Ex Tempore: De verbeelding van epidemieën en geneesheiligen
Kunst en erfgoed in Nederlandse kerken en kloosters
Voor het tijdschrift Ex Tempore (39 (2020), 2) schreef Tim Graas, kunsthistoricus werkzaam bij het KDC, een overzichtsartikel over de verbeelding van epidemieën en geneesheiligen in de katholieke kunst van de vroege middeleeuwen tot nu: van de pest via cholera en lepra tot corona. Hij focust zich hierbij op het erfgoed van katholiek Nederland in vergelijking met Italië, Frankrijk en België.
Het KDC en de redactie van Ex Tempore bieden u dit artikel kosteloos aan. Deze bijdrage is oorspronkelijk verschenen in een themanummer over katholiek erfgoed. Interesse? U kunt het blad bestellen via de website van het tijdschrift.
Tekst: Tim Graas
Covid-19 is sinds zijn intrede allesoverheersend geweest in het nieuws. Alle mogelijke aspecten zijn daarbij uitgebreid aan de orde geweest. Het historische aspect heeft in de Nederlandse media echter niet veel meer aandacht gekregen dan verwijzingen naar de Spaanse griep van 1918 en de Zwarte Dood. In de buitenlandse media was dat anders. Met name op de Italiaanse en Spaanse nieuwssites zijn verschillende historische artikelen te vinden die vaak geïllustreerd zijn met kunstwerken uit een ver verleden die een epidemie verbeelden. Het meest voorkomende kunstwerk blijkt opmerkelijk genoeg van de Nederlandse schilder Pieter Bruegel de Oude te zijn. Diens Triomf van de Dood, bewaard in het Prado-museum te Madrid, wordt kennelijk beschouwd als een tot de verbeelding sprekende voorstelling van een epidemie (afbeelding 1). Een Engelse schrijver die besmet was geraakt met het coronavirus omschreef de hallucinaties die hij daarvan kreeg zelfs als een ‘Bruegel-like delirium’. [1] Dit was aanleiding voor mij om als kunsthistoricus na te gaan wat de invloed is geweest van epidemieën op de beeldende kunst en welke sporen ze hebben nagelaten in het materiële erfgoed. Ik wil me daarbij concentreren op het Nederlandse kerkelijke en religieuze erfgoed.

Afbeelding 1: Triomf van de dood, Pieter Brueghel ca. 1562, Museo del Prado Madrid. Foto Wikimedia Commons.
De middeleeuwen
Bruegels meesterwerk heeft geen kerkelijke herkomst maar de verbeelding van de triomf van de dood heeft een kerkelijke voorgeschiedenis. Dit thema is onlosmakelijk verbonden met de epidemieën die met een zekere regelmaat Europa teisterden vanaf de Zwarte Dood (1348-1351), die wel ‘the greatest catastrophe ever’ is genoemd. [2] Bruegel schildert in detail al de verschrikkingen van epidemieën, oorlogen, branden en andere rampen die uiteindelijk de dood tot gevolg hebben. Het centrale motief is een leger van geraamtes, aangevoerd door een figuur op een uitgemergeld paard, dat met een zeis door een verwoest landschap trekt. Op de achtergrond zijn bosbranden en een zee met scheepswrakken te zien. De skeletten vallen de levenden aan die proberen weg te vluchten of terug te vechten. We zien mensen van verschillende sociale standen, die allen een zekere dood tegemoet gaan. In de linkerbovenhoek luiden twee geraamtes een bel, wat staat voor het einde van de wereld: de Dag des Oordeels is aangebroken.
De invloed van de Zwarte Dood op de ontwikkeling van de schilderkunst in de steden die toen toonaangevend waren wordt beschreven in Painting in Florence and Siena after the Black Death: the Arts, Religion, and Society in the Mid-fourteenth Century van Millard Meiss, een klassieker in de kunstgeschiedenis. Door deze epidemie werd de bevolking van Florence en Siena meer dan gehal- veerd. Onder de slachtoffers bevonden zich ook de kunstenaars die vooropliepen in de ontwikkeling. Een gevolg was niet alleen een terugslag naar een conservatievere stijl maar ook dat de doodsthematiek meer in de belangstelling kwam. De realistische weergave van skeletten en halfvergane lijken (transis) in muurschilderingen en in de grafsculptuur kwam toen op. Een mijlpaal is het grote fresco van de Triomf van de Dood in het Camposanto (ommuurde kerkhof) te Pisa (afbeelding 2). Het best bewaarde fragment toont de heilige heremiet Macarius met een paar modieus geklede mannen en vrouwen te paard, die halt houden voor de geopende sarcofagen met lijken in meer of mindere staat van ontbinding. Slangen kruipen tussen de lijken, één ruiter houdt vol afschuw voor de stank een hand voor zijn gezicht. De tekst op de banderol is vergaan maar het is duidelijk dat Macarius hen wijst op de vergankelijkheid van het leven. Net als bij Bruegel is er ook in deze schildering geen directe verwijzing naar een epidemie. Het lijdt echter geen twijfel dat de tijdgenoten en latere generaties, voor wie de pest een constante bedreiging vormde, deze associatie gehad zullen hebben. [3]

Afbeelding 2: De levenden en de doden, detail van de Triomf van de Dood in het Camposanto te Pisa, midden veertiende eeuw. Foto Wikimedia Commons.
De Zwarte Dood was de tweede grote pandemie in de middeleeuwen na de Pest van Justinianus, die rond 541 in het Oost-Romeinse Rijk ontstond. Deze epidemie heeft geen sporen nagelaten in de kunst van die tijd, alleen het veel latere beeld op de Engelenburcht in Rome vormt er een zichtbare herinnering aan. Volgens de legende hield de heilige paus Gregorius de Grote op kerstdag 590 een grote processie om God te smeken een einde te maken aan de pestepidemie. Boven op de burcht verscheen toen de aartsengel Michaël, die zijn zwaard in de schede stak ten teken dat de smeekbede was verhoord en de strijd tegen de duivelse ziekte voorbij was. Het bronzen beeld van de Vlaamse beeldhouwer Pieter Antoon Verschaffelt werd in 1752 geplaatst ter vervanging van een beschadigd marmeren beeld uit 1544, dat op zijn beurt de opvolger was van een prototype uit rond 1450 dat bij een explosie verloren was gegaan. [4]
De legende van de verschijning van de engel is ook in de schilderkunst vastgelegd. Als absolute hoogtepunten van de miniatuuurschilderkunst gelden de Belles Heures du Duc de Berry en de Très Riches Heures du Duc de Berry van de hand van de uit Nijmegen afkomstige gebroeders Van Limburg. De Belles Heures (1408-1409) wijdt drie miniaturen aan de legende. Op de eerste zien we dat Gregorius vanaf een katheder het zingen van de litanie ordonneert terwijl op de voorgrond een slachtoffer van de pest is neergevallen. Op de tweede heeft de processie zich in beweging gezet; de paus richt zijn smeekbeden ten hemel met ook weer een slachtoffer op de grond. Op de derde worden de laatste pestdoden op een lijkbaar gelegd terwijl hoog in de lucht de engel zijn zwaard in de schede steekt; zijn werk is volbracht. In de Très Riches Heures (begonnen ca. 1414) wordt de processie gedetailleerd over twee bladzijden weergegeven in een laat-middeleeuwse setting met gotische architectuur. In de tekst is de litanie van alle heiligen opgenomen (afbeelding 3). De gebroeders Herman, Paul en Johan van Limburg stierven kort na elkaar in 1416 in Bourges, vermoedelijk aan de pest.

Afbeelding 3: De processie van paus Gregorius tegen de pest in Rome. Miniatuur van de gebroeders Van Limburg in de Très Riches Heures, ca. 1414, Musée Condé te Chantilly. Foto Wikimedia Commons.
De pest was tot in de negentiende eeuw de besmettelijke ziekte bij uitstek die epidemieën veroorzaakte. Voor Holland is berekend dat in de periode 1450-1668 er nagenoeg geen decennium was waarin de pest zich niet manifesteerde. [5] Om Nijmegen als voorbeeld te nemen: de grootste uitbraak was hier in de jaren 1635-1636, waarbij de helft van de bevolking het leven liet. De stad heeft op het gebied van de wetenschappelijke bestudering van de pest een voortrekkersrol gespeeld in de persoon van IJsbrand van Diemerbroeck. Als stadsgeneesheer van Nijmegen beschreef hij zo’n 120 ziektegevallen uitvoerig in zijn traktaat De Peste Libri Quatuor. [6] Diemerbroeck wordt in Nijmegen geëerd met een straatnaam en een glas-in-loodraam in de raadzaal van het stadhuis. [7] Recentelijk heeft Museum Het Valkhof een portret van hem verworven uit 1657 door Cornelis Jonson van Ceulen, met financiële steun van hoogleraren van het Radboudumc. [8] Er is in Nijmegen verder vrij weinig dat herinnert aan de pest. In de Stevenskerk bevindt zich de grafzerk van Christiaen van den Bergh en zijn vrouw Wendel Styps, waarvan gedacht wordt dat ze kort na elkaar, op 25 en 29 september van het pestjaar 1635, overleden zijn aan de pest, maar zeker is dit niet. [9] Daarnaast heeft de laatmiddeleeuwse Sint-Jacobskapel achter de Lange Hezelstraat een verleden gehad als pesthuis. [10]
Een voorstelling van een pestepidemie in de Nederlanden vindt men voor het eerst in een kroniek. In de Tractatus quartus van de vierdelige kroniek van Gilles li Muisis, abt van de Sint-Maartensabdij te Doornik, is een realistische afbeelding van het begraven van pestdoden in zijn stad tijdens de Zwarte Dood opgenomen (afbeelding 4). Kuilen worden gegraven, doodskisten worden aangedragen en in graven gelegd. Vrij uitzonderlijk voor die tijd is dat de naam van de miniaturist bekend is: Pierart dou Tielt, wiens stijl vooruitwijst naar het Vlaamse realisme, dat een halve eeuw later opkomt. In dezelfde kroniek zijn twee voorstellingen opgenomen van gebeurtenissen die vaak in het kielzog van een pestepidemie optraden. De eerste toont een processie van flagellanten: een processie van mannen die zichzelf geselen om Gods toorn af te wenden, voorafgegaan door dragers van een vaandel, kaarsen en een kruisbeeld. De tweede miniatuur toont een jodenverbranding: in sommige steden werden joden als oorzaak van de epidemie gezien en ervan beschuldigd de waterbronnen te hebben vergiftigd. Op grond van dergelijke ongegronde beschuldigingen werden in 1349 in verschillende IJsselsteden, alsook Arnhem, Nijmegen en Utrecht, alle joodse inwoners verbrand.

Afbeelding 4: Het begraven van pestdoden. Miniatuur in de kroniek van Gilles li Muisis, ca. 1353, Koninklijke Bibliotheek Brussel. Foto Wikimedia Commons.
In middeleeuwse kerken in Nederland zijn er geen schilderingen te vinden die rechtstreeks verwijzen naar een epidemie. Wel zouden bepaalde schilderingen met betrekking tot de dood en de sterfelijkheid van de mens naar aanleiding daarvan ontstaan kunnen zijn, maar omdat ze meestal niet of alleen heel globaal te dateren zijn, is dit moeilijk te bepalen. Het gaat met name om het thema van de drie levenden en de drie doden, waarvan de bovengenoemde schildering in het Camposanto te Pisa een variant toont. Het thema komt voor het eerst voor in de Oudfranse literatuur van de dertiende eeuw en verhaalt van drie jonge edelen die tijdens de jacht drie doden ontmoeten, die hen waarschuwen voor de ijdelheid van het aardse bestaan. [11] In ons land zijn er een viertal muurschilderingen met deze legende bewaard gebleven, alle in kerken die na de Refor- matie in protestantse handen zijn overgegaan en de tand des tijds in meerdere of mindere mate goed hebben doorstaan. Vermoedelijk de oudste bevindt zich in de Sint-Walburgiskerk te Zutphen en kan gedateerd worden rond 1400. Drie gekroonde figuren te paard worden opgehouden door drie evenzo gekroonde doden. Onleesbaar geworden teksten boven de voorstelling gaven ooit de gesprekken tussen de figuren weer. De schildering in de Grote Kerk van Muiden zal van niet lang na de bouwtijd (ca. 1425) dateren en is verwant aan die te Zutphen. De schilderingen in de Sint-Maartenskerk te Zaltbommel en de Hervormde Kerk te Westbroek verschillen daarvan; ze zijn uitgewerkt met meer details en op grond van de mode van de edellieden te dateren einde vijftiende of begin zestiende eeuw. [12]
Een afgeleide van dit thema is de dodendans (danse macabre), waarbij een rij van afwisselend doden en levenden de revue passeert; de levenden van alle rangen en standen, want niemand ontkomt aan de dood. Een vroeg en beroemd voorbeeld was de schildering op de muren van het kerkhof van het franciscanenklooster Aux SS. Innocents in Parijs (1424-1425), die al eeuwen geleden verloren is gegaan maar andere versies heeft beïnvloed. De Parijse dodendans omvatte zeker een dertigtal figuren, van paus en keizer tot landbouwer en baby, die ieder een dialoog voerden met de dood. [13] Het thema van de dodendans is tot op de dag van vandaag populair gebleven, maar heeft in Nederlandse kerken geen navolging gevonden die maar enigszins een verband zou kunnen hebben met de pest of een andere epidemie. [14]

Afbeelding 5: De pest in de gedaante van een vrouwenfiguur met pijlen. Muurschildering in de abdijkerk van Lavaudieu, 1355. Foto Wikimedia Commons.
Een direct symbool voor de pest waren pijlen, een oud symbool voor de straf van God, dat als zodanig voorkomt in verschillende Bijbelboeken (Deuteronomium 32:23-24 en 32:41-42; Job 6:4; Psalmen 91: 5-6). Dat de pijlen vaak zonder boog uit de hemel neerkomen, versterkt de symboliek. De abdijkerk van Lavaudieu in de Auvergne herbergt een unieke schildering met een voorstelling van een zwart gesluierde vrouwenfiguur die blijkens het opschrift ‘MORS’ de pest moet symboliseren. Met pijlenbundels in haar beide handen en met zwarte sluier die haar ogen bedekt, worden zonder onderscheid des persoons alle mannen en vrouwen rondom haar door een pijl getroffen (afbeelding 5). Het fresco stamt uit 1355, dus de periode direct na de Zwarte Dood. Pijlen zijn ook het attribuut van St. Sebastianus, een van de pestheiligen, waarover later meer. Een zichtbaar symptoom van de pest vormen de builen en zweren. Het oudtestamentische verhaal van de vrome man Job die op de proef wordt gesteld is het onderwerp van een cyclus in de Andreaskerk te Hattem. We zien hem in zijn ellende met zweren overdekt op de mestvaalt zitten, terwijl vrienden hem met muziek proberen te troosten (afbeelding 6). [15] In het betreffende Bijbelboek is alleen sprake van zweren en wordt Job individueel getroffen, niet door een epidemie als de pest. Dit gegeven heeft niet verhinderd dat hij aangeroepen werd tegen alle mogelijke, al dan niet besmettelijke huidziekten en als pestheilige vereerd werd. Een vergelijkbaar lot trof Lazarus, van wie het Lucasevangelie ook alleen vermeldt dat zijn lichaam met zweren overdekt was. Hij werd vooral in verband gebracht met melaatsheid, die in de middeleeuwen ook wel met de ziekte van Lazarus aangeduid werd.

Afbeelding 6: Job met zweren bedekt. Muurschildering in de Andreaskerk te Hattem, ca. 1500. Foto Wikimedia Commons.
Pestheiligen
Pestheiligen zijn – het woord zegt het al – beschermheiligen tegen de pest. Er zijn er meer dan 60 bekend. Hieronder worden alleen de belangrijkste behandeld vanuit Nederlands kerk- en kunsthistorisch perspectief. Internationaal gezien waren dat St. Sebastianus en St. Rochus, die ook in ons land populair waren. Van hen heeft Sebastianus in de liturgie een bevoorrechte positie doordat hij met name wordt genoemd in het Rituale Romanum onder het chapiter De processione tempore mortalitatis et pestis, waarin de gebeden staan die opgezegd werden tijdens een processie in tijden van een pestepidemie: ‘Ora pro nobis, sancte Sebastiane’ (bid voor ons, heilige Sebastianus).
Sebastianus was een Romeins soldaat die gemarteld werd door boogschutters van keizer Diocletianus. Zij schoten zoveel pijlen op hem af dat hij wel een egel leek, aldus de Legenda Aurea. [16] Hij werd vanaf de vierde eeuw als martelaar vereerd en werd de patroonheilige van militairen en boogschutters; reden waarom vele schuttersgilden naar hem vernoemd zijn. Sinds de Zwarte Dood kreeg zijn verering een extra stimulans vanwege zijn vaste attribuut, de pijlen, die zoals gezegd geassocieerd werden met de pest. Hij is gemakkelijk herkenbaar als een halfnaakte jongeling die tegen een boom is vastgebonden met pijlen in zijn lichaam (afbeelding 7). In de late middeleeuwen zijn er in ons land vrij veel kerken aan hem toegewijd en komt hij relatief vaak voor in schilderingen en beelden. Een zichtbare verwijzing naar de pest is er echter zelden. Een beeld van hem in de Remigiuskerk te Slenaken is op het voetstuk voorzien van een Latijnse tekst met chronogram: SanCtUs SebastIanUs CeLeber patronUs aDVersUs pesteM, in vertaling ‘Heilige Sebastianus beroemde patroon tegen de pest’, waarbij de hoofdletters in Romeinse cijfers het jaartal 1776 vormen. In 1776 waren pestepidemieën al een tijd op hun retour, maar de vrees zat er kennelijk nog diep in. Vaak waren het Sebastiaansgilden of schutterijen, die een altaar met bijbehorend beeld of schilderingen van hun patroonheilige stichtten. Het is bekend dat, met name in de Nederlanden en in Duitsland, diverse aan Sebastianus gewijde schuttersgilden tijdens perioden met pestplagen zijn opgericht. In de heerlijkheid Tilburg en Goirle bijvoorbeeld hadden de dekens van het Sint- Sebastiaansgilde tot taak de lijken van degenen die overleden aan de pest en andere besmettelijke ziekten te begraven. [17]

Afbeelding 7: De marteling van Sebastianus. Gewelfschildering in de Grote Kerk van Naarden, 1518. Foto Wikimedia Commons.
Een pestheilige bij uitstek was Rochus van Montpellier. Hij ondernam een pelgrimstocht naar Rome en verpleegde onderweg pestlijders en andere zieken. Op de terugreis werd hij in Piacenza zelf door de pest besmet. Hij trok zich terug in een bos en werd daar volgens de legende door een engel verzorgd. Een hond bracht hem net zo lang brood tot hij genezen was, waarna hij terugkeerde naar de stad en daar bleef helpen totdat de pest overwonnen was. Zijn Vita dateert dit alles vóór de Zwarte Dood en geeft 1327 op als sterfdatum. In feite is hij geboren rond 1350 en gestorven rond 1378. [18] Zijn grote bekommernis om pestlijders staat buiten kijf. Zijn verering als beschermheilige kwam al voor 1400 op gang en vanaf de vijftiende eeuw is hij een van de meest afgebeelde heiligen, te herkennen aan zijn pelgrimskleding met Jacobsschelp, pelgrimsstaf, de hond met brood in de bek en de engel die de builen aan zijn been verzorgt (afbeelding 8).
Er zijn in ons land weinig parochiekerken met Rochus als patrocinium, [19] wel waren en zijn er nog steeds veldkapellen aan deze heilige gewijd (Maastricht, Thorn, Deursen, Boxmeer, Well, Stevensweert) en ook midden in de stad (Amersfoort). Ook waren er elf bedevaartsoorden ter ere van Rochus, die tevens als patroonheilige van de pelgrims werd vereerd. De meeste daarvan zijn pas aantoonbaar opgekomen in de achttiende of negentiende eeuw en bevinden zich in Limburg en Noord-Brabant. Vaak was hun ontstaan dan ook te danken aan andere besmettelijke ziekten dan de pest, zoals dysenterie, difterie en cholera maar ook de veepest. In Stevensweert nam het aantal bedevaartgangers kort na de Eerste Wereldoorlog zodanig toe dat de Sint-Rochuskapel vergroot moest worden, wat ongetwijfeld te maken zal hebben gehad met de Spaanse griep. Al deze pelgrimsoorden beschikten over een reliek van de heilige en in sommige gevallen (Steyl, Heugem, Orthen) was de verwerving ervan de aanleiding van het ontstaan of de wederopleving van de devotie. [20]

Afbeelding 8: Beeld van Rochus in de Antonius Abtkerk te Mook, toegeschreven aan Walter Pompe (1703-1777). Het beeld stond oorspronkelijk in de Sint-Rochuskapel aldaar die in 1930 werd afgebroken. Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Als derde maar niet de minste pestheilige dient Antonius Abt te worden genoemd. In zijn bachelorscriptie heeft David Oldenhof onlangs aangetoond dat deze heilige in ons land, anders dan in andere landen, de oudste rechten op dit predicaat kan doen gelden. [21] Antonius Abt, ook wel van Egypte, de Heremiet of de Grote genaamd, staat bekend als de vader van het monnikenleven. Hij stierf in 356 op een leeftijd van meer dan 100 jaar, reden waarom hij steevast hoogbejaard met lange, gespleten baard wordt afgebeeld. Vaak is hij gekleed in het habijt van de antonieter orde, die naar hem vernoemd is en zich toelegde op de verpleging van zieken.
Het is niet geheel duidelijk hoe Antonius aan zijn meest bekende attribuut, het varken met bel, is gekomen. Varkens mochten niet vrijelijk door de stad scharrelen, alleen de antonieten mochten dit laten doen. Later is Antonius de beschermheilige van de veepest geworden. Zijn populariteit is grotendeels hier- aan te danken. In Nederlandse kerken, vooral op het platteland, zijn meer beelden van hem te vinden dan van Sebastianus of Rochus. Van de laatmiddeleeuwse beelden die zijn opgenomen in het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen van de Erfgoedwet, zijn er relatief veel van Antonius Abt. [22] Als oudste bedevaartsoord van deze pestheilige in ons land kan gelden Zwolle, waar in 1398 een altaar ter ere van Antonius Abt werd gesticht in de Onze-Lieve- Vrouwekerk. Dit altaar, dat na de Reformatie zal zijn ontmanteld, was ongetwijfeld voorzien van een beeld of schildering van de heilige. [23] Onder de vele aan hem gewijde kerken en kapellen zijn er 26 die in een ver of in het recente verleden een bedevaartsoord waren. De website van de Antonius Abtkerk te Chaam meldt dat het aantal bezoekers, ook van buiten de parochie, de laatste jaren een stijgende tendens vertoont, met name onder het agrarische bevolkingsdeel. [24] Een verband met recente uitbraken van epidemische veeziekten als de varkenspest ligt voor de hand. De kerk beschikt over een Antoniusaltaar met een laatmiddeleeuws beeld van de heilige, nog eens twee beelden van latere datum en een zilveren reliekhouder. Tijdens de Antoniusviering, die gehouden wordt op de feestdag van de heilige (17 januari), draagt de priester een speciaal kazuifel met een afbeelding van Antonius en kunnen de bezoekers de zilveren reliekhouder kussen of aanraken (afbeelding 9). [25]

Afbeelding 9: Het Antonius Abt-altaar in de Antonius Abtkerk te Riel, ca. 1897. Centraal een beeld van de heilige met varken en vuur (Antoniusvuur), links Antonius met monniken (Antonieters) als beschermer van vee, rechts geneest hij zieken waaronder een krankzinnige. Foto www.kerkfotografie.nl
Reformatie en Contrareformatie
De Reformatie betekende voor de Noordelijke Nederlanden dat de katholieken ondergronds gingen. De protestanten namen de kerken over die zij stripten van beelden en schilderingen. Er was geen plaats voor devoties. Slechts incidenteel herinnert er in het interieur iets aan een besmettelijke ziekte. In de Grote Kerk van Muiden hangt een memoriebord dat ook wel het Pestbord wordt genoemd. Het bord herdenkt de zeven maanden durende pestepidemie uit 1602, waarbij 650 mensen op een totaal van 950 inwoners door de pest om het leven kwamen. De ramp werd gezien als een straf van God en de tekst op het bord roept op tot bekering, waarbij Sodom en Gomorra als voorbeeld worden gesteld (afbeelding 10). [26]

Afbeelding 10: De tekst op het Pestbord in de Grote Kerk van Muiden, 1602. Foto Koos Damman.
In de schilderkunst van de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden, die een ongekende bloei doormaakte, kan men subtiele verwijzingen naar de pest aantreffen. Het thema van St. Sebastianus die door boogschutters met pijlen wordt doorboord transformeerde in dat van Sebastianus die door Irene wordt verzorgd. Een dergelijke voorstelling was ook voor protestanten acceptabel. Dit nieuwe thema komt opvallend vaak voor op schilderijen van de Utrechtse Caravaggisten uit de eerste decennia van de zeventiende eeuw. Juist in die tijd werd Utrecht zwaar getroffen door de pest, met golven in de periode 1613-1617 en, aansluitend op een dysenterie-epidemie die zo’n duizend mensenlevens kostte, opnieuw tussen 1624-1629. [27] De oorspronkelijke bestemming van al deze schilderijen is onbekend. Men kan denken aan een van de clandestiene, provisorisch ingerichte katholieke huiskerken of private huiskapellen in kastelen van de adel, die er in de eerste decennia na de Reformatie moeten zijn geweest. Denkbaar is ook dat de opdrachtgevers gezocht moeten worden in het milieu van de cellebroeders die zich, ook na de Reformatie, speciaal toelegden op de verzorging van pestlijders en huizen hadden in de directe omgeving van Leeuwenbergh, dat toen als het pestgasthuis van Utrecht fungeerde. [28] Pas veel later, tegen het einde van de eeuw, kan men in de regentenkamer van dergelijke hospitalen meer voor protestantse ogen geëigende iconografie tegenkomen. Een schilderij boven de schouw van het pestgasthuis in Leiden vertoont een allegorische voorstelling van de Caritas in de gedaante van een door pest getroffen vrouwenfiguur met huilend kind te midden van pestlijders en verzorgenden in een hospitaal. In de voorgevel is een gebeeldhouwd reliëf aangebracht van een waanzinnige moederfiguur, die haar kind weggenomen ziet worden door de pest in de gedaante van een Furie. [29]
Sedert het midden van de zeventiende eeuw kregen de katholieken in de Republiek meer vrijheid en werden schuilkerken oogluikend, vaak tegen betaling van recognitiegeld, toegestaan. Uit de aard der zaak waren schuilkerken in de regel niet groot en was er weinig ruimte voor schilderingen en beeldhouwwerk. Het katholieke kerkelijke schilderij bij uitstek in de periode van de twee eeuwen na de Contrareformatie was het altaarstuk, dat zich kenmerkt door een groot, hoog en vaak getoogd formaat en een vast onderdeel van de altaaropstand vormde. Wat de pest-thematiek betreft: dezelfde pestheiligen als in de middeleeuwen werden afgebeeld, maar met andere accenten en vormgegeven met het typische drama van de barok. Zo schilderde Rubens, de meest barokke schilder van de Nederlanden, Rochus die door Christus tot patroon van de pestlijders benoemd wordt – de begeleidende engel houdt een tekstbordje op met ‘Eris in Peste Patronus’. De compositie is vol beweging; de heilige wordt als het ware in de hemel opgenomen, nagekeken door omhoog reikende pestlijders. Rubens vervaardigde dit altaarstuk in 1626 voor de Sint-Martinuskerk in het Vlaamse Aalst. Het werd zoals veel van zijn werk in prent uitgebracht en op die manier meermalen gekopieerd. Zo herbergt de oude Sint-Salviuskerk te Limbricht een kopie in spiegelbeeld, een bewijs dat een prent tot voorbeeld heeft gediend.
In de zeventiende eeuw kwamen er naast de oude middeleeuwse ook nieuwe pestheiligen bij. De bekendste is Carolus Borromeus (Carlo Borromeo), een van de grote mannen van het Concilie van Trente, die in 1610 werd heiligverklaard. Als bisschop van Milaan onderscheidde hij zich door zijn kordate optreden tijdens de pestepidemie van 1576-1577, waardoor deze de geschiedenis is ingegaan als Peste di San Carlo. Hij had de inwoners van Milaan financieel, materieel en uiteraard ook geestelijk bijgestaan. Tijdens de quarantaine liet hij op de grote kruispunten van de stad altaren optrekken waar de mis werd gelezen, die de inwoners vanuit hun vensters konden volgden. [30] Dit laatste is in geïdealiseerde vorm in de kerkelijke schilderkunst terecht gekomen als het thema Carolus Borromeus reikt de communie uit aan de pestlijders van Milaan. Het werd een van de meest uitgebeelde scènes uit zijn leven. Het is een typisch contrareformatorisch thema met zijn nadruk op het belang van de communie: het ontvangen van de hostie als geestelijk voedsel voor de ziel. In het geval van pestlijders betekende het ontvangen van de communie vaak dat het de laatste keer was en werd het beschouwd als het ultieme ‘geneesmiddel’. Daarom is het correcter om te spreken van Carolus Borromeus reikt de laatste communie uit aan de pestlijders van Milaan.
In de Sint-Bavokathedraal te Haarlem komen we het thema tegen in een kopie naar een altaarstuk van de Franse schilder Pierre Mignard, dat hij rond 1647 schilderde voor de aan Borromeus gewijde kerk van San Carlo ai Catinari in Rome. Een pestlijder te bed strekt zijn armen reikhalzend uit naar de communie die de heilige ronddeelt, daarboven zwaait een engeltje met een wierookvat om de pestwolken te verdrijven, terwijl op de achtergrond een gestorvene de stad uit wordt gedragen. De kopie in Haarlem gaat ook weer terug op een prent, die hier afgebeeld wordt bij gebrek aan een goede foto van de kopie (afbeelding 11). Het schilderij, dat moeilijk te dateren is en best een eeuw of langer na het origineel vervaardigd kan zijn, bevindt zich pas sedert 1976 in de Haarlemse kathedraal en zal oorspronkelijk afkomstig zijn uit een van de Amsterdamse schuilkerken die bediend werden door de augustijnen. [31]

Afbeelding 11: Carolus Borromeus reikt de communie uit aan de pestlijders van Milaan. Gravure naar het schilderij van Pierre Mignard uit ca. 1647. Foto Wellcome Library Londen.
In een ander aan de pest gerelateerde voorstelling van Borromeus treedt hij op als voorspreker voor de smeekbeden van pestlijders bij Maria en Christus. Het bekendste voorbeeld in deze contreien is het altaarstuk dat de Antwerpse schilder Jacob Jordaens in 1655 voor de Sint Jacobskerk aldaar schilderde. In een hiërarchische volgorde zijn van boven naar beneden Christus, Maria, Borromeus en zieltogende slachtoffers voorgesteld met terzijde een engel die zijn vlammend zwaard als teken van verzoening tussen God en de mensen terugtrekt. [32] Uitgesproken contrareformatorisch is de prominente rol die Maria wordt toebedeeld, die nog extra benadrukt wordt wanneer Maria de hoofdpersoon is. Zij is dat, met het Kind op schoot, op een anoniem achttiende-eeuws schilderij in de Petrus en Pauluskerk te Schaesberg, waar Borromeus haar mededogen vraagt voor een door de pest getroffen gezin.
Een van de kleinere geneesheiligen is Rosa van Lima. Zij stierf in 1617 op 31-jarige leeftijd aan tbc en geldt daarom als patroonheilige van de tuberculoselijders. Zij was lid van de derde orde van de dominicanen en werd vooral vereerd in kerken en kloosters van dominicanen en dominicanessen. Bijzonder grote populariteit geniet zij in Sittard, waar nog steeds ieder jaar een processie ter ere van haar wordt gehouden en tegenwoordig ook een Sint Rosa festival wordt georganiseerd. Toen de dominicanen van Sittard op 9 september 1668 hun nieuwe Sint-Michielskerk in gebruik namen, werd op dezelfde dag de zaligverklaring van Rosa gevierd. Een paar weken later brak in de stad een ernstige dysenterie-epidemie uit, die vele slachtoffers maakte. Ten einde raad riep de magistraat de burgers samen in de kerk, waar de zalige Rosa van Lima tot beschermster tegen besmettelijke ziekten en patrones van Sittard werd uitgeroepen, met de belofte om een kapel voor haar te bouwen op het hoogste punt van de stad, de Kollenberg. Ook bij latere epidemieën werd steevast de hulp van de stadspatrones ingeroepen, ook nu weer met covid-19. [33] Boven het ingangsportaal van de Sint-Rosakapel stond voorheen met grote letters ‘Bewaar ons van besmettelyke ziekten’, waar thans te lezen valt ‘Bescherm onze stad’. Een schilderij op zijde uit 1828 in de Sint-Michielskerk toont haar beeltenis met het opschrift ‘DesCenDe DILeCta et VeXantIs febrIs sana VULnera’ (Daal neer beminde en genees de door koorts geschokte zieken). Het is gereproduceerd op de vlag van de in 1988 opgerichte Sjtadssjötterie Zitterd. [34]
Behalve heiligenvoorstellingen wordt er in kerken en kloosters nog ander erfgoed bewaard dat op een of andere manier aan een epidemie herinnert. Veelal gaat het om stukken in een klooster, die niet ter verering in de kloosterkerk zijn opgehangen, maar in ruimtes als de kloostergangen en de kapittelzaal. Veel kloosters beschikken over een ‘portrettengalerij’ van de abten die er aan het hoofd van hebben gestaan alsmede van andere illustere bewoners en eerbiedwaardige ordegenoten, waarbij de ordestichter uiteraard niet mocht ontbreken. In de norbertinessenpriorij Sint-Catharinadal te Oosterhout wordt een reeks portretten bewaard van de proosten [35] vanaf de zeventiende eeuw, met onder op de lijst hun naam en belangrijkste data geschreven. Het portret van proost Leonardus Lemmens vermeldt het onderschrift ‘praepos. 1625 30 7bris peste obiit 1625 9 9brs’ (aangesteld 30 september 1625, overleden aan de pest op 9 november 1625), dat van zijn beoogde voorganger Petrus van Dun ‘Antequa[m] esset institutus, Peste corripitur’ (nog voor hij geïnstalleerd was, werd hij door de pest getroffen).
In het trappenhuis van het minderbroedersklooster te Megen hangt een nogal onbeholpen geschilderd portret met een lang Latijns onderschrift, dat begint met de woorden ‘Effigies R.P. THEODORICI COEL’ (beeltenis van de eerbiedwaardige pater Theodoricus Coel) (afbeelding 12). Het blijkt bij nader onderzoek te gaan om de minderbroeder Dietrich Coelde (Dirk Kolde) van Münster, de schrijver van de Christenspiegel, een soort catechismus en een van de meest gelezen boeken van de late middeleeuwen. Hij onderscheidde zich tijdens de pestepidemie van 1488-1489 in Brussel, waar hij volgens het onderschrift bij 32.000 slachtoffers de biecht afnam en andere sacramenten toedien- de. God had hem daarbij geopenbaard dat er maar twee van hen veroordeeld (verdoemd) waren. Op het schilderij is hij gekleed in habijt met bedieningsstola om zijn hals en draagt hij in de linkerhand een bel, in de rechter een kelk voor het viaticum [36], met aan zijn arm een lantaarn. Op de achtergrond zijn een kerk en huizen zichtbaar: een schematische weergave van het Brusselse stadsgezicht op de prent die tot voorbeeld van het schilderij heeft gediend. [37] Zowel op de prent als op de kopie eindigt de tekst met de mededeling dat Coelde tijdens en na zijn leven wonderen heeft verricht. Eén wonder is noodzakelijk voor een zaligverklaring, twee of meer voor een heiligverklaring. Het zou goed kunnen zijn dat de opdracht voor het maken van de prent en de kopie met het oog hierop gegeven is. Een nieuwe heilige verhoogde de status van een orde en de kwestie van de zaligverklaring van Coelde was rond 1650 actueel. [38] Uit die tijd dateert ook de prent, die de signatuur draagt van Jacob Neefs, werkzaam in deze periode.

Afbeelding 12: Portret van pater Dirk Kolde, redder in de nood tijdens de pest in Brussel. Schilderij in het minderbroedersklooster te Megen, ca. 1650-1700. Foto auteur.
Een afsplitsing van de minderbroeders oftewel franciscanen vormen de kapucijnen. De inzet van de eerste drie broeders bij een uitbraak van de pest in 1527 in het hertogdom Camerino bracht de hertogin er toe voorspraak te doen bij haar oom, paus Clemens VII, waardoor de regel voor een nieuwe orde werd goedgekeurd. [39] Het dragen van een capuchon, functioneel bij de verzorging van pestlijders, werd hun herkenningsteken en gaf hen de bijnaam die later de officiële naam van de orde werd. Het verzorgen van pestzieken droeg bij aan hun populariteit. Toen in 1623 in Maastricht de pest uitbrak maakten de kapucijnen zich bijzonder verdienstelijk; de een na de ander bezweek aan de ziekte zodat uiteindelijk bijna de gehele communiteit uitgestorven was en het klooster opnieuw bevolkt moest worden met monniken uit andere kloosters. Aan het einde van de kloostertuin werd een gebouw opgericht waar eventuele toekomstige besmette paters zich konden afzonderen (le Jardin des pestiférés). Bij een nieuwe uitbraak in 1633 vielen er opnieuw slachtoffers; er is sprake van in totaal 25 kapucijnen die het leven lieten. [40] Een memorieschilderij van ongeveer een eeuw later heeft hun opofferingsgezindheid vereeuwigd (afbeelding 13). Links zien we zielzorgende paters te midden van de bevolking, rechts een groep die opkijkt naar de verschijning van Maria, die hen op hun taak wijst: het navolgen van de kruisdragende Christus. Het onderschrift luidt: ‘Als Maestricht door de Pest seer jammer wirdt geschonden,/ Soo syn dees Mannen strackx in liefde g’heel verslonden. / En hebben met het Cruys, met Leven en haer Bloedt / De Stadt soo bijgestaen. Siet wat de liefde doet.’ Het schilderij is afkomstig uit het in 1796 opgeheven kapucijnenklooster, waar in de gangen nog meer van dergelijke verzen in lijsten waren opgehangen; hierin werden zeven van de overleden paters afzonderlijk herdacht.

Afbeelding 13: De opofferingsgezindheid van de kapucijnen tijdens de pest in Maastricht. Schilderij in de dagkapel van de Sint-Servaaskerk Maastricht, ca. 1720. Foto Wikimedia Commons.
De cholera
De rol van de pest, die trouwens een verzamelnaam was geworden voor allerlei epidemische infectieziekten zoals difterie, tyfus, pokken en dysenterie, was in Nederland in de negentiende eeuw zo goed als uitgespeeld. Wat epidemieën betreft kan deze eeuw gekarakteriseerd worden als de eeuw van de cholera. Vanaf 1817 hebben er een vijftal pandemieën geheerst, die in ons land een hoogtepunt bereikten in de jaren 1832, 1848-1849 en 1866-1867. De laatste grote epidemie in West-Europa, die van 1892, ging aan Nederland goeddeels voorbij, maar de angst voor cholera bleef nog lang daarna hangen. Sedert het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd er bij een epidemie of een dreigende uitbraak vanaf de kansel van elke parochiekerk een herderlijke brief van de bisschop voorgelezen. De bisschop van Haarlem liet op 19 juni 1866 in zijn brief aan de katholieken in zijn bisdom een aantal maatregelen opnemen. ‘Ter voorkoming als tot wering der cholera-ziekte’ moest er eenmaal in de week een plechtige heilige Mis gezongen worden met uitstelling van het Allerheiligste [41] in de monstrans, en tenminste eenmaal, als de omstandigheden het toelaten driemaal, een avondlof met uitstelling in de ongedekte ciborie. Ook werd het toegestaan om op zondag een processie met het Allerheiligste te houden. Voorts werd, indien de gezondheidstoestand gevaar liep, dispensatie verleend voor de vasten- en onthoudingswet. Deze laatste bepaling werd herhaald in de herderlijke brieven, die de aartsbisschop en de bisschoppen van ’s-Hertogenbosch, Breda en Roermond in januari 1892 uitvaardigden. [42]
Het erfgoed in kerken en kloosters aangaande de cholera betreft merendeels de epidemieën van 1848-1849 en 1866-1867. Aan de franciscanessen Alles voor Allen te Breda werd door de stad een bedrag van 300 gulden aangeboden om daarmee een blijvend aandenken aan te schaffen. Zij besloten daarvoor een kelk te laten vervaardigen met het opschrift ‘Het dankbare Breda, aan het hulpvaardige R.C. Gasthuis, in de Cholera-ramp, 1849’ en met een voorstelling van zusters die zieken verplegen. [43] Naar aanleiding van de epidemie van 1866 ontving dezelfde congregatie van koning Willem III een bronzen penning met het opschrift ‘Voor goede zorg en hulp by het heerschen der Cholera Asiatica in 1866 / door Z.M. den Koning toegekend aan de Zusters van Liefde te Breda’. Een zilveren monstrans in barokke stijl in de Jacobuskerk te Schipluiden werd door de parochianen aan de kerk geschonken uit dankbaarheid dat Schipluiden in die jaren gespaard is gebleven van de cholera, op drie sterfgevallen na. [44]
In verschillende Mariaoorden in ons land is het Mariabeeld omgeven met vitrines met ex voto’s: kleine, vaak zilveren souvenirs ter herinnering aan een genezing of gunst. In de Bossche Sint-Janskathedraal is er een in de vorm van een hart dat voorzien is van een Mariamonogram en de inscriptie ‘Geschenk aan O.L.V. van den Bosch ten tijde der Cholera 1866’. Het miraculeuze beeld van Onze Lieve Vrouw ter Linde in de Kruisherenkapel te Uden kreeg een zilveren hart ten geschenke met de gegraveerde tekst ‘Hulde aan de H. Maagd Maria te Uden vanwege de Broederschapsmeesters te Rotterdam & Schoonhoven ter afwering der cholera 1866’. Een exemplaar van rond 1900 in de Bossche Sint Cathrien spreekt de wens uit ‘Offer voor de bekeering der zondaaren en tot wering voor de cholera’.
Het meest indrukwekkende ‘souvenir’ in een Nederlandse kerk aan de cholera, en aan een epidemie in het algemeen, is te vinden in de Antonius Abtkerk in Scheveningen. Het monumentale gedenkmozaïek van twaalf meter breed en ruim zeventien meter hoog is de blikvanger als men de kerk binnenkomt. Scheveningen geniet de twijfelachtige eer de plaats te zijn waar de cholera in 1832 in Nederland voor het eerst, letterlijk, aan land kwam, via botersmokkelaars die vanuit Engeland waren teruggekeerd. [45] De uitbraak in 1848-1849 eiste opnieuw veel slachtoffers in het vissersdorp. De toenmalige pastoor riep zijn parochianen op tot extra gebedsdiensten in de vorm van een noveen [46], met uitstelling van het Allerheiligste. Nadien bleven nieuwe sterfgevallen uit, wat gezien werd als een wonderbare gebedsverhoring. Toen er 1926-1927 een nieuwe kerk gebouwd werd, bedacht pastoor H.J. van de Ven dat niets mensen dichter bij God zou kunnen brengen dan een gebeurtenis uit het recente verleden die de band tussen God en de mensen sterk had doen voelen. De kunstenaar Antoon Molkenboer kreeg de opdracht om dit wonder te vereeuwigen in een groot mozaïek dat vrijwel de gehele apsiswand vulde. Het werd een prestigieus project, dat tot in Rome de belangstelling van de paus en talrijke prelaten trok met een speciaal georganiseerde tentoonstelling van de ontwerptekeningen en schetsen. In een decoratieve Jugendstil-setting met veel goud en schittering zien we centraal Christus in zijn hemelse glorie. In de onderste regionen zijn de nog lijdende zieken op symbolische wijze tussen doornen weergegeven; iets hoger kijken de bijna of reeds gestorven choleralijders reikhalzend uit naar Christus. Een van hen wordt door twee engelen ten hemel gevoerd; hij verrijst als het ware uit het Allerheiligste dat in een stralende kelk het middelpunt vormt van de compositie. Links en rechts kijken Scheveningers in klederdracht, waarvoor Molkenboer bewoners van het dorp als modellen had uitgekozen, vol eerbied toe. De toepasselijke tekst in het Latijn onderaan de voorstelling is ontleend aan psalm 105 vers 5-7 en luidt vertaald: ‘Gedenkt het wonderbare dat hij heeft verricht - de Heer is onze God’ (afbeelding 14). [47]

Afbeelding 14: Het cholerawonder te Scheveningen. Mozaïek van Antoon Molkenboer in de Antonius Abtkerk te Scheveningen, 1925-1927. Foto Wikimedia Commons.
Lepra
Lepra of melaatsheid wordt al in de Bijbel genoemd en was in Nederland tot ongeveer 1700 endemisch. Vooral in de dertiende en veertiende eeuw werden hier leprozerieën gesticht. Ons land heeft er zo’n vijftig gekend die in de loop van de zeventiende eeuw in onbruik raakten. Met name de Bijbelse Lazarus en Job genoten verering vanwege deze ziekte. Met de opkomst van de missie in de negentiende eeuw kreeg het begrip lepra een nieuwe dimensie. Congregaties werden speciaal met het oog op de missie opgericht, en paters, broeders en zusters kregen in tropische oorden te maken met leprakolonies, die verpleging en geestelijke verzorging behoefden. Twee missionarissen die hierin een belangrijke rol hebben gespeeld, Peerke Donders en pater Damiaan, hebben het nog niet zo lang geleden tot zalig- respectievelijk heiligverklaring gebracht. Zij zijn thans beiden zeer populair onder de Nederlandse katholieken, getuige bijvoorbeeld de nieuwe fusie-parochies die naar hen vernoemd zijn. Men moet hierbij bedenken dat zij hier niet ter bescherming tegen de lepra worden aangeroepen, die in ons land nauwelijks meer voorkomt, maar om verschillende andere redenen verering genieten die samen te vatten zijn onder de noemer opofferingsgezindheid.
De Tilburger Petrus (‘Peerke’) Donders, aangespoord door het wervende verhaal van een missionaris uit Suriname die op bezoek was op het seminarie, meldde zich als enige aan en vertrok na zijn priesterwijding in 1841 naar Paramaribo. In 1856 werd hij overgeplaatst naar de missiepost Batavia, een leprakolonie gevestigd op een voormalige plantage. Hij heeft daar met onderbrekingen gewerkt en is daar in 1887 overleden, niet aan lepra, maar aan een nierontsteking. Zijn verering werd gepropageerd door de orde der redemptoristen waartoe hij behoorde. Daartoe werden geschilderde portretten verspreid, die alle teruggaan op een en dezelfde foto van hem uit zijn laatste levensjaren. Deze foto is ook gebruikt voor het schilderij dat in 1913 vervaardigd werd toen hij tot Eerbiedwaardige Dienaar Gods werd verklaard, de eerste stap op weg naar een eventuele zalig- en heiligverklaring (afbeelding 15). Het is geschilderd door de Romeinse schilder Giovanni Gagliardi, die gespecialiseerd was in dit soort opdrachten. Conform de foto kijkt Peerke de toeschouwer frontaal aan, terwijl hij geknield de voet van een melaatse verbindt. Achter hem zijn drie bewoners van de kolonie in aanbidding neergeknield voor een altaar met de beeltenis van Maria, Moeder van Smarten. Het Latijnse onderschrift luidt in vertaling: De Eerbiedwaardige Petrus Donders van de Orde van de Allerheiligste Verlosser (de redemptoristen) dienstbaarheid betonend aan de Surinaamse leprozen. Ter gelegenheid van zijn zaligverklaring in 1982 werd er opnieuw een schilderij in opdracht gegeven, wederom aan een Italiaan, A. del Vecchia. Het is een nogal pathetische voorstelling van de zalige, die met hemelwaarts gerichte blik zijn hand laat rusten op een omzwachtelde melaatse. Omstanders van verschillende rassen, waaronder een indiaan met verentooi, kijken vol eerbied naar hem op. Het is een doek van zeer groot formaat, omdat het tijdens de zaligverklaring in Rome tegen de Sint Pieter moest worden gehangen. Dit ‘gelegenheidsstuk’ is later in opgerolde toestand naar Tilburg overgebracht en heeft daar een plaats gekregen in de kerk van ’t Goirke, Peerke’s oude parochie, waar ook de doopvont staat waarin hij is gedoopt. [48]

Afbeelding 15: Peerke Donders verzorgt de lepralijders in Suriname. Schilderij uit 1913 in de refter van het redemptoristenklooster te Wittem. Foto Sander van Daal.
Peerke Donders komt de laatste tijd vooral in het nieuws vanwege het in 1926 geplaatste standbeeld aan het Tilburgse Wilhelminapark. Het Brabants Dagblad kopte op 9 januari 2018: ‘Donder op! Standbeeld van Peerke Donders kan niet meer!’ Het beeld werd omschreven als ‘een fier rechtopstaande witte man die hooghartig neerkijkt op een knielende zwarte man’. [49] Het standbeeld is vooral omstreden omdat het zich in de openbare ruimte bevindt. Een vergelijkbaar beeld in een kerkruimte, zoals dat in de Sint-Lambertuskerk in Gemonde met een jongen met kroeshaar die eerbiedig geknield naar hem opkijkt, zal niet zo gauw commotie veroorzaken.
Peerke Donders deelt de eretitel ‘Apostel der melaatsen’ met pater Damiaan. In Nederland en Suriname wint Peerke het in populariteit; mondiaal gezien is het echter Damiaan die met die eer gaat strijken. Hij heeft inmiddels de status van heilige bereikt, terwijl het bij Peerke wachten is op een tweede wonder. De in België geboren Damiaan (Jozef De Veuster) was ingetreden bij de congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria en werkte van 1873 tot aan zijn dood in 1889 als missionaris in een melaatsenkolonie op Molokai, een van de Hawaii-eilanden. Hij was een goed organisator en van alle markten thuis. Hij begon met de bouw van een kerk en de aanleg van wegen, en hij vervulde naast zijn priesterlijke taken ook de rol van dokter, timmerman, ziekenverzorger, begrafenisondernemer en maakte zelfs doodskisten en groef graven. Hij had internationale contacten, ook met protestanten in Engeland, waardoor een eerste vorm van ontwikkelingshulp op poten werd gezet. Zo raakte hij al gauw over de gehele wereld bekend. In november 1884 werd bij hemzelf lepra vastgesteld. Reeds vijf jaar na zijn dood werd in Leuven een standbeeld van hem onthuld, dat in opdracht was gegeven aan Constantin Meunier, de bekendste Belgische beeld- houwer van die tijd. Als enige niet-Amerikaan heeft Father Damien een standbeeld in het Capitool te Washington, als vertegenwoordiger van Hawaii, de vijftigste staat van de Verenigde Staten. Hij werd in 2005 verkozen tot de Grootste Belg aller tijden. Hij geldt nu ook als patroon van de aidspatiënten en wereldwijd zijn er voor hen verschillende Damien Centers opgericht.
Tot zijn heiligverklaring in 2009 bleef de verering van Damiaan in Nederland voornamelijk beperkt tot de invloedssfeer van de congregatie van de paters van de Heilige Harten. Zijn beeltenis vindt men nog steeds vrij weinig in Nederlandse kerken. Het meest opmerkelijke beeld van hem hier te lande werd in 1993 onthuld ter gelegenheid van zijn aanstaande zaligverklaring. Het is een massief houten sculptuur in de tuin van het klooster-bejaardenoord van de congregatie in Bavel, gehakt uit een meer dan 100 jaar oude eik die enkele jaren daarvoor in het park achter het klooster door de bliksem was getroffen. Aan de voet van het beeld is de tekst te lezen: ‘Pater Damiaan de Veuster 1840-1889 deelde zijn leven met de melaatsen en stierf als een van hen’. [50] Het is een typisch werk van de priester-beeldhouwer Omer Gielliet, die gebruik maakte van en zich liet inspireren door de vorm van omgevallen bomen en wrakhout.
Corona
Damiaan is een van de geneesheiligen die sinds de uitbraak van het coronavirus opnieuw in de belangstelling is komen te staan. Om er een paar andere te noemen: Rochus, Sebastianus, Rosa van Lima, Peerke Donders, en ook Moeder Teresa, vanwege haar zorg voor lepralijders in Calcutta. Twee standbeelden van Damiaan in de openbare ruimte kregen een mondkapje op en een Hawaïaanse ontwerpster ontwierp zelfs mondkapjes met de beeltenis van de heilige. [51] Niet verbazingwekkend is de plotselinge opkomst van de Heilige Corona, die vóór 2020 in ons land zo goed als onbekend was. Het gaat in dit geval tegelijkertijd om een voorbeeld van ‘invented tradition’ en ‘dynamisch erfgoed’. Sint-Corona was een door legenden omgeven martelares uit vroegchristelijke tijd en haar verering was tot voor kort een lokale aangelegenheid die voornamelijk beperkt bleef tot dorpen in het oosten van Beieren, Oostenrijk en Noord-Italië. In onze streken was zij alleen bekend in Aken, nadat keizer Otto III in 996 relieken van haar en van de Heilige Leopardus aan de Dom had geschonken. Deze relie- ken worden bewaard in een zilveren schrijn, dat na een snelle restauratie sinds mei geëxposeerd wordt in de Domschatzkammer en een trekpleister voor bedevaartgangers is geworden.
In ons land werd haar nieuwe status als beschermheilige tegen het virus geïntroduceerd door pastoor Ringhofer in zijn Utrechtse Gerardus Majellakerk. Niet toevallig is hij een geboren Oostenrijker, afkomstig uit een dorp in de omgeving van Sankt Corona am Wechsel, waar zij vanouds werd vereerd, onder meer als beschermster tegen veeziekten. Ringhofer zegende op 17 maart een afbeelding van Corona in zijn kerk, een reproductie van een veertiende-eeuws Italiaans paneel dat zich in het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen bevindt. [52] Dezelfde voorstelling is nu ook leverbaar op noveenkaarsen en devotielichten met bijpassend gebed. Er wordt ook nieuw werk gemaakt, veelal iconen. Zo beeldde de iconenschilder Geert Hüsstege haar af met haar gebruikelijke attribuut, de kroon, en een nieuw in de vorm van een kruis met doornenkroon; de vorm van haar aureool verwijst naar het symbool van het coronavirus. De kunstenaar Ignace Schretlen, die altijd al gefascineerd was door passie en lijden, bedacht een piëta met Christus op anderhalve meter boven Maria zwevend, vrij naar het beroemde beeld van Michelangelo. [53] Anders dan de icoon van Hüsstege gaat het hier in de eerste plaats niet om een devotie-object en zal men het niet zo gauw in een kerk aantreffen. Het wachten is op nieuwe kerkelijke opdrachten om het virus te verbeelden en te herdenken.
Samenvattend kan men stellen dat de oogst aan kunst en erfgoed betreffende epidemieën in het Nederlandse kerkelijke landschap karig is. Vergeleken met Italië en Frankrijk zijn er weinig middeleeuwse muurschilderingen bewaard gebleven die gerelateerd kunnen worden aan een epidemie. Vergeleken met Belgische kerken, die een overvloed aan altaarstukken bezitten van grootmeesters als Rubens, kunnen we hier met moeite slechts enkele kopieën en stukken van de tweede garnituur vinden. In ons land is er geen stad vergelijkbaar met Brugge, waar men minstens een dag nodig heeft om al het ‘pest-erfgoed’ te kunnen bezichtigen. [54] Erkende meesterwerken of publiekstrekkers als de Scuola di San Rocco in Venetië hebben we hier niet, uitgezonderd misschien het mozaïek in de Scheveningse Antonius Abtkerk, die opgenomen is in de lijst van de honderd mooiste kerkinterieurs. Een verklaring voor deze schrale oogst is niet moeilijk te geven: van de middeleeuwse schilderingen en beelden is het merendeel verloren gegaan en na de Reformatie was er hier amper meer een markt voor kunstopdrachten van kerkelijke zijde.
Dit artikel is eerder verschenen in Ex Tempore (39 (2020), 2) en geplaatst met toestemming van de auteur en de redactie. Nieuwsgierig naar het themanummer over katholiek erfgoed? Bestel uw exemplaar hier.
Noten
* Dit artikel is tot stand gekomen ten tijde van de lockdown, waardoor het literatuuronderzoek beperkt moest blijven tot literatuur die online beschikbaar was, wat ik als een uitdaging beschouwd heb. Veel gegevens over voorwerpen konden worden opgespoord in de database Kerkcollectie digitaal van Museum Catharijneconvent. Om het notenapparaat niet al te zwaar te belasten wordt niet telkens verwezen naar voor de hand liggende bronnen als Wikipedia.
- Gareth Harris, ‘V&A chair had ‘’Bruegel-like’’ delirium after contracting Covid-19’, The Art Newspaper (20 april 2020).
- Ole Benedictow, ‘The Black Death: The Greatest Catastrophe Ever’, History Today 55: 3 (2005) 1.
- De schildering werd door Meiss rond 1350 gedateerd maar tegenwoordig wordt aangenomen dat die van vóór de periode van de Zwarte Dood dateert. De vroegere toeschrijving aan Francesco Traini is nu verlaten en meestal op naam van Buonamico Buffalmacco gesteld. Millard Meiss, Painting in Florence and Siena after the Black Death: the Arts, Religion, and Society in the Mid-fourteenth Century (Princeton 1978) 74; Anna Louise DesOrmeaux, The Black Death and its Effect on Fourteenth- and Fifteenth-century Art (Masterscriptie Kunstgeschiedenis, Louisiana State University, Baton Rouge 2007) 21-24.
- Het beeld uit 1544 staat thans in het binnenhof van de Engelenburcht opgesteld. Zie Museo Nazionale di Castel Sant’Angelo, ‘Raffaello da Montelupo – San Michele Arcangelo’ (laatste wijziging: 24 juni 2015), http://www.castelsantangelo.beniculturali.it/index.php?it/153/rafaello-da-montelupo-san-michele-arcangelo (geraadpleegd 1 juli 2020). Volgens een andere bron zou er al in de dertiende eeuw een beeld zijn geweest maar dit wordt verder niet verantwoord en lijkt niet waarschijnlijk: Wikipedia, ‘Justinianische Pest’ (laatste wijziging: 27 augustus 2020), https://de.wikipedia.org/wiki/Justinianische_Pest (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Leo Noordegraaf en Gerrit Valk, De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middel- eeuwen (Amsterdam 1996) 220.
- Voor het eerst verschenen Arnhem 1644. Meerdere malen herdrukt en vertaald: Nederlands 1671, Engels 1722. Willem Frijhoff, ‘Gods gave afgewezen: Op zoek naar genezing van de pest: Nijmegen, 1635–1636’, Volkskundig Bulletin 17:2 (1991) 143–170.
- Raam uit 1949 door Joan Collette. Afbeelding: Regionaal Archief Nijmegen, ‘Foto- collectie Regionaal Archief Nijmegen’, https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=01&index=3&imgid=2395161849&id=2394734655 (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Codart, ‘Museum Het Valkhof has acquired a Portrait of IJsbrand van Diemerbroek (1609-1674) by Cornelis Jonson van Ceulen’ (5 november 2010), https://www.codart.nl/museums/museum-het-valkhof-has-acquired-a-portrait-of-ijsbrand-van-diemerbroeck-1609-1674-by-cornelis-jonson-van-ceulen/ (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Floor Hooge Venterink en Renee van de Gein, Kwade Dampen: Een verhaal over de pest (werkstuk NSG Groenewoud Nijmegen 2010) 59-60; zerk 231 in: Noviomagus.nl, https://www.noviomagus.nl/h1.php?p=Boekenhoek/E-boek/GrafzerkenStevenskerk/GrafzerkenStevenskerk.htm (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Noviomagus.nl, ‘Glashuis 4: Sint Jacobskapel’, https://www.noviomagus.nl/Vrij/Glashuis4/Glashuis4Cat.html (geraadpleegd 1 juli 2020); Sint Jacobskapel Nijmegen, ‘Geschiedenis’, https://www.jacobskapel-nijmegen.nl/index.php/geschiedenis (geraad- pleegd 1 juli 2020).
- A. Viaene, ‘De legende van de Drie Levenden en de Drie Doden in processiespel te Veurne en te Kortrijk’, Biekorf. Westvlaams archief voor geschiedenis, oudheidkunde en folklore 76 (1975-1976) 101-105; Patrick Pollefeys, http://www.lamortdanslart.com/3m3v/3m3v.htm (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Afbeeldingen van al deze schilderingen zijn te vinden op Wikimedia Commons.
- Sophie Oosterwijk, ‘Koning, keizer, kardinaal... De Dodendans in de middeleeuwse cultuur’, Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 16:1 (2002) 165-176, aldaar 167.
- De schildering onder het uurwerk van het orgel in de Bossche Sint-Jan en de gebeeldhouwde fragmenten van het Oordeelspel uit dezelfde kerk zijn daar aangebracht vanwege de symboliek van de vergankelijkheid van de Tijd. Een lang niet compleet overzicht van schilderingen per land in: Europäische Totentanz-Vereinigung, http://www.totentanz-online.de/laender.php (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Het troosten met muziek gaat terug op een niet-Bijbelse traditie, zie Kathi Meyer, ‘St. Job as a Patron of Music’, The Art Bulletin 36:1 (1954) 21-31.
- Jacobus de Voragine, De hand van God. De mooiste heiligenverhalen uit de Legenda Aurea, gekozen en vertaald door Vincent Hunink en Mark Nieuwenhuis (Amsterdam 2006, tweede, elektronische versie 2010) 28.
- Luud de Brouwer, ‘“De aenclevende sieckte”. De pest in Tilburg voor 1630’, Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 13: 1 (1995) 3-13, aldaar 9.
- De Nederlandse aan Rochus gewijde Wikipedia-pagina blijft wat betreft informatiewaarde ver achter bij de Duitse, Engelse en vooral Franse en Italiaanse pagina’s.
- Patrocinium: de naam van de heilige(n) aan wie een kerk of klooster is toegewijd; het kan ook een gebeurtenis of devotie zijn, bijvoorbeeld Emmauskerk, H. Hartkerk.
- Alle informatie over bedevaartplaatsen is ontleend aan Peter Jan Margry e.a. (red.), Bedevaartplaatsen in Nederland, dl. 1-4 (Amsterdam 1997-2004), https:// www.meertens.knaw.nl/bedevaart/. De Rochus-bedevaartplaatsen op een rijtje: https://www.meertens.knaw.nl/cms/nl/cms/nl/nieuws-agenda/nieuwsbrief/vraag-van-de-maand/146159-maart-2020-welke-bedevaartplaatsen-bieden-soelaas-in-tijden-van-corona (geraadpleegd 1 juli 2020).
- David Oldenhof, De pest en het heilige. De transformatie van religieuze reacties op de pest in de noordelijke Nederlanden (1347-1500) (Bachelorscriptie Geschiedenis, Radboud Universiteit, Nijmegen 2017).
- Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, ‘Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie’, https://data.collectienederland.nl/vc/wbc-2/search/?q=Antonius+Abt (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Margry, Bedevaartplaatsen; Oldenhof, De pest en het heilige, 19-20.
- Parochiekern Chaam, http://www.parochie-chaam.nl/255830389 (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Margry, Bedevaartplaatsen.
- Koos Damman, ‘Kerkborden in de Grote of St. Nicolaaskerk’, http://home.kpn.nl/bourdon/borden.htm (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Valerie Hedquist, ‘Ter Brugghen’s Saint Sebastian Tended by Irene’, Journal of Historians of Netherlandish Art 9:2 (2017).
- Een fraai gebeeldhouwde gevelsteen uit 1567 was oorspronkelijk voorzien van de tekst ‘TOT BEHOEF DER BORGHERS MET PESTE BEGAEFT / DIE WORDEN ALHIER GESPYST EN GELAEFT’, die nadat het gebouw een andere functie had gekregen, is overgebeiteld.
- Het schilderij, dat zich thans in Museum De Lakenhal te Leiden bevindt, is van Theodoor van der Schuer uit 1682, het reliëf van Rombout Verhulst uit 1660. Hanneke van Asperen, ‘Nothing Else Than Decay: Theodoor van der Schuer’s Allegory of Human Deprivation for Leiden’s Plague Hospital’, Journal of Historians of Netherlandish Art 12:2 (2020); Hanneke van Asperen, ‘Bedekte monden en neuzen tegen de pest’, 13 maart 2020, http://hannekevanasperen.nl/bedekte-monden-en-neuzen-tegen-de-pest/ (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Wikipedia, ‘Pestepidemie in Noord-Italië 1575-1577’ (laatste wijziging: 31 mei 2020) https://nl.wikipedia.org/wiki/Pestepidemie_in_Noord-Italië_(1575-1577) (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Voor 1976 bevond het zich in de afgebroken Augustinuskerk die uit 1932 dateerde en de opvolger was van een oudere schuilkerk bijgenaamd ‘De Star’.
- Topa, ‘De Grafkapellen in de Kooromgang’, https://www.topa.be/nl/antwerp/kerken-in-antwerpen/sint-jacob/syllabus/kooromgang/ (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Margry, Bedevaartplaatsen.
- Sint Rosa Zitterd, http://www.schutterijstrosasittard.com/foto-s.html (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Proost: in een klooster de geestelijke die in rang op een abt of prior volgt. In een norbertinessenklooster was er een priester van de norbertijner orde aanwezig ter onder- steuning van het geestelijk leven van de zusters. Hij verrichte in de eerste plaats de pries- terlijke taken als de mis opdragen en biecht horen. Daarnaast zorgde hij in de regel ook voor het beheer van de tijdelijke goederen en onderhield hij de contacten met de orde.
- Het viaticum (Latijn voor reisvoorziening) is de laatste communie voor degene die in stervensgevaar verkeert.
- Rijksmuseum, ‘Dietrich Coelde van Munster, Jacob Neefs, after Philip Fruyters, 1620-1680’, https://www.rijksmuseum.nl/en/collection/RP-P-OB-23.926 (geraadpleegd 1 juli 2020). Het onderschrift is op de prent in het Nederlands en komt globaal overeen met de Latijnse tekst op het schilderij: ‘R.P. Theodoricus Coelde van Munster, Guardiaen der Minderbroeders tot Loeven, een man uytstekende in heyligheyt, ende liefde tot sijnen even-naesten (want als tot Brussel van de pestilentiale sieckte stierven 33. duysent menschen, heeft hy aen 32. duysent van die selve uyt-ghereyckt de HH. Sacramenten, van de welcke soo Godt hem gheopenbaert hadde, niet meer dan twee verloren sijn gheweest) sijn doot voorseyt hebbende, is ghestorven knielende in sijn Celle den 11. Decemb. 1615. [moet zijn 1515] heeft soo in sijn leven, als naer sijn doot ghedaen verscheyden Miraculen.’.
- Dirk van Munster, Der Christenspiegel. Clemens Drees ed. (Werl 1954) 1*-2*. Een tweede kopie naar deze prent met een vergelijkbare Nederlandse tekst is bekend in het minderbroedersklooster te Sint Truiden, waar het gebeente van Coelde werd bewaard, zie http://balat.kikirpa.be/photo.php?path=M276693&objnr=54478&nr=1 (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Wikipedia, ‘Kapuziner’ (laatste wijziging: 28 juni 2020), https://de.wikipedia.org/wiki/Kapuziner (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven, ‘Maastricht, Kapucijnen’ (laatste wijziging: 14 januari 2020), https://www.erfgoedkloosterleven.nl/zoeken/collecties-zoeken.php?mivast=1212&mizig=212&miadt=1212&miaet=14&micode=DOC-MON-ME&minr=1531839&milang=nl&misort=orde%7Cdesc&mif1=Kapucijnen%20(P023)&miview=ldt; ‘De “pestilentieel ziekte” en de hospitaalkloosters’, Ut Mestreechter Steerke, https://mestreechtersteerke.nl/pagmestreechvreugerhoofdstuk_2.htm; P.P. Simons, ‘Capucijnen’, Voorouders uit Midden-Limburg, https://www.ppsimons.nl/stamboom/maastricht/klooster-capucijnen.htm (alles geraadpleegd 1 juli 2020).
- Het Allerheiligste: de geconsacreerde hostie, die volgens de rooms-katholieke leer tijdens de consecratie veranderd is in het Lichaam van Christus.
- Al deze herderlijke brieven zijn te lezen op de website van het Katholiek Documentatie Centrum, respectievelijk in https://kdc-opac.hosting.ru.nl/pdf/Wilm308.pdf , https://kdc-opac.hosting.ru.nl/pdf/Snic140.pdf , https://kdc-opac.hosting.ru.nl/pdf/laar531.pdf , https://kdc-opac.hosting.ru.nl/pdf/Leij1050.pdf en https://kdc-opac.hosting.ru.nl/pdf/Boer779.pdf
- Quirinus van Alphen, Alles voor Allen. Geschiedenis van de Congregatie der Zusters Penitenten-Recollectinen van de Haagdijk te Breda (Roosendaal 1947) 63.
- A.N. Duijnisveld en C.P.M. Holtkamp, Geschiedenis der Parochie van den H. Jacobus den Meerdere te Schipluiden (z.pl. 1940) 36.
- J.W. Koten, ‘Cholera, grote sterfte in de 19e eeuw, ook voor de genealoog relevant’, Genealogisch Erfgoed Magazine 20:4 (2012) 9-16, aldaar 10.
- Een noveen of novene is een reeks van negen dagen waarop men op een bijzondere wijze tot God bidt, ter verkrijging van een gunst of ter voorbereiding op een grote feestdag.
- Hans Krol, ‘Antoon Molkenboer (1872-1960). Internationaal katholiek kunstenaar en telg uit een talentvol kunstenaarsgeslacht’, Librariana, https://ilibrariana.wordpress.com/2012/07/11/antoon-molkenboer-1872-1960/; http://www.scheveningentoenennu.nl/keramiek2/100109/101/index.html (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Paul Spapens, ‘Stoffelijke herinneringen aan een nog altijd populaire Tilburger. Peerke’s devotionalia’, Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 20:1 (2020) 13-24, aldaar 19-20.
- Petra Robben, ‘Standbeeld Peerke Donders in Tilburg. Katholiek of koloniaal?’, 27 mei 2020, https://www.brabantserfgoed.nl/page/11792/standbeeld-peerke-donders-in-tilburg-katholiek-of-koloniaal (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Adriaan van Beek, ‘Paters in Bavel’, Brieven van Paulus. Tweemaandelijks periodiek van de heemkundekring “Paulus van Daesdonck” 30:152 (2004) 79-82.
- Ruben Boon, ‘Damiaan met mondmasker, mondmasker met Damiaan’, 23 juni 2020, https://damiaanvandaag.be/archieven/3432 (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Peter Burger, ‘Sint Corona: sinds kort beschermheilige tegen epidemieën’, 27 maart 2020, https://nieuwscheckers.nl/nieuwscheckers/sint-corona-sinds-kort-beschermheilige-tegen-epidemieen/ ; ‘Heilige Corona’, 1 mei 2020, https://www.kuleuven.be/thomas/page/heilige-corona/ (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Hans van Alebeek, ‘Museum Krona krijgt bijzondere Pièta, met Jezus op 1,5 meter’, Brabants Dagblad (2 juni 2020), https://www.bd.nl/uden-veghel-e-o/museum-krona-krijgt-bijzondere-pieta-met-jezus-op-1-5-meter~ac5d2032/ (geraadpleegd 1 juli 2020).
- Albert Clarysse, De pestepidemieën in Brugge (2013), http://www.montanusbrugge.be/Presentaties/pestpresentatie.pdf