Stichting Mensen in Nood

Archiefnummer: 964
Archiefnaam: MIN
Sector: Caritas en maatschappelijk werk
Soort archief: Instellingsarchief
Datering: 1914-2002

Het archief bevat stukken van het Nederlandsch Roomsch-Katholiek Huisvestingscomité, van de Stichting Mensen in Nood en van de Vereniging voor Katholieke Kinderuitzending.
De ruim 13.000 dossiers die betrekking hebben op de projecten van Mensen in Nood in de periode begin jaren zeventig tot en met medio jaren negentig zijn beschreven in een apart archief, MINP, Mensen in Nood - projectdossiers.

Het archief van het centraal bureau was slecht geordend, zeker het gedeelte dat be­trekking had op het Nederlands RK Huisvestingscomité. Complex was het gedeelte uit de periode 1945 en 1961, de periode waarin het comité op zoek was naar een nieuwe en duidelijke identiteit. De reorganisatie in 1961 bracht een duidelijk cesuur tussen beide instellingen, maar het centraal bureau bleef als een continue factor aanwezig. Doordat dit centraal bureau werd gecontinueerd, werd de administratie min of meer voortgezet en was de scheiding tussen beide organisatie op archiefniveau niet altijd even helder.

Door het aanbrengen van twee hoofdrubrieken is getracht de archieven van het centraal bureau van het Nederlands RK Huisvestings­comité en de Stichting Mensen van elkaar te scheiden. Bij het archief van het Nederlands RK Huisvestingscomité zijn dossiers betreffende de verschillende werkterreinen door middel van sub­rubrieken bijeen gebracht. Dossiers die betrekking hebben op de activiteiten die door de Stichting Mensen in Nood nog een aantal jaren werden voortgezet (met name bij de kinderuitzending en Oost­priesterhulp), zijn geplaatst in de rubrieken die vallen onder het archief van het Nederlands RK Huisvestingscomité. Voor een gedetailleerd indeling van de basislijst wordt verwezen naar het hierna volgende rubriekenschema.

Het archief van het centraal bureau kent nogal wat hiaten, zeker in de eerste decen­nia. Het archief van de Stichting Mensen in Nood lijkt vrij volledig. De jongste stuk­ken dateren van 1996, de dossiers met bestuursvergaderingen lopen evenwel tot 1987. De materiële conditie van het archief is in sommige gevallen matig tot slecht en kwetsbaar.

Vele dozen met boeken, jaarverslagen, en brochures zijn overgebracht naar de afdeling Bibliotheek van het KDC. Eveneens zijn vele druksels en "strooifolders" die betrekking hebben op de talloze acties die Mensen in Nood in de loop van de tijd heeft georganiseerd aan de afdeling Bibliotheek overgedragen. Foto's die betrekking hebben op de ge­financierde projecten zijn als een zelfstandige eenheid overgebracht naar de Collectie Beeld en geluid van het KDC en daar op land geordend. Ook is een aantal affiches en geluidsbanden aan de Collectie Beeld en Geluid overgedragen.

Plaatsingslijst en Rubriekenschema (pdf, 1,4 MB) vernieuwd september 2018

Het Rubriekenschema betreft de archieven van het Nederlands RK Huisvestingscomité (1914-1960) en de Stichting Mensen in Nood (1961-heden)

Ten geleide
Stichting Mensen in Nood[1] voorheen Nederlands RK Huisvestingscomité (1914-2002)
a. Oprichting en opvang van vluchtelingen.
Voor de oorsprong van de Stichting Mensen in Nood moet teruggegaan worden naar het jaar 1914, het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog. In België, waar de Duitse troepen binnenvielen, werden de door oorlogshandelingen van huis ver­dre­ven kinderen in primitieve vluchtoorden opgevangen. De nood van deze kinde­ren werd door Emile Verviers beschreven in het Katholiek Sociaal Weekblad en ver­volgens werd deze noodkreet overgenomen in de landelijke pers. De artikelen trok­ken zo­veel aandacht dat enkele particulieren het initiatief namen tot het vormen van het RK Comité tot Huisvesting van Kinderen uit de Kampen. Voorzitter werd mgr. A.F. Diepen, de latere bisschop van 's-Hertogenbosch.
Het bureau werd in 1917 overgebracht van Leiden naar 's-Hertogenbosch. Daar werden in 1917 de statuten van de stichting Nederlands RK Huisvestingscomité op­gemaakt en getekend. De doelstelling stond beschreven in artikel 2 van de statuten: "De Stichting heeft tot doel het overbrengen van verweesde, onverzorgde en be­hoeftige kinderen uit de oorlogvoerende landen naar Nederland, teneinde deze kin­deren te plaatsen in gezinnen of passende gestichten en hun later weer naar hun vaderland terug te voeren".

De stichting kende diocesane bonden en plaatselijke comités. Een van de activiteiten van de plaatselijke comités was het werven van gastgezinnen. Overigens opereerden zij ook wel eens zonder tussenkomst van het diocesane bureau of het hoofdbureau te 's-Hertogenbosch.

Een half jaar na de oprichting waren al honderden Belgische kinderen in Neder­landse gezinnen opgevangen. In 1919 werden de meeste kinderen naar België gere­patrieerd. Ook Duitse kinderen werden door het comité bij Nederlandse gezinnen ondergebracht. De eerste initiatieven daartoe werden al in 1915 gedaan, maar stuit­ten op verzet van Duitse instanties en op weerstand in eigen land. Eerst nadat in 1917 de statuten waren bekrachtigd, konden op basis van artikel 2 kinderen uit alle oorlogvoerende landen worden opgevangen. De laatste Duitse kinderen keerden in 1925 naar Duitsland terug. Vanaf  1918 werden ook Oostenrijkse kinderen opgenomen en vanaf 1920 kinderen uit Hongarije. De hulp aan Hongaarse kinderen moet mede gezien worden in het licht van de dreiging die men voelde door het opkomende bolsjewisme in het voor­malige Rusland. Naast de opvang van kinderen werden door het Huisvestings­comité ook voedseltransporten georganiseerd.

b. Nieuwe activiteit: kinderuitzending.
Vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog startte het comité met de uitzending van "zwakke" Nederlandse kinderen naar gastgezinnen of zogenaamde kolonie­huizen op het platteland. Rond 1924 toen de meeste oorlogsslachtoffers waren gere­patrieerd, werd de kinderuitzending tot belangrijkste activiteit van het Nederlands RK Huisvestingscomité verheven. Aanvankelijk werd getracht de "zwakke stads­kinderen" onder te brengen bij gastgezinnen die werden geworven door de plaatse­lijke comités of afdelingen, maar steeds meer werden de kinderen geplaatst in de zelfstandige koloniehuizen of vakantiehuizen, bijvoorbeeld te Eersel, Egmond aan Zee en Schiermonnikoog. Om aan de benodigde financiële middelen te komen wer­den allerlei acties gestart. Vanaf 1931 werd de jaarlijks "Paasei-actie" gehouden. De postzegelactie "Voor het Kind" was een andere inkomstenbron.

In de jaren dertig, kon de stichting steeds meer steunen op subsidies van rijk, pro­vincies en gemeenten en in 1937 was men zover dat een vaste staf enig salaris uit­betaald kon krijgen. In dezelfde periode startte ook de samenwerking met het Wit-Gele Kruis en het Limburgse Groene Kruis. Mede door deze professionalisering groeide het aantal uitzendingen van 1.824 in 1926 tot 3.202 in 1939.

De Tweede Wereldoorlog zorgde enerzijds voor bestuurlijke problemen, anderzijds leefde de opvang van kinderen weer op doordat met name in  Noord-Brabant en Limburg veel Rotterdamse kinderen, slachtoffers van het bombardement van mei 1940, werden opgevangen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de stijgende lijn in het aantal uitzendingen snel gevonden. In 1954 werd het grootste aantal uitzendingen geteld: 6.537. Hierna nam het aantal uitzendingen aanmerkelijk af. Tevens heroriënteerde men zich op de pro­blematiek van de kinderuitzending: was voor de Tweede Wereldoorlog onder­voeding de belangrijkste reden om een kind uit te zenden, na circa 1950 werd de "geestelijke nood en armoede" als de grootste bedreiging voor het Nederlandse kind gezien. Met deze heroriëntatie deed een meer wetenschappelijke benadering van de kinderuitzending zijn intrede. In 1957 werd met belangrijke financiële steun van het Nederlands RK Huisvestingscomité in Goirle kinderkoloniehuis ("B-huis") Sint Go­delieve gebouwd en steeds vaker werden psychologen en specialisten voor de werkzaam­heden in de koloniehuizen, kinderherstellingsoorden en kinderdorpen aangetrok­ken.

Rond 1960 stopte het Nederlands RK Huisvestingscomité met de uitzending van kinderen. Deze activiteit werd overgenomen door de Nederlandse Katholieke Ver­eniging voor Kinderuitzending die door bemiddeling van het Landelijk Sociaal Cha­ritatief Cen­trum tot stand was gekomen. De administratie van deze nieuwe ver­eniging werd overigens nog lange tijd verricht op het centraal bureau van het Ne­derlands RK Huis­vestingscomité.

c. Stichting Mensen in Nood: opnieuw vluchtelingenzorg.
Nu de kinderuitzending niet langer tot de activiteiten van het Nederlands RK Huis­vestingscomité behoorde, werd een nieuw doel gevonden in de (katholieke) vluch­telingenzorg. Daartoe waren een statutenwijziging, bestuurlijke reorganisatie en een naamswijziging noodzakelijk. Zo ontstond op 1 januari 1961 de Stichting Mensen in Nood. De concrete doelstelling werd vermeld in de ondertitel: Katholieke Nationale Stichting voor Bijzondere Noden en Vluchtelingenzorg.

De activiteiten van de Stichting Mensen in Nood werden in drie hoofdafdelingen onderverdeeld:
1)  Hoofdafdeling Hulp in Bijzondere Noden: deze hoofdafdeling was gericht op de opname van buitenlandse kinderen, hulpverlening bij rampen, "leniging van men­selijk leed in de ruimste zin van het woord" en hulp aan onderontwikkelde gebie­den. Veel van deze activiteiten waren in feite een voortzetting van dat wat het Ne­derlands RK Huisvestingscomité al vanaf 1914 had gedaan. Zo werd in 1925 hulp verleend bij de watersnoodramp in het Land van Maas en Waal en werden in 1939 gevluchte joodse kinderen in internaten opgevangen.
2) Hoofdafdeling Vluchtelingenzorg. Deze vorm van hulp werd in 1940 gestart (be­ter gezegd: herstart) en kreeg in 1950 een impuls toen kardinaal De Jong het Neder­lands RK Huisvestingscomité verzocht om opname van enkele honderden bejaarde Oost-Europese vluchtelingen. Bij de reorganisatie in 1961 werd de vluchtelingen­zorg, tot en met heden, een van de hoofddoelen van de nieuwe stichting.
3) Hoofdafdeling Oostpriesterhulp. De werkzaamheden voor de Oostpriesterhulp waren op verzoek van het Nederlands episcopaat in 1950 bij het Nederlands RK Huis­vestingscomité ondergebracht. De Oostpriesterhulp was in 1947 door de Nor­ber­tijner pater Werenfried van Straaten (bekend als de Spekpater) op gang gebracht. Deze "kruistocht voor de naastenliefde" groeide in korte tijd uit tot een groot succes onder de bevolking. Bij de bid- en bedeldiensten werden tonnen geld en kleding opgehaald ten behoeve van vluchtelingen in Duitsland en Oostenrijk. De kleding werd opgeslagen in het magazijn van het Nederlands RK Huisvestingscomité. Aan de moeizame organisatorische relatie tussen Mensen in Nood en Oostpriesterhulp kwam medio jaren zestig een eind. Het kantoor van Oostpriesterhulp verhuisde naar de Vliertstraat te Vught. Oostpriesterhulp heeft zich als mondiale organisatie verder ontwikkeld tot Stichting Kerken in Nood/Oostpriesthulp.
Een blijvende activiteit, tot de dag van vandaag, was het inzamelen van gebruikte kleding. In 1958 werd hiertoe een nieuw magazijn aan de Jacob Catsstraat in 's-Hertogenbosch in gebruik genomen. De kleding wordt verscheept naar het buiten­land, maar ook uitgedeeld onder bijvoorbeeld "de stille armen" in Nederland.

d. Mondialisering en professionalisering.
In de jaren zestig en zeventig kwam het accent van de hulpverlening steeds meer te liggen op hulp aan mensen in de Derde Wereld. Naast de bestaande hoofdafdeling Bijzondere Noden en Vluchtelingenzorg werd een hoofdafdeling Voedselhulp opge­richt. Was in het begin de acute voedselhulp de meest gebezigde hulp, later werden acties en hulpprogramma's op touw gezet die de structurele voedselproblemen aan­pakten. Deze verbetering van de voedings- en voedselsituatie vond plaats via bij­voorbeeld plaatselijke scholen, moeder-en-kind-klinieken en weeshuizen. Naast voedselhulp werd ook steeds meer aandacht besteed aan sociale projecten, kinder­projecten (bijvoorbeeld met de actie "Neem een kind voor uw rekening") en ge­zondheidsprojecten.

Het internationale karakter van Mensen in Nood werd bevestigd in de aansluiting bij Caritas Internationalis. Vanwege de bekendheid van deze internationale federa­tieve caritasbeweging voert Mensen in Nood in het buitenland de naam Caritas Neerlandica. Naast deze internationale samenwerking heeft Mensen in Nood tal van partners in Nederland. Behalve innige samenwerking met parallelle katholieke hulporganisaties als bijvoorbeeld Bisschoppelijke Vastenactie, Cebemo, Memisa (participant in de hoofdafdeling Voedselhulp), Miva en Commissie Justitia et Pax, werkt het ook samen met bijvoorbeeld de Nederlandse overheid in het zogenaamde "voedselprogramma via particuliere organisaties (vpo)", de Vereniging Vluchte­lingenwerk Nederland en het Nationaal Rampenfonds.
Een andere teken van internationalisering vormde de reorganisatie van 1987 waarbij de sectorale indeling werd vervangen door een indeling in de regio-teams Afrika, Azië/Oceanië en Latijns-Amerika. Alleen het sector-team voor Rampen- en Vluchtelingenhulp bleef bestaan vanwege het speciale en spoedeisende karakter van deze activiteiten.

Dat de werkzaamheden een steeds professionelere aanpak vereisten, bleek wel uit het groeiend aantal medewerkers en het alsmaar stijgende budget. Werd in 1980 nog voor ruim 20 miljoen gulden besteed aan hulpverlening, in 1991 was dit bedrag al opgehoogd tot ruim 50 miljoen. Toch bleef Mensen in Nood voor een belangrijk deel afhankelijk van vrijwilligers, ter plaatse in de getroffen gebieden, maar ook in Ne­derland zelf. Door de plaatselijke afdelingen werd - bijvoorbeeld met het ophalen van gebruikte kleding - veel werk verzet ten behoeve van de door rampen en ar­moede getroffen medemens.

Vanaf 1 januari 1999 bundelt Mensen in Nood haar krachten met Memisa en Vasten­aktie in Cordaid. Cordaid vertegenwoordigt alle aspecten van ontwikkelings­samenwerking, van noodhulp en gezondheidszorg tot structurele armoede­bestrij­ding. Cordaid werkt nauw samen met lokale organisaties. De inkomsten komen van de Nederlandse overheid, de Europese Unie en particuliere donateurs, die het werk van Memisa, Mensen in Nood en Vastenaktie steunen.

Mensen in Nood brengt verslag uit van haar activiteiten via het blad Clamavi, in 1999 voortgezet als Mensen in Nood Nieuws.

[1] Bij deze korte historische inleiding is voor de periode tot 1961 voornamelijk gebruik gemaakt het jubileumboek Ned. R.K. Huisvestingscomité 1914-1964. Mensen in Nood. Katholieke Nationale Stichting voor Bijzondere Noden en Vluchtelingenzorg. Voor gegevens over de periode na 1961 werden geraad­pleegd: een concept van het niet-uitgegeven boek bij het 75-jarig bestaan in 1989 door C. Middelhoff  (inv.nr. 1631) en de zeer informatieve jaarverslagen die voor een belangrijk gedeelte bij de afdeling Bibliotheek van het KDC aanwezig zijn. De meeste recente gegevens over Mensen in Nood en Cor­daid zijn terug te vinden op de internetpagina's wwwmenseninnood.nl en www.cordaid.nl.

Literatuur van en over de (Stichting) Mensen in Nood, het Nederlandse R.K. Huisvestingscomité en de Vereniging voor Katholieke Kinderuitzending kunt u vinden in RUQuest.
- Bibliografie in: Bibliografieën Katholiek Documentatie Centrum

KDC - Knipselcollectie
De knipselcollectie bevat naast knipsels uit dag- en weekbladen diverse andere vormen van min of meer losbladige informatie, zoals persberichten van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), overlijdensberichten, fotokopieën uit bio- en bibliografische naslagwerken enz. De knipsels over Mensen in Nood en Huisvestingscomité zijn beschikbaar in de studiezaal van het KDC.