Architectenbureaus Margry

Archiefnummer: 1332
Archiefnaam: MGRY
Sector: Cultuur en recreatie
Soort archief: Instellingsarchief
Datering: 1848-2014

Bladeren door het archief
Inventarislijst (docx, 219 kB)

jozefkerk-delft

Ontwerptekening door Evert Margry van de Sint Jozefkerk (Delft)

Ten Geleide door Peter Jan Margry

Algemeen

Naar aanleiding van een groeiende vraag in jaren 1980 van geïnteresseerden naar informatie over de architecten Margry, ontstond de behoefte om inzicht te krijgen in het beschikbare archiefmateriaal. Dit materiaal was sinds het overlijden van Jos Margry en het vertrek van Fons Margry uit het Rotterdamse bureau deels verspreid en/of uit zicht geraakt. Het maken van een overzicht van al dat materiaal, een archiefinventaris, was zinvol en noodzakelijk. Ondergetekende heeft daarop het initiatief genomen om alle documenten, zowel van de onderscheiden architecten en bureaus, door de ongeveer twee eeuwen heen, als ook de relevante persoonlijke familiepapieren bij elkaar te brengen, te inventariseren en voor de toekomst veilig te stellen. Het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen was gaarne bereid het omvangrijke archief (ca. 30 m.) in 2015 in beheer te nemen.

De Margry’s
Over de oorsprong van de Nederlandse tak van de katholieke familie Margry is niet meer bekend dan dat die zich in de loop van de achttiende eeuw vanuit Noord-west Frankrijk (Picardië) in België heeft gevestigd. Ondanks diverse genealogisch-historische onderzoekingen door Jos Margry, John en Els Bücker-Margry en latere nichten en neven (Marianne, Wilma, Birgit Rob) in België en Frankrijk is het tot op heden (2021) niet gelukt om de ontbrekende connectie met de oudere, verwante Franse families Margry c.q. De Marguery te vinden. Zekerheid over een stamboom zonder onderbrekingen ontstaat pas aan het einde van de achttiende eeuw wanneer een familie van katholieke signatuur met de naam Margry (nog lang ook als ‘Margrij’ gespeld) zich in Luik vestigt.
Vanuit Luik verhuisd deze ‘koopman’ Johannes J.F. Margry (1806-1870) in 1832 naar Harderwijk, nadat hij eerst enige jaren in het KNIL, in Nederlands-Indië, had gediend. Uit zijn tien kinderen kwamen de eerste drie Margry’s voort die zich op de bouwkunst zouden toeleggen. Mogelijk gebeurde dat onder invloed van de familie van zijn vrouw, Alijde van de Weijer, die toen ook als aannemers-bouwmeesters actief waren.
Gedurende enkele generaties bleef de omvang van de familie, in vertakkingen en kwantiteit, beperkt van omvang. Pas na stichting van een groot gezin door Jos Margry en Lot Lutkie in Rotterdam breidt de omvang van de familie zich sinds de tweede helft van de twintigste eeuw langzaam uit.

De architecten(-bureaus) Margry
Binnen de familie Margry was de in 1834 geboren Johannes F.J. de eerste die zich met bouwkunst bezighield. Jan was onderwijzer in de bouwkunst aan de Amsterdamse Teekenschool. Later werd hij ‘kweekeling’ aan de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten. Hij was lid van de Maatschappij tot Bevordering van de Bouwkunst. Van zijn hand zijn slechts enkele bekroonde prijsvraagontwerpen bekend1. Het is mogelijk zijn voornaamste productie geweest, want hij stief in 1858 al op 24-jarige leeftijd.
Zijn jongere broer Evert (1841-1891) was een van de meest productieve leerlingen uit de school van Pierre Cuypers te Amsterdam. Na de meesterproef als bouwopzichter van Cuypers’ Alkmaarse Dominicuskerk goed te hebben uitgevoerd, verhuisde hij omstreeks 1866 vanuit de hoofdstad naar Rotterdam. Daar vestigde hij zich als zelfstandig architect en ontwikkelde een bloeiende praktijk voor met name neogotische katholieke kerken en gebouwen. Zijn architectenbureau was gevestigd aan de Schiekade 103.
Op 1 mei 1880 associeerde zijn broer Albert (1857-1911) zich met Evert, en vervolgens, tot 1909, ook met de bouwkundige Josephus Snickers. De vennootschap met Snickers had als doel hem op de inrichting en uitmonstering van de katholieke kerkinterieurs te zetten: kerkmeubelen, beeldhouwwerken, kunstschilderwerk en polychromie. Dit bureau was gevestigd te Rotterdam onder de naam Gebr. Margry & Snickers. Met de associatie in 1880 verhuisde het bureau naar Schiekade 141.
Na de ontbinding van de vennootschap met Snickers in 1909, heeft Albert het bureau voortgezet tot aan zijn plotselinge dood in 1911. Om de continuïteit van het bureau zeker te stellen moest zijn zoon Jos (1888-1982) zijn studie bouwkunde in Delft meteen beëindigen en de bureaudirectie overnemen. Het bureau bracht hij in 1916 met zijn woonhuis samen in het grote hoekpand met het torentje aan de Schieweg 2. De ingang van het bureau zat aan de Walenburgerweg. Het atelier voor kerkelijke kunst, onderdeel van het bureau, was onderin het torentje gesitueerd. Het pand werd in 1934 afgebroken waarna het kantoor verhuisde naar de Westersingel 9 en weer later aan de ’s Gravendijkwal 39. Op de locatie van dit afgebroken kantoor-woonhuis realiseerde Jos Margry een appartementencomplex. Privé was Jos Margry en zijn familie in 1934 naar de Van Somerenweg 45 en in 1952 naar de Ouddorpweg 32 verhuisd. Dit laatste huis had hij zelf daar nieuw laten bouwen.
Van de zeven kinderen van Jos en Lot en Margry zouden drie zoons (Jan, Fons en Joost) zich intensief met architectuur en/of stedenbouw gaan bezighouden. De tweede van hen, Alphons of Fons (1915-1995), zou het Rotterdamse bureau samen met partner Jacobs voortzetten. De andere twee volgden hun eigen weg middels eigen bureaus en/of een ambtelijke planologische carrière: Jan (1913-2001) in Venray en Den Bosch en Joost (1922-2015) in Den Bosch en Breda. Daarmee was de architectuurtraditie geenszins beëindigd, (achter-) kleinkinderen van Jos Margry, zouden hem daarin nog volgen. Van hen (Jaap *1950, Wouter *1953, Ward *1983 en Fabienne *1992) is in het archief maar zeer beperkt archiefmateriaal opgenomen.


Geschiedenis van de archieven

Architectenbureaus
De archieven van de Rotterdamse, opeenvolgende architectenbureaus Margry en associés zijn relatief beperkt bewaard gebleven. Voor een deel is dat te wijten aan slechte materiële bewaaromstandigheden. De Maasoverstroming van de 's Gravendijkwal, waarbij de archiefkelder van het bureau Margry & Jacobs onder water liep (ca 1970?), heeft veel schade aangericht en nogal wat verloren laten gegaan. Ten tweede, omdat bepaalde bouwprojecten over een lange periode liepen (met uitbreidingen, vernieuwingen e.d.) werd het materiaal nogal eens verplaatst, opnieuw gebruikt en niet altijd systematisch gearchiveerd. In de derde plaats waren de architecten zelf ook goede opruimers. De ‘praktisch ingestelde’ architecten hadden over het algemeen minder affiniteit met lange termijn archiefbeheer. Een bestek en enkele tekeningen werden veelal voldoende geacht als naslagmateriaal. Met name tijdens de naoorlogse bureauverhuizingen, zoals in 1973, is, naar verluidt, veel archief weggedaan. Met name het correspondentiearchief heeft het daarbij moeten ontgelden. Daar is teleurstellend weinig van overgebleven. Uit de bij een aantal overgebleven tekeningen aanwezige staten van tekeningen bleek dat toen in die jaren al veel bouwwerknummers, althans de daarbij behorende stukken, ontbraken. Stukken van niet gerealiseerde projecten werden vermoedelijk ook snel vernietigd.
Van de oudste bouwwerken, uit de jaren 1860-1870, zijn voornamelijk bestekboekjes overgeleverd, maar verder in de tijd komen er ook steeds meer tekeningen en andere stukken in het archief voor. Uit de oorlogs- en wederopbouwperiode is ook archiefmateriaal bewaard gebleven dat bijvoorbeeld interessante documenten over de improviserende wederopbouw na het bombardement van mei 1940 bevat.
De sprongen die er bestaan in de door het bureau Margry en Jacobs gehanteerde bouwwerknummering (bijvoorbeeld tussen de nummers 250 en 400 en de nummers 600 en 900) wijzen daarentegen niet op verdwenen dossiers, maar deze nummers bleken vanwege een bepaalde, maar niet achterhaalde, reden bewust niet te zijn gebruikt.
Voor dit archief c.q. deze inventaris is er voor gekozen om de opname van archief te beëindigen, op het moment dat een Margry uit het bureau stapte. Een praktische oplossing omdat het materiaal bij die overgangen dan pas beschikbaar kwam. Voor het Rotterdamse bureau was dat het jaar 1980. Maar voor de periode tussen 1973 en 1980 zijn er echter ook maar weinig stukken opgenomen omdat nogal wat dossiers c.q. projecten toen nog niet waren afgesloten en bij het toenmalige bureau Tuns en Horsting (de huidige opvolger in lijn is het Rotterdamse bureau MAS) als dynamisch werkmateriaal daar zijn gebleven.
Ditzelfde geldt voor het Bredase bureau van Joost Margry. De afsluitingstermijn is hier eveneens bepaald op het tijdstip van het verdwijnen van de naam Margry. Dit geschiedde in 1993 bij de fusie van het bureau Van Hoytema, Stoelinga en Margry met het eveneens Bredase bureau Ruijs. Van de nieuwe combinatie en naam - Compositie 5 - die deze fusie opleverde zijn ter informatie over de continuïteit van de bureaus daarom slechts enkele presentatiestukken opgenomen. Het archief van het Bredase bureau is dus niet meer, of beter, nauwelijks aanwezig, vanaf de jaren 1980. Dit geldt voor de architectuurpoot en nog sterker voor de stedenbouwactiviteiten die vanwege hun lange-termijn karakter overeenkomstige lang-dynamische dossiers met zich meebrengen.
Het archief van het architectenbureau Jan Margry (samen met Lerou) in Venray is weliswaar niet zo uitgebreid, maar biedt enkele goede voorbeelden van naoorlogse architectuur en stedenbouw. In de 1955 is Jan met dat bureau gestopt en naar de provincie overgestapt. Het persoonlijk aangelegde archief van ‘Ir. J.P.J. Margry’ in zijn hoedanigheid van directeur van de Provinciaal Planologische Dienst van Noord-Brabant, tot 1978, is door hem omstreeks 1990 teruggevraagd uit de bruikleengeving aan het Rijksarchief in Noord-Brabant in Den Bosch, om het ‘organisch’ in het bureau- en familiearchief onder te brengen. De toenmalige rijksarchivaris kon zich in deze handelswijze goed vinden en heeft aan de uitvoering daarvan gerealiseerd.

Archiefmateriaal elders
De hier bijeengebrachte en geïnventariseerde archieven zijn dus allerminst compleet, enerzijds door teloorgang en vernietiging, anderzijds doordat materiaal als noodzakelijk werkmateriaal bij de rechtsopvolger van een bureau moest achterblijven.
Voor degene die onderzoek wil doen naar hier opgenomen gebouwen of naar de betrokken architecten e.d. staan natuurlijk ook nog andere archieven ter beschikking. In de eerste plaats zijn dat bouwbureaus van de Nederlandse bisdommen waar architecten van gebouwen met een religieuze functie verplicht waren om bestekken en tekeningen te deponeren. Daarnaast zijn individuele parochiearchieven was belang. Daar kunnen brieven en tekeningen worden aangetroffen worden die op de bouw betrekking hebben. Zo blijken bijvoorbeeld de in de gemeentearchieven van Vlaardingen en Den Haag aanwezige parochiearchieven van Margry-kerken omvangrijke en interessante dossiers over de bouw van deze Margry-kerken te beschikken2. Bijvoorbeeld ook de archieven van de parochies van Loosbroek en Naaldwijk bevatten uitgebreide correspondenties met de architect.
Voor de meeste bouwwerken geldt verder nog dat gegevens en tekeningen ook te vinden zouden moeten zijn in de bouwvergunningdossiers van de betrokken gemeente. Verder beschikt het KDC ook over fotomateriaal van kerken en gebouwen, zoals van de afgebroken Amsterdamse Bonifatiuskerk, net zoals de opvolger van het voormalige Nederlandse Architectuurinstituut in Rotterdam (Het Nieuwe Instituut) dat heeft.

Familie
De familiestukken uit de negentiende eeuw zijn binnen de familie van gezinshoofd op gezinshoofd overgeleverd. Het materiaal is eveneens deels gebrekkig bewaard gebleven. Ook hier is onder de oudste stukken maar weinig (persoonlijke) correspondentie over. Jos Margry, met zijn gevoel voor historie en familietraditie, heeft de beschikbare stukken in enkele leren portefeuilles verzameld en voor deel vanuit een genealogische invalshoek samengebracht en geordend. Deze en andere familiestukken zijn na de dood van Jos Margry jarenlang, eveneens met veel gevoel voor historie, beheerd door het aangetrouwde familielid John Bücker. Hij heeft zich, samen met zijn vrouw, bovendien beijverd voor de verdere uitbouw van de familiegenealogie. Verder bleken er bij Fons Margry nogal wat persoonlijke familiestukken te berusten alsook het volledig bewaarde Slot Bulgerstein-archief. Dat was een door Jos Margry opgericht huizenbeleggingsfonds.
Vanaf 1989 is ondergetekende begonnen om na te gaan wat er verder bij de diverse familieleden nog aan relevant archief- en documentatiemateriaal aanwezig was en heeft sindsdien niet nagelaten hen te vragen die stukken voor het familiearchief af te staan. De laatste stukken, over Fons, kwamen in 2020 in Rotterdam nog naar boven, tijdens een opruimactie als gevolg van de coronacrisis. Slechts één verzameling familiestukken kon hier niet worden verenigd, deze berust vooralsnog nog onder Marianne Lelieveld-Bücker in Utrecht.
In 1985 is het familiearchief aangemeld bij het Centraal Register voor Particuliere Archieven in Den Haag en opgenomen in hun bestand onder nummer 4026. Later is het CRPA-bureau ook gevraagd te adviseren over de eventuele bestemming van het archief. Vanwege het beleid om archieven in principe daar onder te brengen als daar categoriale instellingen voor bestaan, lag het in de rede om het materiaal bij het toenmalige Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam onder te brengen. Omdat men daar strikt alleen architectuurarchiefmateriaal wilde opnemen en niet alle contextualiserende familiearchiefstukken, kwam er geen overeenstemming tot stand. Het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen zag die meerwaarde wel in zodat het archief daar nu terecht is gekomen.

Verantwoording van de inventarisatie
Van het begin af aan stond vast dat vanwege hun elkaar wederzijds aanvullende waarden het familiearchief samen met de bureau-archieven als één geheel bij elkaar zouden dienen te blijven en ook als zodanig beschreven. Vanzelfsprekend werden de onderscheiden archieven en archiefjes binnen dit geheel conform het respect des fonds apart beschreven.
Een moeilijk aspect is het feit dat enkele bureaus nog steeds (onder een andere naam) bestaan en bijgevolg nog de beschikking moeten hebben over het recentere archiefmateriaal. Daarom moesten cesuren in de archieven worden aangebracht.
In vrijwel alle gevallen zijn ‘dossiers’ gevormd van de aangetroffen stukken (bestek, tekeningen, foto’s, artikelen e.d.) die betrekking hebben op een bouwwerk of een stedenbouwkundig plan.
In het geval van het Bredase bureau zijn alleen de losse foto’s bij de dossiers gevoegd. De thematische fotoboeken zijn integraal opgenomen en bieden een duidelijk overzicht van de activiteiten van het bureau, maar vormen tevens een goede systematische ingang op de uitgevoerde werken.

Selectie en vernietiging
Uit de periode tot circa 1950 bleek door de boven aangehaalde ‘natuurlijk’ selectie er weinig reden te zijn om verder materiaal nog af te zonderen. Uit de periode daarna is er in toenemende mate in de archieven van het Rotterdamse en Bredase bureau geselecteerd. In de eerste plaats is er ontdubbeld. De totale omvang is vooral sterk teruggebracht door technische tekeningen en berekeningen en detailtekeningen af te zonderen. De omvang van het Bredase archief is daardoor tot ongeveer de helft teruggebracht.
Uit het familiearchief is nagenoeg niets vernietigd, met uitzondering van kopieën en er niet in thuishorende stukken. Ook in het Bulgerstein-archief kwamen nogal wat dubbelen voor waarop eveneens is geschoond.

Materiële verzorging en restauratie
De archivalia zijn bij deze inventarisatie verpakt in hout- en zuurvrije omslagen. De archiefdozen (de ‘Amsterdamse’ doos) zijn eveneens zuur- en aluinvrij.
Enkele stukken, met name het foldermateriaal van rond de eeuwwisseling, zijn beschadigd en behoeven verzorging c.q. restauratie. Verder is er regelmatig water- en schimmelschade bij de oudste bestekken en tekeningen, waardoor teksten niet altijd goed leesbaar zijn. In de regel is het allemaal toch goed raadpleegbaar. In de archiefbeschrijvingen staat aangegeven of er sprake van water-, bind-, papier- of niet-actieve schimmelschade sprake is (in de ‘N.B.’s’ staat dat aangegeven door middel van respectievelijk de afkortingen WS, BS, PS en SS).

Een dergelijke inventarisatie is niet goed mogelijk zonder de hulp van anderen. In de eerste plaats was het belangrijk dat het materiaal überhaupt bij elkaar kon worden gebracht. Daarvoor ben ik de verschillende familieleden erkentelijk die bereid waren, al dan niet persoonlijke, stukken af staan. Marianne Lelieveld-Bücker heeft goed geholpen door een deel van de tekeningen van het Rotterdamse bureau Margry en Jacobs te vouwen en te beschrijven.

Raadpleging van het archief
Het in de inventaris beschreven archiefmateriaal bestaat uit een deel ‘architectenbureaus’ en een ‘familiedeel’. Al die stukken zijn in principe openbaar voor wie die voor onderzoek wil raadplegen. Voor de bureauarchieven kan men terecht op de studiezaal van het Katholiek Documentatie centrum te Nijmegen. Het ligt ligt in de verwachting dat het familiedeel van het Margry-archief medio 2023 vanuit mijn woning (Peter Jan Margry) in Amsterdam naar het KDC zal zijn overgebracht.

[1] Zie Bouwkundige Bijdragen 9 (1856) k. 284 (ontwerp tochtpui); 11 (1860) k. 77, 12 (1868) k. 56 (uitgave tekening bekroond ontwerp Kavelariekazerne).

[2] Gemeentearchief ‘s-Gravenhage: M. van Doorn, Sint Josephparochie 1868 - 1872. Inventaris van de archieven van de pastoor, het kerkbestuur en parochiële instellingen (Den Haag: Gemeentearchief, 1977) p.18-20  [gemeentearchief Den Haag, bibliot.nr. oy1; inv. nrs. 184-193, 201-202: bevat bouwtekeningen, ateliertekeningen, voorstellingen, bouwverslagen].