Trouwborst, A.A.

Archiefnummer: 1400
Archiefnaam: TROU
Sector: Onderwijs en wetenschappen
Soort archief: Persoonsarchief
Datering: 1996-2004

N.B. Toestemming is nodig van het Centre for Pacific and Asian Studies.
Voor inzage toestemming aanvragen via de archivaris

Plaatsingslijst (pdf, 1 MB)

Prof. A.A. Trouwborst met een replica van een voorouderbeeld uit Nieuw Guinea, 1989.


Ten geleide

A.A. Trouwborst (1928-2007)
A.A. Trouwborst werd in 1928 geboren in Tarakan op Borneo (dat nu Kalimantan heet) in het toenmalige Nederlands-Indië als zoon van een financieel medewerker van een oliemaatschappij. Hij was getrouwd en vader van vier kinderen. Hij overleed in Nijmegen in 2007.
Van 1945 tot 1950 studeerde hij Indologie in Leiden. In 1948 werd het taalkundig candidaatsexamen gehaald en in 1950 het economisch doctoraal-examen. Tot het curriculum behoorden onder andere de vakken Maleise Taal, Javaanse Taal, Instellingen van den Islam, Geschiedenis van Nederland-Indië, Staatshuishoudkunde, Theorie en Geschiedenis van de Statistiek, Staatsrecht en Administratief Recht van Nederland en Nederlands-Indië, Vergelijkende Volkenkunde van Nederlands-Indië en Algemene Volkenkunde (Ethnologia Generalis). Hoogleraar Volkenkunde was J.P.B. de Josselin de Jong. Deze propageerde een concept van structuur waarmee hij, onafhankelijk van ontwikkelingen elders, school aan het maken was. Tijdens de studietijd werd toegetreden tot het Leids Etnologisch Dispuut WDO, waartoe ook Lex van der Leeden, Jan Pouwer en Geert van den Steenhoven behoorden. (De letters WDO stonden op een gevonden voorzittershamer die in gebruik werd genomen. De oorspronkelijke betekenis van de letters was niet bekend, maar de toegekende betekenis werd Waar Dromers Ontwaken.)
In 1951 werd Trouwborst aangesteld bij het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut in Den Haag. Dit deed onderzoek naar het aantal scholen en kerken waaraan behoefte zou zijn. Voorafgaand aan deze aanstelling deed hij een vergeefse sollicitatie op voordracht van De Josselin de Jong bij Meyer Fortes van het Rhodes-Livingstone Institute in het toenmalige Noord-Rhodesië.
Van 1952 tot 1960 was hij conservator bij de afdeling Afrika aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. A.A. Gerbrands was het vrijzinnige hoofd van deze afdeling. In het leven als conservator kon tijd worden ingeruimd voor antropologische studie.
In 1956 promoveerde hij in Leiden op het proefschrift Vee als voorwerp van rijkdom in Oost-Afrika. Deze studie werd geïnspireerd door het werk van Herskovits, vooral zijn artikel “The Cattle Complex in East Africa” in de American Anthropologist (1926) en zijn handboek Economic Anthropology: A Study in Comparative Economics (1951). Promotor was J.P.B. Josselin de Jong. Zoals Michel Doortmont het omschreef in zijn “In memoriam Albert Trouwborst” in de NVAS Nieuwsbrief  van de Nederlandse Vereniging voor Afrika Studies was de dissertatie “een historisch-antropologische analyse van de rol van vee in pre-monetaire economieën en samenlevingen van Oost-Afrika”.
In 1958 en 1959 deed Trouwborst veldwerk in de plaatsen Mutaho, Muzenga en Renga in het rurale deel van Burundi, destijds onderdeel van het Belgische mandaatgebied Ruanda-Urundi. Belangrijkste informant en tolk was Grégoire Misigaro. Het onderzoek naar de cultuur in Burundi was vooral gericht op het formuleren van strikte regels waaraan men zich volgens de gangbare etnologische inzichten in een zogenaamde primitieve samenlevingen moest houden. Ter plaatse bleek dat er onder de informanten wat deze regels betreft geen common sense bestond. Vooral omstandigheden gaven vorm aan het handelen. De belangrijkste bevolkingsgroepen van Burundi, de Tutsi’s en de Hutu’s, leefden destijds, naar waarneming van Trouwborst in de plaatsen waar hij onderzoek deed, ondanks etnisch gekleurde ongelijkheid, als één volk in redelijke harmonie met elkaar. Dat was anders geweest en zou ook weer anders worden. Warren Weinstein kenmerkte de tijd waarin Trouwborsts onderzoek plaatsvond in Burundi met de weinig harmonie implicerende titel van zijn proefschrift A Sea of Troubles: Decolonization in Burundi, 1958-1962. Grotendeels op basis van de gegevens verzameld tijdens het veldwerk in 1958-1959, kon door Trouwborst in 2007 de etnografie Leven op de heuvelen van Burundi worden voltooid. De foto’s die hij maakte in Burundi zijn eigendom van het Museum Volkenkunde in Leiden en aldaar gearchiveerd. Ten tijde van het opmaken van dit document waren deze foto’s van het museum nog niet gedigitaliseerd en nog niet ontsloten voor publiek en voor externe onderzoekers, zoals wel wordt nagestreefd. De foto’s staan in de collectie van Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen  geregistreerd onder de nummers: “RV-10565-1 negatieven”, “RV-10566-1 negatieven” en “RV-13788-352-36/182 dia’s”. Voor actuele informatie kan worden gemaild naar conservatoren@wereldculturen.nl. De voorwerpen die tijdens de periode in het veld zijn verzameld, zijn eveneens eigendom van het Museum Volkenkunde in Leiden. Deze voorwerpen bevinden zich in depot, maar zijn gefotografeerd te bekijken via http://collectie.wereldculturen.nl/, en zijn vindbaar in deze catalogus met behulp van hun serienummer RV-3605.

Van 1960 tot 1964 was hij assistant professeur bij de zich snel ontwikkelende afdeling Antropologie van de Universiteit van Montreal in Canada. Men was op deze afdeling gespecialiseerd in het Caribische gebied, in bijzonder de Franse Antillen. Tijdens deze aanstelling, in 1963, werd door Trouwborst enige maanden verblijf gehouden bij de Matawai, boslandcreolen aan de oevers van de Samaracca in Suriname.
Van 1964 tot 1989 was hij eerst lector in de Niet-Westerse Sociologie, en na 1971 hoogleraar in de Sociale Antropologie aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen. De titels van de achtereenvolgende inaugurale redes waren: Normen en gedragingen: Enkele beschouwingen over sociologische stromingen in de sociale antropologie en De antropologische studie van complexe samenlevingen. In Nijmegen werkten ook de oud-WDO leden Lex van der Leeden, Jan Pouwer en Geert van den Steenhoven voor langere tijd. Als hoogleraar was Trouwborst de opvolger van Richard Mohr. Collega-antropologen met een leeropdracht in Nijmegen tijdens zijn in totaal vijfentwintig jaar durende aanstelling waren, naast Richard Mohr: Elisabeth Allard, Leo Triebels en Anton Blok. Het universitaire leven in de roerige jaren zeventig, met zijn strijd om inspraak en bestuurlijke hervorming, verliep niet zonder spanningen. Trouwborst had in deze jaren veel steun aan zijn medewerker Harrie Schoenaker, van wiens bestuurlijke betrokkenheid een stabiliserende werking uitging.
Van 1964 tot 1971 was hij lector in deeltijd aan de Katholieke Hogeschool Tilburg. In Tilburg werd het college Inleiding in de Culturele Antropologie gegeven.
In 1968 werd als consultant in opdracht van UNESCO een reis naar Burundi ondernomen om te onderzoeken of aan de Universiteit van Bujumbura de mogelijkheid bestond een afdeling etnologie in het leven te roepen. Dit leverde het rapport Burundi: Ethnologie et culture africaine, août-décembre 1968 op dat is te downloaden van de site van UNESCO (http://unesdoc.unesco.org/). Tijdens deze reis werd ook een bezoek afgelegd aan het onderzoeksgebied van 1958-1959 om aanvullende gegevens te verzamelen. Grégoire Misigaro, die hem had geassisteerd bij het veldwerk in 1958-1959, bewees ook nu weer zijn grote waarde, met name als zelfstandig opererend rapporteur. Het portret van een op jaren zijne Misigaro staat op de cover van Leven op de heuvelen van Burundi.

Niet alleen naar Oost-Afrika ging zijn professionele belangstelling uit. Vooral ook voor het geboorteland Indonesië bestond grote interesse, hij bezocht het land frequent. Belangrijke vriendschappen werden er opgebouwd of voortgezet. Zo gingen zijn Nederlandse vrienden Lex van der Leeden en Paul Haenen, een oud-student van Lex van der Leeden en hem zelf, in Indonesië wonen en reisde hij wel samen met een andere vriend, Herman Slaats, een oud-student van Geert van den Steenhoven, op en neer naar Indonesië om gastcolleges te geven. De interesses voor Oost-Afrika en Indonesië gecombineerd zorgden voor een tweetal publicaties: de fraai geïllustreerde syllabus Twee locale tradities van volkenkundig onderzoek: Indonesië en Oost-Afrika (1984), geschreven met assistentie van Adriaan Lamme, en het artikel “Regionale onderzoekstraditie en de Nederlandse antropologie: Indonesianistiek en de studie van Oost-Afrika” in Antropologische Verkenningen (1988), geschreven samen met Jean Kommers.

Trouwborst was van 1975 tot 1976 visiting fellow bij het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Studies in Wassenaar. Deze instelling valt onder de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen en is in het leven geroepen om erkende wetenschappers een vrijgemaakte tijdsperiode voor het schrijven van wetenschappelijke teksten te geven, omdat deze activiteit door bestuurs- en onderwijsverplichtingen veelal in het gedrang komt. Op de site van het NIAS staan de activiteiten van Trouwborst tijdens zijn fellowship als volgt omschreven: “The analysis and documenting of research material, collected in Burundi, and conducting literature research on previous research in Burundi”.

Van 1977 tot 1987 werden gastcolleges gegeven bij de volgende instellingen: Universiteit van Louvain-la-Neuve (België), Universiteit van Bujumbura (Burundi), Volkenkundig Museum Frankfurt (Duitsland), Universiteit van Helsinki (Finland), Universiteit van Turku (Finland), Universiteit van Andalas (Indonesië), Universiteit van Bhayangkasa (Indonesië), Universiteit van Sunan Giri (Indonesië) en Universiteit van Syiah Kuala (Indonesië).

Promotieonderzoekers werkend onder zijn supervisie waren: Jan Abbink, Yvonne Bartelink, Paula van den Berg (geen promotie), Ad Borsboom, Marjo Buitelaar, Rik Ceyssens, Hans Dagmar, Rob Dahler, Gerard van Etten, Paul van der Grijp, Paul Haenen, Toon Hoogveld, Sjoerd Jaarsma, Huub de Jonge, Ronald Kerkhoven (overgenomen supervisie door Frans Hüsken), Jean Kommers, Lilianne Krosenbrink-Gelissen, Dirk Lettens, Jef Leunissen, Ronald Lucardie (geen promotie), Jan Morenc, Wim Rasing, Cor Remie, Willem-Pieter Renwarin (geen promotie), Elias Rinsampessy, Pim Schoorl, Anyang Thambun (overgenomen supervisie door Frans Hüsken), Eric Venbrux, Hely van der Werff (geen promotie) en Franz Wojciechowski. Ook Toon van Meijl en Ton Otto hebben na hun afstuderen enige tijd mede met zijn begeleiding gewerkt aan een voorstel voor promotieonderzoek, voordat zij een promotieaanstelling verwierven bij de Australian National University in Canberra. Van de totale groep van promotieonderzoekers was de belangstelling van maar liefst elf van hen gericht op Oceanië. De aanwezigheid in Nijmegen van Lex van der Leeden en Jan Pouwer, beiden Oceanist, heeft zeker bijgedragen aan deze relatief grote belangstelling. Trouwborst zelf schreef twee artikelen met een duidelijk Oceanistische inslag: “The ‘Big Man’: A Melanesian Model in Africa” (1986) en “Patronage en de big-man in Melanesië” (1987).

In 1989 nam Trouwborst afscheid van het hoogleraarschap. Een laatste college werd gegeven met als titel Spontaniteit en cultuur. Hierin werd teruggekeken op de in de loop van de tijd veranderde benadering van het aspect van structuur in cultuur en werd aandacht gevraagd voor nauwkeurige beschrijving met een open wetenschapsopvatting. Bij elk empirisch onderkend cultuurelement was immers altijd sprake van ook iets anders, wat niet in het gevolgde denkschema leek te passen, de structuur in engere zin, maar wel onderdeel van de werkelijkheid vormde, de structuur in bredere zin. Naast regelmaat bestond improvisatie. Beide essentieel voor het begrijpen van situaties en ontwikkelingen. Goede etnografie was daarom het belangrijkst en had in zijn visie eeuwige waarde, terwijl goede etnologie tot dan toe altijd nog beperkt houdbaar was gebleken. Bij zijn afscheid werd hem een liber amicorum aangeboden: Liber amicorum A.A. Trouwborst: Antropologische essays. De literatuurverwijzingen naar zijn werk in deze essays geven zijn belangstelling en invloed aan op het gebied van de studie van ceremoniële uitwisseling, bezits- en machtsverhoudingen, staatsvorming, en natuurlijk de mensen waartussen hij een tijd lang leefde op de heuvels van Burundi. Als hoogleraar werd hij opgevolgd door Frans Hüsken.

Hij was van 1992 tot 1999 voorzitter van de Werkgemeenschap Afrika, die aanvankelijk WOTRO adviseerde in zake de toekenning van onderzoeksgelden, en later veranderde in een belangenorganisatie en netwerk van Nederlandse Afrika-deskundigen. Zijn opvolger was Jan Abbink. In 1995 werd hij interim-directeur van het Afrika Studies Centre in Leiden. Dit was een functie die hem twee dagen per week in Leiden in beslag nam. Hij was in 1998 lid van de visitatiecommissie Antropologie van de Vereniging voor Samenwerkende Nederlandse Universiteiten. In 2004 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau vanwege zijn buitengewone inzet voor de ontwikkeling van de antropologie in Nederland.
In 2007 voltooide hij Leven op de heuvelen van Burundi, een etnografie van “de Burundi” zoals zij leefden in Burundi in 1958. Dit volk bestond in feite uit een aantal etnische groepen, waaronder de Tutsi’s en de Hutu’s. In de entografie staan hoofdstukken over koningschap, kasten en clans, ideologie en religie, middelen van bestaan en materiële cultuur, en het dagelijks leven. Het boek is niet uitgegeven maar als gebonden prints van het elektronische manuscript verstuurd naar collega’s en vrienden.

Tussen 1956 en 2008 werd door hem ten minste 160 maal gepubliceerd. Het begon allemaal met de dissertatie en eindigde met het postuum verschenen artikel “The End of the Early State: The Case of Burundi” in het Russische tijdschrift Social Evolution and History. Door de jaren heen werd meestal gepubliceerd in tijdschriften en bij uitgevers met een lokale reputatie en een beperkt verspreidingsgebied, maar af en toe werd de getoonde deskundigheid beter gehonoreerd. Drie hoogtepunten daarbij zijn het artikel “Kinship and Geographical Mobility in Burundi (East Central Africa)” verschenen in de International Journal of Comparative Sociology (1965) en de twee hoofdstukken “Two Types of Partiality: Networks in Burundi” en “From Tribute to Taxation: On the Dynamics of the Early State” verschenen bij respectievelijk Mouton (1973) en Brill (1987).
In 2015 is een straat naar hem genoemd in een enclave van nieuwbouw in het westelijke havengebied van Nijmegen. Een aantal straten is daar genoemd naar Indische Nederlanders die in Nijmegen hebben gewoond. Deze staten liggen aan de Laan van Oost-Indië, vlakbij het Bataviapark dat uitzicht biedt over de Waal.

Literatuur van en over A A Trouwborst kunt u vinden in RUQuest.
- Bibliografie A.A. Trouwborst (pdf, 178 kB)

KDC – Knipselcollectie
De knipselcollectie van het KDC bevat naast knipsels uit dag- en weekbladen diverse andere vormen van min of meer losbladige informatie, zoals persberichten van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), overlijdensberichten, fotokopieën uit bio- en bibliografische naslagwerken enz. De knipsels over A.A. Trouwborst zijn beschikbaar in de studiezaal van het KDC.

KDC – Beeld en Geluid
De collectie Beeld en geluid kunt u doorzoeken via de Catalogus van het KDC. Door te zoeken op ‘Trouwborst, A.A.’ vindt u het bedoelde materiaal.