Impressie: Kerkelijk erfgoed op drift

Datum bericht: 13 mei 2020

In aanloop naar de nieuwe editie (nr. 2020-26) van Impressie, die begin juni verwacht wordt, trakteren we u de komende weken op een paar spraakmakende artikelen uit voorgaande edities. Te beginnen met kunsthistoricus Tim Graas die meer vertelt over de herbestemming van kerkelijke kunst en interieur.

Tekst: Tim Graas | Foto's: Jeffry Huntjens

Op de foto: Conservator Tim Graas inventariseert stukken in het depot van bisdom Breda.

‘’Megadeal met een Japans bedrijf. Binnenkort worden honderden Europese kerkattributen naar het Verre Oosten verscheept’’. Dit bericht is te lezen onder het kopje Relihandel / Japanners zijn dol op kerkinterieurs op de website van Fluminalis, die zichzelf afficheert als ‘’worldwide the leading company in selling complete interiors from churches and monasteries’’.

Fluminalis is gevestigd in een groot bedrijfspand in Horssen. Voordien diende de buiten gebruik gestelde St. Bonifatiuskerk, die de firma in 1981 van het bisdom had gekocht, als verkoopruimte, maar deze locatie was te klein geworden. In de loop der jaren heeft het bedrijf van tientallen kerken en kloosters de gehele inventaris opgekocht. In 2012 stond de teller op 54 kloosters, 26 grote parochiekerken en 81 kapellen, en van 231 gebouwen grotere delen van de inboedel. Let wel: het werkterrein betreft Nederland, België en Frankrijk, maar scrollend op de site door de verschillende categorieën (van altaren tot beelden, van glas-in-lood tot kelken en relieken) ziet een geoefend kunsthistorisch oog al gauw dat het merendeel een niet-Nederlandse herkomst heeft. De vraag rijst dan: waar is de inventaris gebleven van al die Nederlandse kerken en kloosters die de afgelopen jaren zijn gesloten?

Het proces van kerksluitingen is zoals bekend ingezet met de ontkerkelijking in de jaren ’60 van de vorige eeuw en duurt nog steeds voort. Waren het in de eerste tijd vooral stadskerken die gesloten en vaak ook afgebroken werden – in steden waren er immers kerkgebouwen genoeg -, de laatste tijd treft ook steeds meer dorpskerken hetzelfde lot en met hetzelfde gevolg, namelijk dat de inventaris verwijderd moet worden. Wat in de jaren ’60 bovendien heeft bijgedragen tot de stroom van vrijkomende kerkelijke voorwerpen was de versoberingswoede. Deze ‘’tweede beeldenstorm’’ is niet alleen een kwestie geweest van de afnemende devotionele praktijken en de nieuwe liturgische bepalingen van het Tweede Vaticaanse Concilie, maar vooral ook van smaak: de behoefte aan een moderne, eigentijdse vormgeving, weg met het als kitscherig en zoetelijk ervaren fabrieksgoed in namaak middeleeuwse stijl.

Op de foto: Gipsen beelden van het H. Hart, H. Jozef en twee evangelisten. Ze werden vaak geverfd om op hout te lijken en zo een authentiekere uitstraling te hebben.

De tijd dat heiligenbeelden en kazuifels op het Waterlooplein terecht kwamen is al lang voorbij. Het herbestemmen van de inventaris bij een kerksluiting is tegenwoordig, in Nederland althans, een proces waarvoor richtlijnen bestaan en dat met de nodige zorgvuldigheid wordt begeleid. Die richtlijnen verschillen per bisdom en per kloosterorde, maar komen grosso modo op het volgende neer. Als er een parochiekerk gaat sluiten, wordt met behulp van de inventarislijst een herbestemmingsplan opgesteld. Op deze lijst zijn alle waardevolle stukken beschreven en gefotografeerd en wordt ook aangegeven wat de kerncollectie is. Dat zijn de belangrijkste items binnen de collectie van waardevolle voorwerpen en interieuronderdelen die een parochie bezit. Het belang wordt gemeten aan de hand van kunsthistorische, cultuurhistorische, kerkhistorische, (lokaal)historische en liturgische criteria. Een apart criterium is de ensemblewaarde: een voorwerp ontleent zijn waarde als onderdeel van een groep die het verdient om bij elkaar gehouden te worden. Ensembles komen vaak voor bij naoorlogse kerken, die in één keer zijn ontworpen en ingericht. Bijvoorbeeld een altaar, tabernakel, ambo, altaarkruis en altaarkandelaar, alles in dezelfde stijl.

De inventarislijst, waarover in principe iedere parochiekerk beschikt, is op last van het bisdom waartoe de parochie behoort, samengesteld. Het bisdom werkt daarvoor samen met de dienst EKK (Erfgoed in Kerken en Kloosters) van Museum Catharijneconvent, dat aangewezen is als het nationale kenniscentrum voor het religieuze en kerkelijke erfgoed. De inventarisatiegegevens van alle kerken worden opgeslagen in een database, die online raadpleegbaar is op de website van het museum, maar alleen voor de eigenaars van de voorwerpen, dat wil zeggen de parochie kan alleen de items die zich in haar eigen kerk bevinden raadplegen. Kerkelijk bezit is immers privé bezit en bovendien zijn veel voorwerpen kostbaar en diefstalgevoelig. Wél voor iedereen online toegankelijk is de rubriek Vraag en Aanbod, waarop overtollig erfgoed uit (gesloten) kerken aangeboden wordt. Dit aanbod, dat in principe gratis is, is alleen beschikbaar voor kerkelijke instellingen, niet voor particulieren en handelaren.

Slechts een klein deel van de voorwerpen uit gesloten kerken komt op Vraag en Aanbod terecht. In eerste instantie worden ze overgebracht naar de parochiekerk(en) waar de ontheemde parochianen voortaan onder ressorteren. Het gaat dan vooral om de kleinere, meer kostbare voorwerpen die niet veel plaats innemen, met name het liturgisch zilver in de kluis. Als er een keuze gemaakt moet worden bijvoorbeeld tussen kelken, waarvan de meeste kerken er meerdere bezitten, gaan de ‘’anonieme’’ kelken van dertien in een dozijn het eerste de deur uit. Heel veel kelken uit de 19de en 20ste eeuw zijn min of meer een serieproduct die door gespecialiseerde ateliers met behulp van machines of geïmporteerde onderdelen werden samengesteld en eventueel handmatig afgewerkt. Anoniem wil in dit geval zeggen: niet met een inscriptie of een specifieke voorstelling als de patroonheilige van de kerk. Niet zelden is een kelk voorzien van een inscriptie in de trant van: geschonken door de parochianen bij het zilveren priesterfeest van hun pastoor, en om die reden lokaal-historisch interessant en behorend tot de kerncollectie, die zoveel mogelijk ter plaatse bewaard of herbestemd dient te worden.

Op de foto: Tim Graas bestudeert de inscriptie van kelken om meer te weten te komen over herkomst en maker.

Voor de grotere voorwerpen is er vaak geen plaats in de volgende kerk waar men al geheel is voorzien of waar al een beeld van dezelfde heilige staat. Dan wordt gezocht naar een bestemming binnen het bisdom, en als dat niet lukt komen kerken van de andere bisdommen binnen de Nederlandse kerkprovincie in aanmerking. Bij sluiting van een klooster gaat de inventaris naar andere kloosters van dezelfde orde of congregatie. Omdat in Nederland de meeste kloosters al zijn gesloten en vaak alleen het moederhuis (het hoofdklooster) is overgebleven waar dan al veel ligt opgeslagen van opgeheven dochterkloosters en succursaalhuizen, komt het voor dat er erfgoed naar buitenlandse vestigingen verdwijnt, zoals bij de Jezuïeten en de Franciscanen is gebeurd.

Enkele bisdommen hebben een depot waar stukken uit gesloten kerken worden opgeslagen in afwachting van een nieuwe kerkelijke bestemming. Het grootste is dat van het bisdom Breda, dat daarvoor een leegstaande kerk in Bergen op Zoom gebruikt. Het staat vol met honderden kerkelijke kunst- en gebruiksvoorwerpen, waaronder veel paramenten, kandelaars, beelden en kruiswegstaties, maar ook enkele grote altaarstukken en een gedemonteerde barokke preekstoel. Een groot deel daarvan is afkomstig uit gesloten kerken in Zeeuws-Vlaanderen, een krimpregio waar het afgelopen decennium meer dan de helft van de kerken moest worden gesloten.

Op de foto: Onderdelen van een ontmantelde preekstoel (vervaardigd in 1870) uit de gesloten kerk van Stoppeldijk (nabij Hulst, Zeeuws-Vlaanderen) met op de voorgrond liggend de geketende apostel Paulus.

Het blijkt in de praktijk moeilijk om deze depotstukken te herbestemmen. Ook deze stukken zijn in principe alleen voor kerkelijke instellingen beschikbaar. De kerken in het bisdom en in de rest van Nederland zijn al voorzien en zitten vaak met een teveel aan spullen. Afnemers van deze depotstukken zijn voornamelijk de nieuwe religieuze gemeenschappen als de blauwe zusters van Matará en de conservatieve Priesterbroederschap Sint Pius X, die de oude liturgische en devotionele praktijken van vóór Vaticanum II in stand houdt en de daarvoor benodigde voorwerpen nog gebruikt.

Komt er van al dit kerkelijke erfgoed ook wel eens iets in musea en andere erfgoedinstellingen terecht? Voorwerpen als het vaandel van de lokale afdeling van een R.-K. vakvereniging vinden vaak hun weg naar de plaatselijke oudheidkamer. Zelden komt er iets vrij dat interessant genoeg is voor Museum Catharijneconvent, dat als hét nationale museum voor religieuze kunst een selectief acquisitiebeleid voert. Selectief is ook het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven te Sint Agatha, de zusterorganisatie van het KDC, waarin ruim honderd kloostergemeenschappen participeren. De collectie voorwerpen vormt, na de archieven en de boeken, de derde poot van het centrum, dat sinds 2015 officieel staat geregistreerd als museum. Alleen voorwerpen, die typerend zijn voor een bepaalde orde of congregatie, worden opgenomen in de collectie.

Het KDC is geen museum maar heeft wel een bewaarfunctie voor voorwerpen die het katholieke leven van de laatste twee eeuwen documenteren. Er wordt niet actief verzameld. Incidenteel worden er stukken aangeboden uit kerken en kloosters, die opgeheven worden of moeten gaan ontzamelen. Meestal gaat het dan om voorwerpen die aansluiten bij een reeds aanwezig archief, zoals dat van kardinaal Van Rossum. Van het moederklooster van de Zusters van Tilburg werd een groot portret van hem ontvangen en van het Redemptoristenklooster te Wittem zijn volledige kardinaalstenue. Als aanvullingen op het archief van Edelsmidse Brom heeft het KDC meermalen ontwerptekeningen aangeboden gekregen uit gesloten parochiekerken. Uit een Utrechtse kerk werd een ingelijste oorkonde ter herinnering aan de behouden terugkomst van militairen uit Indonesië geschonken, getekend door de kunstenares Zuster Theofoor (Ans van Zeijst), van wie het KDC het archief bewaart.

Op de foto: Koperen beeld van het H. Hart door Edelsmidse Brom (1936). De ontwerptekening van dit werk bevindt zich in het Brom-archief in het KDC.

In het bredere verband van de Radboud Universiteit, waarvan het KDC deel uitmaakt, is katholiek erfgoed een item op de agenda geworden. De tijd dat een schilderij uit de vroegere kapel van het Radboudziekenhuis van de internationaal bekende schilder Theodore Strawinsky stilzwijgend werd afgestoten lijkt voorbij. Tekenend voor de hernieuwde belangstelling is de recente plaatsing van een antiek doch gehavend Mariabeeld in een vitrine in het gebouw van de Rechtenfaculteit. Het was in de jaren ’80 door professor pater Wim Jonkers scj aan de faculteit nagelaten maar had al die jaren onzichtbaar in een depot opgeslagen gestaan. Er zijn plannen om stukken uit het depot van het KDC als het grote schilderij van de Nijmeegse kunstenaar Piet Gerrits, voorstellende Maria Sedes Sapientiae (Zetel der Wijsheid), een toepasselijke plaats te bezorgen binnen de universiteit. Onlangs heeft de RU een brochure uitgegeven met als titel Zichtbaar erfgoed. De waarde van erfgoed voor academisch onderwijs, onderzoek en publieke profilering van de Radboud Universiteit. Op initiatief van de universiteit is er een projectgroep Shared Catholic Heritage opgericht en met ingang van 1 december van dit jaar is Chris Dols benoemd tot conservator Radboud Erfgoed, een nieuw gecreëerde functie.

Dit artikel is eerder verschenen in Impressie 2019-25. U vindt alle voorgaande edities digitaal terug op deze pagina.

Impressie thuis ontvangen? Stuur een mail naar info@kdc.ru.nl en we sturen u tweemaal per jaar een exemplaar toe, volledig kostenloos.