Impressie: Rijkdom en valkuilen van een KMM-interview
In afwachting van de nieuwe Impressie (2020-26), die volgende week zal verschijnen, blikken we graag nog een keer terug op de meest spraakmakende artikelen uit het verleden. De derde bijdrage komt van collectiespecialist dr. Vefie Poels. Zij analyseerde het gebruik van 'oral history' in een publicatie over de missie in Oost-Afrika.
Tekst: Vefie Poels | Beeld: KDC

Rijkdom en valkuilen van een KMM-interview
Ervaringen van een Nederlandse priester in Oost-Afrika
In 2018 verscheen het boek Een missionair leven in documenten van Albert de Jong, lid van de Congregatie van de H. Geest (zie omslag hierboven). Albert de Jong is een groot deel van zijn leven werkzaam geweest in Tanzania en Kenia, zowel in parochies als in het onderwijs, in periodes tussen 1974 en 2014. Een van de documenten waar het boek op is gebaseerd is het zogenaamde interview van de KomMissieMemoires dat op 6 juni 1984 met hem is afgenomen door Martin Peters. Het interview, dat ruim acht en een half uur duurt, is integraal opgenomen en beslaat ongeveer een derde deel van het boek.
De interviews van de KomMissieMemoires (KMM) zijn een begrip in de geschiedschrijving van de Nederlandse missiegeschiedenis, maar ook in de koloniale geschiedenis. Lange tijd was deze collectie van een duizendtal interviews, opgenomen in de periode 1977-2004, de grootste verzameling orale bronnen in Nederland. De KMM startte als een gezamenlijk project van CMC, KDC, Missio en de KRO met als doel de ervaringen van de Nederlandse missionarissen voor het nageslacht vast te leggen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. De commissie interviewde ongeveer tien procent van de Nederlandse missionarissen met de belofte dat de interviews vertrouwelijk zouden worden behandeld.
De KMM-interviews vormen nog steeds een van de meest geraadpleegde bronnen van het KDC, getuige bijgaande statistische overzichten van de laatste 6 jaar.

Het gebruik van de interviews voor proefschriften, scripties of werkstukken, familiegeschiedenis en andere publicaties is vrij stabiel door deze jaren heen. Alleen het gebruik voor lesmateriaal vertoont afwijkende cijfers omdat de afdeling Geschiedenis van het Nederlands Katholicisme de interviews sinds 2015 als een vast onderdeel van het curriculum gebruikt om de bachelor studenten in te leiden in oral history, waarmee zij dus meteen ook iets mee krijgen van missiegeschiedenis. Bijna alle gebruikers van de interviews zijn Nederlanders, wat gezien de taal niet verwonderlijk is. Toekomstige vertaalapplicaties kunnen het bereik aanzienlijk vergroten. Een enkele Indonesische onderzoekster of Canadees met Nederlandse wortels heeft ook gebruik gemaakt van de interviews. Ook zijn er verschillende Nederlandse onderzoekers die in het buitenland wonen en werken die op basis van de KMM-interviews onderzoek doen naar de geschiedenis van het land waar ze op dat moment wonen.
Dit is hierbij in een staafdiagram weergegeven. Om het overzicht te houden is voor lesmateriaal van 1-100 een 1 geteld, en voor boven de 200 een 2.

Een volgende vraag is hoevéél interviews er voor deze doelen zijn gebruikt, waarbij we meteen een schifting kunnen maken naar continent (zie tabel 2).
Ook dat kan in een staafdiagram worden weergegeven (zie grafiek 2). Wat opvalt is de stijging van het aantal Azië-interviews. Dat komt voor een deel op conto van het lesmateriaal – voor de colleges worden elk jaar dezelfde dertien interviews gebruikt – maar voor een ander deel komt het voort uit een toegenomen belangstelling voor de missiegeschiedenis in relatie met de koloniale en politieke geschiedenis van Nederlands-Indië en Indonesië. Dat zien we in proefschriften, maar ook in een aantal artikelen over de rol van de missionarissen tijdens de politionele acties. Ook voor Amerika – Curaçao – is er een link met de koloniale geschiedenis. Een ander onderzoek behelst de rol van de Nederlandse missionarissen in hun contacten met de inheemse bevolking in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Een onderzoek in Afrika richtte zich op Zuid-Afrika en een ander op de rol van de Nederlandse vrouwelijke missionarissen in de gezondheidszorg in oostelijk Afrika, zoals het dovenonderwijs.


Het gebruik van orale bronnen voor onderzoek
In het verleden is er veel onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van orale bronnen. Herinneringen kunnen onbewust worden beïnvloed, zowel door persoonlijke gebeurtenissen in iemands leven als door de zogenaamde ‘collectieve herinnering’. Voor sommige onderzoekers is die onzekerheidsfactor een reden om geen gebruik te maken van interviews. Andere onderzoekers gebruiken deze rijke bron wel, waarbij net als bij andere documenten een prudente historische bronnenkritiek wordt gehanteerd. Albert de Jong, zelf gepromoveerd op een analyse van 75 KMM-interviews, kwam in zijn proefschrift tot de conclusie dat mondelinge en schriftelijke bronnen onmisbaar zijn voor elkaar en met elkaar verbonden zijn. De ene keer is de schriftelijke bron complementair aan de mondelinge, de andere keer is het precies andersom (Albert de Jong, Missie en politiek in Oostelijk Afrika. Nederlandse missionarissen en Afrikaans nationalisme in Kenya, Tanzania en Malawi 1945-1965, Kampen 1994, p. 23-25).
Het nieuwe boek van Albert de Jong, dat op 2 maart 2018 werd gepresenteerd tijdens een minisymposium georganiseerd door de Stichting Nijmeegs Instituut voor Missiewetenschappen in samenwerking met het KDC, is een mooie illustratie van die onderlinge verbondenheid, en tevens van de rijkdom én de valkuilen van interviews. Zo gaf het interview met De Jong achtergrondinformatie over conflicten die in de corresponderende schriftelijke bronnen met de mantel der liefde werden bedekt of zelfs geheel niet aan de orde kwamen. De situatie werd in het schriftelijk materiaal daardoor soms mooier voorgesteld dan de werkelijkheid was, bijvoorbeeld in de brieven aan het thuisfront. Het KMM-interview gaat veel uitvoeriger in op de problemen waarmee Albert de Jong werd geconfronteerd, waarbij de hoge invoerrechten van westerse producten – de spiritijnen smokkelden via autobanden toiletpapier het land binnen! – maar een futiliteit was. Maar ook hier komen niet alle problemen aan de orde. Het is duidelijk dat kritiek op het beleid van Nyerere en zijn umajaa-politiek in de jaren tachtig in de taboesfeer lag. Pas in enkele zeer recente artikelen, eveneens opgenomen in de publicatie, doet Albert de Jong hierover een boekje open.
De rol van de interviewer is in de KMM-interviews relevant. Alle interviews zijn via een bepaald stramien opgezet, die een zekere speelruimte laat aan de interviewers. De door de wol geverfde Martin Peters – hij heeft 437 KMM-interviews afgenomen – weet goed door te vragen, maar aan de andere kant laat hij zijn eigen ervaringen (hij werkte jarenlang als missionaris in Ghana) soms teveel meespelen. Daarbij legt hij de geïnterviewde wel eens woorden in de mond of projecteert hij de situatie in Nederland op de situatie van de geïnterviewde. Maar die ervaringen zijn op andere momenten juist cruciaal om een goed beeld te krijgen. Door zijn vragen krijgen we te horen over de grote spanningen tussen de Nederlandse spiritijnen en de Afrikaanse priesters begin jaren zeventig. De Afrikaanse priesters eisten de betere parochies en invloedrijke posten op bij de bisschop. Het is opmerkelijk dat Nederlandse paters dus nog begin jaren zeventig gedwongen moesten worden de macht in de missiekerken uit handen te geven! Dat gold trouwens niet alleen voor de spiritijnen: ook andere Nederlandse missionarissen liepen daarin niet voorop.
Het boek van Albert de Jong laat zien dat het KMM-interview dat met hem is afgenomen tekortkomingen en valkuilen kent, maar dat het aan de andere kant een grote rijkdom biedt aan ervaringen van een Nederlandse priester in de recente kerkgeschiedenis van Tanzania en Kenia, van pastor in de krottenwijk van Kibera in Nairobi tot decaan van het gerenommeerde Tangaza University College.
Dit artikel is eerder verschenen in Impressie 2018-22. U vindt alle voorgaande edities digitaal terug op deze pagina.
Impressie thuis ontvangen? Stuur een mail naar info@kdc.ru.nl en we sturen u tweemaal per jaar een exemplaar toe, volledig kosteloos.