in die wildernis is een kleine heuvel en daarop staat, tussen de oude walnootbomen, mijn vroegere huis.

“We zijn weer thuis,” zegt mijn vader. Hij schakelt terug en rijdt langzaam tussen de twee stenen pilaren door, over het door onkruid overwoekerd grind van de oprijlaan. Naast ons staan ingezakte en vervallen buxusstruiken met daarin groen uitgeslagen, plastic bollen, die als verlichting dienen.

“Hoe voelt dat nu, om weer thuis te zijn?”

Ik kijk mijn vader verbaasd aan. Thuis? Thuis is voor mij allang niet meer dit huis, thuis is mijn kamer in Nijmegen.

Toch?

Ik denk aan de rit die we zojuist gemaakt hebben. De rit langs verlaten akkers en weilanden, de rit langs lage dijkjes, met daarop de witte rijp in breekbare kristallen. Straks, in de lente, zal het gras groen zijn en de dijken bevolkt door koeien. In de zomer zullen de akkers vol staan met graan, maïs en andere gewassen. Straks, over een paar maanden, zal in deze tuin elke dag een fluitconcert te beluisteren zijn. Is dit niet meer mijn thuis? Was het niet deze plek, ons geïsoleerd paradijsje, waardoor ik besloot om biologie te gaan studeren?

Ik glimlach opnieuw naar mijn vader. “Ja pap, het is fijn hier weer te zijn.” Mijn blik glijdt langs bomen en struiken, en ik bedenk hoe ik me zou voelen als dit stukje land zou verdwijnen. Wat nu als mensen, achter onze rug om, zouden besluiten dat dit land opgegeven moet worden? Dat ons thuis, ons stukje paradijs, teruggegeven moet worden aan de zee, waarop het ooit veroverd is? Als compensatie voor wat? Het gevolg van een verdrag waarover wij geen zeggenschap hebben. Een verdrag dat gesloten is tussen de Heren Hollanders en Vlamingen, zonder de Zeeuwen hierbij te betrekken. Zonder ons te vragen hoe wij het zouden vinden dit land op te moeten geven. En waarvoor? Zijn de ‘hoge heren’ Hollanders en Vlamingen wel eens langsgekomen in het Zeeuwse land? Is er wel sprake van een verbetering in ecologische zin wanneer ons polderlandschap onder water wordt gezet? Zijn wij niet een van de weinige gebieden in Nederland waar het polderlandschap nog authentiek is?

Hoe zou ik me voelen? Hoe zou ik reageren als het niet de Hedwigepolder maar de Riet- en Wulfsdijkpolder betrof? Onwillekeurig schud ik mijn hoofd en denk aan de eerste regels van ons volkslied:

Daar schiepen zich de Zeeuwen

Uit schor en slik hun land;

En kwam de stormwind woeden,

Hen dreigend met verderf.

Dan keerden zij de vloeden

Van ’t pas gewonnen erf.’

Het gaat er helemaal niet om dat men een klein gebiedje onder water wil zetten als compensatie van verloren natuur. Het gaat er helemaal niet om welk gebied dat dan wel is. Het gaat om deze regels die de Zeeuwse ziel beschrijven. Ons land is geschapen uit de zee, na een lange, zware strijd. Een strijd waarbij slachtoffers gevallen zijn. We hebben stormen weerstaan en rampen overwonnen door telkens weer onze dijken te versterken en het gevecht met het water aan te gaan. Zouden we nu dat land weer moeten afstaan? Niet, omdat we ons moeten verdedigen tegen de zee, die strijd zullen we blijven winnen, maar omdat de ‘’ hoge heren’ vanuit Den Haag en Brussel dit besloten hebben. En ja, meneer, daartegen verzetten wij ons. En ja, mevrouw, dat krenkt onze trots. Want wij Zeeuwen hebben altijd trots geroepen: Luctor et emergo. Ik worstel en kom boven. En niet, ik worstel, kom boven en geef me uiteindelijk over.